'Je wordt daar boven op die berg toch ook een beetje gekkig'

Bart Vos (43) was in 1984 de 161ste mens en de eerste Nederlander die de top van de Mount Everest bereikte....

ROLF BOS

'Ik heb er nog wel eens over gedacht om een grote Nederlandse expeditie te organiseren naar de K 2 of de Kangchenjunga, in hoogte de tweede en de derde berg van de aarde. Maar nu weet ik, dat ik dat niet meer moet doen, mijn plezier ligt niet langer in het expeditie-klimmen op grote schaal. Je bent nooit de enige, je moet het toch een beetje zien als een groot aantal basiskampen naast elkaar, steeds op twintig meter afstand. Als je de normaalroute klimt, en je wilt daar fotograferen of filmen, dan moet je heel veel moeite doen om elkaar uit beeld te houden. En om nou met z'n veertigen op de top te staan. . .

Het klimt natuurlijk wèl gemakkelijker. De touwen van de anderen hangen er al, je gaat in de maalstroom naar boven, je ziet voetsporen van je voorgangers. Dat is psychologisch toch anders dan zelf je weg zoeken. Vorig jaar was er een grappenmaker op de BBC, die zich had opgegeven voor een Everest-expeditie. Hij had een keurig curriculum vitae opgegeven van zijn klimervaringen in de Alpen. Nadat hij op de top had gestaan, vertelde hij doodleuk dat hij nog nooit eerder geklommen had, nog nooit stijgijzers aan had gehad.

Het wil niet zeggen dat het ongevaarlijker is geworden. Ik klom op de noordwand van de Matterhorn. Ik had die van de Eiger en de Grand Jorasses al gedaan, dus dit was mijn laatste gevaarlijke wand in de Alpen. Ik was vijftig meter van de top, op een soort rommelig rotsveld, toen ik een gil hoorde. Er viel iemand van de eenvoudige normaalroute, waar een vast, dik touw hangt. Het slachtoffer stuiterde zo langs me heen. Je kunt dus altijd vallen. En dat was nog maar de Matterhorn; met de Everest, waar de hoogte een grote rol speelt, blijft het helemaal uitkijken.

Stel dat je een hut op de zuid-col plaatst, ook dan blijft het een onberekenbare berg. Het lijkt in dat geval makkelijker, maar dat is het niet. Ik denk zelfs dat er dan nog meer mensen gaan sterven, dan tot nu toe het geval was. Er zullen er meer naar boven gaan, die het eigenlijk niet aankunnen. Dan krijg je, zoals de afgelopen jaren gebeurde, op één dag dertig mensen op en rond de top. Als dan het weer omslaat, is tweederde er geweest.

Ja, de hellingen beneden zijn vervuild. Ik heb hier een foto uit het Britse blad High, waarop je de zuid-col ziet. Het ligt er vol met zuurstofflessen. Daar, die rechts, dat zijn de onze uit 1984, ik herken ze aan de stickers. Expedities, zoals de onze in de jaren tachtig, komen met tienduizend kilo bagage aan, maar het meeste blijft achter in het basiskamp. Wat je meeneemt naar boven, en eventueel in een gletsjerspleet dondert, is maar heel weinig. Je ziet beneden wel veel blikjes en troep, maar dat is vaak van trekkers, die massaal om de bergen heen cirkelen.

Veel van die trekorganisaties tetteren dat ze zo ecologisch zijn, maar het poept en piest ondertussen wel flink in het rond. In Nederland roepen ze in hun folders erg voor het milieu te zijn, maar ter plekke huren ze allemaal dezelfde sherpa's, die rustig het schaarse hout verbranden. Toen ik voor het eerst in Nepal kwam, vond ik de bomen zo mooi, zo lang, zo statig. Alleen aan de top waren takken. Ik dacht dat het zo hoorde. Later begreep ik dat ze die takken wegkappen, als brandstof.

Ik vind het wel grappig dat juist Edmund Hillary zo voor het milieu opkomt, want met hem is het feitelijk toch allemaal begonnen. Hij zou de bergen ook graag een jaar rust gunnen, zonder klimmers. Wat schiet je daar mee op? De schoonmaakacties van onder meer Nepalese militairen stellen ook weinig voor. Ze gebruiken zo'n tocht vaak als excuus om zelf ook eens naar de top te klimmen.

Of ik een reiziger ben? Als ik in Nepal met de trekkers rond de bergen trek, ben ik een doodgewone toerist. En als ik dan in mijn eentje van de horde wegloop, en een zijdal insla om een berg te beklimmen, ben ik natuurlijk de grootste toerist die je je kunt voorstellen.

Nee, de beklimming van de Dhaulagiri is vorig jaar niet gelukt. Ik ga er dit jaar weer heen, voor mijn nieuwe boek. Eerst van Calcutta naar Kathmandu over land, want dat hoort erbij. Je kunt Nepal niet zonder India zien. Als Nepal linksaf wil, en India gaat rechtsaf, dan gáát Nepal rechtsaf. Anders wordt het land gewoon opgeheven.

Het is ook de oude route van vroegere Everest-expedities, overland vanaf Bombay of Calcutta. Als ik in Kathmandu ben, ga ik kijken of ik me kan inkopen in een van de bestaande expedities. Als je het zelf moet doen, wordt het erg duur. Alleen de permit kost al achtduizend dollar. En dan heb je nog een verbindingsofficier nodig, die ook nog eens vijftienhonderd dollar rekent.

Wat die Dhaulagiri zo aantrekkelijk maakt? Het basiskamp ligt op 4650 meter, en daar vandaan loopt de berg als een soort kies omhoog, drieëneenhalve kilometer hoog. Heel fraai, en bovendien technisch niet al te moeilijk. Ik ben geen sportklimmer, ik moet het meer van mijn Ausdauer hebben. Ik kan lang doorgaan, ben goed in het ijs, kan risico's incalculeren. Maar een echte technische klimmer ben ik niet. Ik heb toch een beetje een harkerig lichaam.

Wat de Himalaja voor mij interessant maakt, is het isolement, de hoogte, waardoor elke stap tien keer zo zwaar is als in de Alpen. Je gaat 'n beetje gek doen, 'n beetje hallucineren, je hebt jezelf wat minder onder controle. Boven de vijfduizend meter heb je sowieso maar weinig tijd. De tijd op een berg wordt een soort worst, waarvan iedere dag een plakje wordt afgesneden.'

'Ik begon vrij laat. Mijn schoonouders hadden een huis in Zwitserland. De bergsport trok me echter helemaal niet. De bergen vond ik mooi, maar waar de sneeuw begon, hield het voor mij op. Ik wist niet wat een gletsjer was, wat een sneeuwveld was. In 1977 heb ik samen met een vriend flierefluitend een cursus gevolgd van de Alpenvereniging. We waren de oudsten, ik was al 27. De hulpgidsen die ons begeleidden, schudden het hoofd: er zat geen enkele echte klimmer bij. Toch lag het me wel. Ik was handig, kon goed met touwen omgaan, flink afzien. Ik werd een fanatieke klimmer, net zo fanatiek als ik in de jaren daarvoor bij vlagen filosofie gestudeerd had.

Na de geslaagde Nederlandse beklimming van de Annapurna stond een advertentie in de Berggids, het blad van de Koninklijke Nederlandse Alpen-vereniging. Daarin werden de plannen voor de 'Nederlandse Mount Everest Expeditie 1982' beschreven. Twee vrienden, met wie ik in de Alpen geklommen had, gaven zich op. Zij hadden meer klimervaring, maar ik vond mezelf beter. Ik heb me dus ook opgegeven. Dat was eigenlijk de enige reden; niet dat ik nou per se die Everest wilde beklimmen.

Het verhaal over de eerste expeditie is bekend. We hadden de beste klimmers van Nederland bij elkaar, maar het was een morele ramp. Dat heeft iedereen op de televisie kunnen zien, en in mijn Himalaja dagboek kunnen lezen. Na die mislukte expeditie hebben we meteen plannen gemaakt voor een nieuwe onderneming. Ik wist dat het beter kon. Voor 1984 had de Alpenvereniging al een vergunning om vanuit Nepal te klimmen. Er waren twee aanvragen, een van Han Timmers en mij, en een van Ronald Naar. Wij hebben 'm gekregen. Hoe dat werkt? Een mooie brief schrijven, en maar afwachten wat het bestuur beslist. Hoe die verhoudingen in zo'n bestuur precies liggen, weet ik niet. Het is allemaal kleinschalig. Deftig pratende mannen, die in één hand een sigaar èn een glas bier kunnen vasthouden.

In 1982 was iedereen gelijk, in 1984 hadden we een veel duidelijker hiërarchie. We wisten waar de kampen zouden komen, waar met zuurstof geklommen moest worden. We hadden bepaald wie er als eerste naar de top mocht, wie als tweede. Alpinisten die mee wilden, moesten zich neerleggen bij dat klimplan. Je voert vooraf dus sollicitatie-gesprekken. Als iemand ons niet beviel, een raar gebaartje had, een vreemd stopwoordje gebruikte, mocht-ie niet mee. Want als je je daar hier al aan ergerde, hoe wordt het dan in een tent op zevenduizend meter?

Het mislukken was de eerste keer aan menselijk falen te wijten. Het was ook slecht weer. Maar als het goed was geweest, hadden we het ook niet gered. Daarbij kwam dat ongeluk, zodat je je krachten verspeelde met het terugbrengen van het slachtoffer. Een aantal wilde niet meehelpen, dus had je meteen grote conflicten. Mijn code in de bergsport luidt dat je wèl helpt. Je speelt een spelletje, en zodra er iets ernstigs gebeurt, is het spel voorbij, en ga je helpen. Dat ligt verankerd in de traditie van de sport.

Dat egoïsme komt natuurlijk vaker voor. In 1992 lieten Nederlandse klimmers op de Everest zelfs iemand van een andere - Indiase - groep buiten hun tent sterven, met het argument: hij gaat toch dood. Ja zeg, al gáát die man dood, dan ga je er naar toe, dan gaat-ie maar op je knie dood, of je haalt hem je tent in, maar je zorgt dat je er bij bent. Natuurlijk word je harder, daarboven. Je bouwt een soort schild om je heen, je moet ook niet al te dikke vrienden met je klimcollega's worden, want ze kunnen 'ns dood gaan. Maar iemand alleen laten doodgaan: nee.

Na de tweede, succesvolle Everest-expeditie in 1984 ben ik even helemaal gestopt met de bergsport. Nee, ook niet meer in de Ardennen, daar voelde ik me niet meer thuis. Al die ogen die me zo nakeken, zo van, hé, daar gaat Bart Vos, de Everest-bedwinger. Als ik een stapje mis deed, waarde er een golf van hilariteit door het dal. Mijn anonimiteit was ik kwijt.

Het plezier in het reizen kwam weer in Nieuw-Guinea. Ik heb er enorm van genoten dat ik weer eens alleen kon zijn. Dat boek van de zoon van Colijn, Naar de eeuwige sneeuw van tropisch Nederland uit 1936, was de oorspronkelijke aanleiding. Gaandeweg heb ik het nareizen ervan echter meer en meer los gelaten.

Het schrijven van dat tweede boek heeft me een hoop moeite gekost. Ik heb er flink op geploeterd om de goede toon te vinden. Het lukte niet. Het alibi van mijn reis, dat boek van Colijn, was weggevallen. Toen bedacht ik dat ik dàt dan maar moest opschrijven. Dan zou de rest vanzelf volgen. Het bleek inderdaad de sleutel te zijn. Dus nu zit ik in het boek in dat bootje, en zeg ik: hij kan me wat, die Colijn.

Het afgelopen voorjaar in Nepal, was ik 38 dagen op hoogte, maar daarvan heb ik er slechts dertien kunnen klimmen. Slecht weer, bergen sneeuw, je wacht maar een beetje, je drinkt wat, je eet wat, je gluurt naar buiten, en dan gaat het wéér sneeuwen, je kunt niks doen. M'n recordertje was stuk, ik had geen muziek. Ik had maar een paar boeken bij me; Simon Schama, Ryszard Kapuéciéski over Rusland, Het verdriet van België van Claus, en die pil van Jung Chang. Ik had ze op dikte uitgezocht.

Ik heb ook nog een week nog hoger vastgezeten, zonder boeken, in m'n tentje. Ik had alleen wat uitgescheurde bladzijden Schama bij me, en die had ik al vier, vijf keer herlezen. Op een gegeven moment merkte ik bij de thee een gebruiksaanwijzing; het was een verademing om weer wat nieuws te kunnen lezen. De teksten van het Camping Gaz-stelletje, die boeiden ook enorm. Ik kende ze gewoon uit mijn hoofd, sterker nog, ik kende ze achterstevoren.

Verder kijk je eens naar buiten of het weer al verbetert. Ik kon niet naar boven, maar de weg terug was ook geblokkeerd. Je gaat een beetje vegeteren. Die druk wordt dan erg groot. Er zijn maar weinig mensen die daar tegen kunnen. Ik las laatst dat boek over die gijzelaar in Libanon; in die man vond ik veel terug. Je wordt daar boven op die berg toch ook een beetje gekkig.

Ik heb nu een zeilschip gekocht, een veertig-voeter, waarmee ik solo kan zeilen. Ik heb haar 'FakFak' genoemd, naar het plaatsje op Nieuw-Guinea dat een rol speelt in mijn laatste boek. Na mijn reis naar Nepal ga ik het schip goed leren kennen. Daarna? Mogelijk naar Spitsbergen, misschien naar IJsland. De eilanden aan de andere kant van Nieuw-Guinea trekken ook wel, lekker warm. Want sneeuw is ook niet alles.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden