'Je zou hem eigenlijk moeten klonen'

Oud-ombudsman Marten Oosting presenteert woensdag zijn rapport over de deal van justitie met drugscrimineel Cees H., die minister Opstelten en staatssecretaris Teeven de kop kostte. Eerder onderzocht hij de vuurwerkramp in Enschede. 'Dan zeg ik: ho!'

Marten Oosting in Den Haag. Hij was de tweede Nationale Ombudsman en onderzocht de vuurwerkramp in Enschede. Beeld An-Sofie Kesteleyn / de Volkskrant

Oud-ombudsman Marten Oosting presenteert woensdag zijn rapport over de deal van justitie met drugscrimineel Cees H., die minister Opstelten en staatssecretaris Teeven de kop kostte. Eerder onderzocht hij de vuurwerkramp in Enschede. Portret van een vanzelfsprekend boegbeeld.

Er zijn talrijke onderzoekscommissies geweest die door Marten Oosting werden voorgezeten. En steeds werden die commissies snel naar hem vernoemd. 'Niet omdat hij probeert dingen naar zich toe te halen', zegt Michiel Scheltema, ooit collega-hoogleraar van Oosting in Groningen en staatssecretaris van Justitie (voor D66) in de kabinetten Van Agt II en III. 'Maar omdat hij nu eenmaal een voortreffelijk voorzitter is. En omdat hij is behept met een groot verantwoordelijkheidsgevoel voor de publieke zaak. Hij behoort tot het slag mensen dat geen nee zegt als een beroep op hem wordt gedaan.'

Oosting lijkt dan ook altijd rekening te houden met de mogelijkheid dat een beroep op hem wordt gedaan. Zo ook op vrijdag 12 mei 2000, toen hij voor een korte vakantie naar Vlieland vertrok. 'Ik ben te bereiken via mijn zoon', zei hij tegen zijn secretaresse bij de Raad van State - waar hij destijds werkzaam was. 'Voor het geval er een ramp gebeurt.' Daags erna vielen in Enschede 23 doden en raakten ruim 900 mensen gewond bij een ontploffing in een loods van vuurwerkproducent S.E. Fireworks. De maandag erop belastte premier Wim Kok hem met het onderzoek naar de grootste naoorlogse industriële ramp in West-Europa.

Die commissie bestond uit zes (onbezoldigde) mensen en maakte gebruik van talrijke externe deskundigen, maar Oosting was er het vanzelfsprekende boegbeeld van, zegt Ric de Rooij - hoofddirecteur interne organisatie van de Algemene Bestuursdienst en in 2000/2001 onderzoeksleider van de Commissie Onderzoek Vuurwerkramp. 'We begonnen met een leeg kantoor en een fax, maar in een mum van tijd bracht hij structuur in de materie. Uit alles bleek zijn ervaring, opgedaan als Nationale Ombudsman, met de opzet van onderzoeken. Een van de eerste vragen die hij aan de orde stelde, was: wat gaan we níet onderzoeken? De schuldvraag, die het publiek in sterke mate bezighield, interesseerde hem minder. Het ging hem niet zozeer om het eerste vlammetje, maar om de vraag hoe dat vlammetje zulke desastreuze gevolgen kon hebben in een gemeente met ambtenaren die doorgaans gewetensvol hun werk deden.'

Evenmin liet Oosting zich opjagen door het algemene gevoel van urgentie. 'De druk op de commissie was zo groot omdat de verbijstering zo groot was', zegt De Rooij. 'Een ramp van deze omvang verdroeg zich niet met het zelfbeeld van mensen die meenden in een land te leven waar zoiets niet kon gebeuren. Maar hij liet zijn tempo daardoor niet bepalen.' Zeker: Oosting hield de vaart erin. Hij had, volgens een commissielid destijds, 'geen tolerantie voor mensen die de kantjes eraf lopen'. En zijn geduld werd nog weleens beproefd door ambtelijke organisaties waarvan hij afhankelijk was, zoals hij destijds in NRC Handelblad ruiterlijk erkende. 'Dan zeggen ze: die vergadering komt nu niet uit, kan dat volgende week niet? Nee, zeg ik dan, dat kan volgende week niet. Zo hebben we ook een soort aanjaagfunctie voor politie en justitie.'

