Je wil wel troosten, maar weet niet hoe

Ze zat in bad, de Dochter, met haar 10 maanden oud. Één al spek en plooien. Enthousiast sloeg ze met haar platte handen op het water, waardoor het met gulpen tegelijk over de rand klotste en ik een theatrale sprong achteruit deed, want de Dochter is op een leeftijd dat ze dat soort jarenvijftighumor nog leuk vindt.

Beeld Robin de Puy

'Nou ja!', riep ik quasiverontwaardigd uit. 'Wat doe jij nou?'

Pets, pets, pets, nog meer water over de rand, nog meer kraaien, nog meer gillen van de pret, en dat werd nog erger toen de Man erbij kwam, want die kan er ook wat van, qua theater. Even later zitten we met z'n drieën op de bank, wij met natte schoenen en de Dochter tussen ons in, met roze wangen in een girafbadjas en een fles melk klemvast in haar knuisten. Ik kijk naar buiten, naar de naderende regen en de avond die voor ons ligt, en bedenk hoe we later tegen elkaar zullen zeggen dat dit de gelukkigste tijd van ons leven was.

Hoe anders is dat dertig kilometer verderop, in het huis van mijn vriendin Carolien. Misschien zit de kleine Lucas daar nu ook wel in bad, maar papa komt niet meer kijken, nu niet, straks niet, nooit meer.

Twee maanden geleden alweer, dat hij in een gletsjer verdween.

In het begin telde ik nog: vandaag is het precies een week geleden, twee weken geleden, een maand al weer. Maar nu, twee maanden later, is het al bijna gewoon geworden, voor zover gewoon gewoon kan zijn in deze situatie. Ze werkt alweer. De wasmachine draait. De auto is verkocht en ze heeft eigenhandig de tuinbank gerepareerd, schroef erin, boor d'r op, hatsiekiedee. Jezus wat doet ze het goed, zeggen wij, vrienden en familie, tegen elkaar, ongelooflijk hoe ze zich staande houdt in deze erbarmelijke toestand.

Maar wat weten we ervan?

Ja, ze dóét leuk, dat wel.

Ze gaat uit eten, drinkt twee glazen wijn en krijgt de slappe lach. Met een geamuseerde blik op mijn bokkenpruik vertelt ze hoe fijn het is om niet meer voortdurend de zooi van een ander op te hoeven ruimen. En binnenkort gaat ze op 'jankvakantie' met drie vriendinnen die ook allemaal een topjaar achter de rug hebben: twee scheidingen, darmkanker en een weduwe, 'als dát niet gezellig wordt'.

Je wilt erbij zijn, en ook weer niet.

Want als de kleine Lucas koorts krijgt - snel, ineens, van 38 naar 40 in amper een uur, zoals dat gaat met baby's - rijdt ze tegen middernacht met gierende banden naar het ziekenhuis, omdat het 'me toch godverdomme niet gaat gebeuren'. En wanneer ze een paar dagen later met hem in bad zit en ze maar blijft kijken naar de lamp - geef dan een seintje Jean, doe iets, laat zien dat je dit ziet - gebeurt er niets, zoals er nu al weken, maanden niets gebeurt. Wanneer ze in huilen uitbarst en Lucas verbaasd naar haar kijkt, trekt ze snel een gekke bek, moet je mama zien, haha, gekke mama, maar het is tevergeefs. Lucas doet wat wij uit voorzichtigheid allang niet meer durven: hij huilt onbedaarlijk mee.

Je wil wel troosten, maar je weet niet hoe.

Wanneer de Man en ik die avond in bed liggen, lichtje aan, nog even lezen, valt mijn oog op een passage in Oei ik groei. 'Kijk nou', wijs ik op het boek. 'Het is gewoon imitatie!' De Man kijkt me niet-begrijpend aan. 'Dáárom moest Lukie huilen toen ze samen in bad zaten! In deze fase doen baby's hun ouders na. Dat ga ik morgen aan Carolien vertellen.'

En met die gedachte val ik in een diepe, onrustige slaap.

eva.hoeke@volkskrant.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.