'Bonnetjesaffaire'

In april 2015 werd Oosting benoemd tot voorzitter van de commissie ontnemingsschikking, die de deal van justitie met voormalig drugshandelaar Cees H. Minister Opstelten en staatssecretaris Teeven traden af vanwege deze 'bonnetjesaffaire'.

'Gezag komt te voet en gaat te paard'

Het tempo van de commissie mocht de zorgvuldigheid van de waarheidsvinding echter onder geen beding schaden. 'Gezag komt te voet en gaat te paard', was een van Oostings gevleugelde uitdrukkingen - die meerdere varianten kende. Een foutje, een voorbarige conclusie, een belangenconflict, of ook maar de schijn ervan: alles kon de geloofwaardigheid schaden. En geloofwaardigheid was het tafelzilver van de commissie. Van élke commissie die Oosting heeft voorgezeten. 'Voor hem is het begrip vertrouwbaar gemunt', zegt De Rooij. 'Hij wekt vertrouwen met zijn betrouwbaarheid.'

Anders dan de commissies die de Bijlmerramp (1992) en de Herculesramp (1996) hadden onderzocht, ontmoette de Commissie Onderzoek Vuurwerkramp dan ook betrekkelijk weinig weerwerk. Op 28 februari 2001, amper negen maanden na haar totstandkoming, presenteerde ze haar tien kilogram wegende rapport (dat korte tijd later een tweede druk beleefde). Het liet zien hoe ambtelijke instanties in afzondering van elkaar opereerden (en dus disfunctioneerden) en van de lichtvaardigheid waarmee vergunningen waren verstrekt aan een bedrijf waarvan het bestaan in een woonwijk uitgesloten had moeten zijn. Het bevatte ook een aanbeveling die Oosting bij de presentatie van het rapport als volgt verwoordde: 'De cultuur van onderhandelen met overtreders moet als de sodemieter de wereld uit'. Navolging van deze dringende suggestie - een pleidooi voor de beëindiging van de gedoogconstructies waarvan ook S.E. Fireworks gebruik had gemaakt - zou volgens Oosting niet minder dan een 'culturele revolutie in het openbaar bestuur' tot gevolg hebben.

Voor Oosting zelf was de totstandkoming van het rapport uiterst enerverend geweest. Niet alleen vanwege de veelomvattendheid van het werk en de emoties van betrokkenen waarmee hij als 'empathisch voorzitter' (De Rooij) te maken kreeg, maar ook omdat tijdens het onderzoek zijn zoon een hartoperatie onderging en zijn schoonmoeder kort voor de presentatie van het rapport overleed. Tegen zijn gewoonte in, gaf hij dan ook enige tijd geen gehoor aan verzoeken om tot commissies toe te treden. 'Dit was once in a lifetime', zei hij in de Volkskrant. 'Het is nu aan anderen. Ik heb voldaan aan mijn maatschappelijke plicht, dacht ik zo.' Maar de naar hem vernoemde commissie heeft school gemaakt, denkt zijn toenmalige rechterhand Ric de Rooij. 'Dat zag je al aan de werkwijze van de commissie-Alders die de cafébrand in Volendam heeft onderzocht. Die hanteerde onze werkwijze. Zelfs haar rapport had dezelfde layout als het onze.'

Oosting keerde terug naar de Raad van State, een biotoop die goed bij hem paste. 'Hij is iemand die de analyse vooropstelt', zegt voormalig collega-staatsraad Hans Borstlap. 'Hij had uitgesproken opvattingen en overtuigingen, maar die stonden zijn functioneren als lid van de Raad van State nooit in de weg. Meningen doen bij de Raad van State tenslotte niet ter zake. Het gaat om de dwingende logica van een advies, zoals hij het noemde. Vervolgens is het aan de politiek om een advies van de Raad van State ter harte te nemen of niet. Volgens Borstlap had Oosting alleen vrede met een afwijzing als aan de toelichting enige zorg was besteed. 'De politieke rationaliteit is nu eenmaal een andere dan de onze. En dat moest ook zo blijven. Als je partij wordt, of belangenbehartiger, heb je je staatkundige rol niet goed vervuld.'

Hoog College

De Nationale Ombudsman werd in 1982, na een discussie van bijna 20 jaar, in het leven geroepen. In Zweden bestaat het instituut al sinds 1809, in Denemarken sinds 1955. De Nationale Ombudsman is, net als de Eerste en Tweede Kamer, de Raad van State en de Algemene Rekenkamer, een Hoog College van Staat. De Ombudsman wordt voor een periode van zes jaar benoemd door de Tweede Kamer. Aanvankelijk beoordeelde de Ombudsman klachten over 'uitvoeringshandelingen' van de rijksoverheid en de politie. Later strekte dit zich uit tot onder meer provincies, waterschappen en gemeenten. Hij kan geen sancties opleggen.

Ook als (tweede) Nationale Ombudsman, van 1 oktober 1987 tot 1 oktober 1999, was Oosting de gezaghebbende buitenstaander geweest. Dat gezag kon hij bij zijn aantreden nog niet ontlenen aan het ambt, dat toen pas vijf jaar bestond en nog allerminst onomstreden was. 'De eerste Nationale Ombudsman, Jacob Rang, zag de Ombudsman als een persoon wiens opvattingen in hoge mate bepalend waren voor de invulling van het ambt', zegt voormalig staatssecretaris Michiel Scheltema. 'Voor Oosting was de Ombudsman een instituut. En dat is het tijdens zijn ambtsuitoefening ook geworden.'

Dat ging niet zonder slag of stoot. De samenwerking van de secretarissen-generaal en de Nationale Ombudsman - net als de Raad van State en de Algemene Rekenkamer een Hoog College van Staat - zou aanvankelijk nogal stroef zijn verlopen. 'Moet de Nationale Ombudsman in actie komen omdat de gemeente Tietjerksteradeel een brief niet beantwoord heeft?', vroeg een van hen zich honend af.

Als Rangs opvolger buigt hij zich onverstoorbaar over een veelheid aan klachten, bijvoorbeeld van de inwoners van Bavel, verenigd in het Comité Bijenramp Bavel, die zich erover beklaagden dat de Algemene Inspectiedienst van het ministerie van Landbouw had verzuimd onderzoek te verrichten naar de 'massale bijensterfte' in Bavel en omgeving. Of - toen al - over de lange wachttijden bij de IND, over lompe politieagenten, de informatievoorziening van de Belastingdienst of over de trage uitkering van studiebeurzen door de Informatie Beheergroep.

Marten Oosting schudt toenmalig Kamervoorzitter Dick Dolman de hand nadat hij is beëdigd als Nationale Ombudsman, 1987.

Te ver van praktijk

Het vaak terugkerende verwijt van, bijvoorbeeld, de politie dat de Ombudsman te ver van de praktijk afstaat om over hun functioneren te kunnen oordelen, wees Oosting resoluut af. 'Politiemensen zeggen vaak: pas dan de proper rules aan de praktijk aan. Maar dan wordt de werkelijkheid van de politie zelf de norm. Dan zeg ik: ho! In een rechtsstaat kan en mag de politie zichzelf niet de wet stellen.' De Tweede Kamer verweet hij dat haar aandacht te veel uitging naar wat hij 'onweer' noemde: aandachttrekkende situaties. 'Niemand staat erbij stil dat mensen van aanhoudende motregen ook nat worden.' Niet het gebrek aan regels was volgens hem een probleem in Nederland, maar - integendeel - de veelheid daarvan.

In 1999, na twee termijnen van zes jaar te hebben uitgediend, nam Marten Oosting afscheid als Nationale Ombudsman. Zijn ambt had zich tot een gerespecteerd instituut ontwikkeld, getuige de lof die hem werd toegezwaaid door vertegenwoordigers van de overheid die hij op de huid had gezeten. 'Je zou hem eigenlijk moeten klonen', zei toenmalig minister van Binnenlandse Zaken Bram Peper. 'Elke gemeente zou er een moeten hebben.'

Gezag is echter niet altijd de wegbereider van tastbare invloed, stelde Herman Tjeenk Willink, de toenmalige vicepresident van de Raad van State, op het afscheidssymposium voor Oosting vast. 'De Eerste Kamer toont geen belangstelling voor de Nationale Ombudsman en de Tweede Kamer volgt zijn aanbevelingen niet op.' Oosting weersprak hem niet.

Aanvullingen en verbeteringen: In een eerdere versie van bovenstaand artikel werd Oosting opgevoerd als voorzitter van een commissie die in opdracht van minister Schippers onderzoekt of de regels voor stervenshulp moeten worden verruimd. Van die benoeming is weliswaar sprake geweest, maar ze heeft nooit haar beslag gekregen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden