Je loopt met de dood als een dode hond achter je aan

Tijd is een tiranniek verschijnsel...

Piet Gerbrandy

Vanaf het moment dat je geboren wordt, kun je maar kant op: recht vooruit, richting dood. Afslagen of driesprongen ontbreken, laat staan dat je zou kunnen terugkeren. Daar komt bij dat het complete traject, als je terugkijkt, maar vooral in het licht van de eeuwigheid, belachelijk kort is. Vandaar dat nogal wat mensen graag fantaseren over een leven na de dood, hetzij in een betere of nog ergere wereld, hetzij gewoon hier, maar dan in een nieuw lichaam.

Dat levert weinig goeds op. Interessanter is het te speculeren over simultane levens in parallelle universa, in een anti-ruimte of anti-tijd. Ook onzin natuurlijk, maar wel spannender dan hel, hemel of zielsverhuizing, omdat het de mogelijkheid impliceert dat de ene keuze de andere niet behoeft uit te sluiten.

Sybren Polet (1924) is altijd de man van de oneindige potentialiteiten geweest. Dat klinkt populair-wetenschappelijk, en dat is het ook, maar Polets vrolijke nieuwsgierigheid naar alles wat buiten de geijkte denkpatronen ligt heeft een in onze literatuur volstrekt uniek oeuvre opgeleverd. Zijn romans, poebundels en essays wemelen weliswaar van de moeizaam geformuleerde, quasi-wetenschappelijke nonsens, toch is Polet lezen een feest.

Ook in zijn nieuwe bundel staan zinnen als deze: 'Placebo nestelt zich /in placenta /als loco' en: 'denklucht vol decimalen', wat lelijk en onbegrijpelijk is, maar ook deze keer slaagt Polet er weer in zijn onconventioneel tijdsbesef en zijn afkeer van verstarring op de lezer over te dragen.

Polet is zijn leven lang zowel een vertegenwoordiger als een criticus van de tijdgeest geweest. Het spreekt vanzelf dat hij de ongekende mogelijkheden van de computer direct heeft onderkend, terwijl hij zich anderzijds krachtig teweerstelt tegen het eendimensionale denken van de consumptiemaatschappij. In zijn 'Diapsalmata' (tussenspelen) zingt hij, doordrongen van het feit dat zijn eigen tijd begint op te raken: 'Je gaat verloren in teletaal en dotcomtaal, /in serieschakelingen en eindeloze nevenschikkingen', en: 'Je gaat verloren in een tegenloze wereld, /je gaat verloren in verlorenheid, je gaat verloren.' Hoewel het aantal mogelijkheden om je leven te leiden in principe oneindig is, blijkt er in de praktijk slechts sprake te zijn van een oneindige vermenigvuldiging van steeds hetzelfde. We worden klonen, eenzame klonen in een eenvormige wereld vol hangplekken, wipkipkinderen en 'woontorens als hoge holle ego's, /elkaar spiegelend.'

Geen wonder dat Polet in deze bundel met bijna boeddhistische resignatie zijn eigen verdwijning onder ogen ziet. Het eerste gedicht vertelt hoe een 'vierkante wind' zijn 'wijdopen huis' binnenwaait, 'nergenshuis zonder muren & wanden'. Er heerst 'Midwinterlicht. Nergenslicht'. Vogels van lucht spiegelen zich in water 'vol opgeloste vissen'. Wat een rust spreekt uit de regels die daarop volgen:

Daartussen een al meer vervluchtigend mens, bijna een luchtspiegeling die verderdrijft en verwaait. Nergenswind. Thuiswind.

Opmerkelijk is het grote aantal honden dat in deze bundel voorbijkomt. 'Bevriende honden blaffen ochtendmuziek'. 'Een beroepshond met een bijbaantje /snuffelt langs de vloedlijn'. 'Zelfs de honden hebben de vlucht genomen, /ze sterven al lopend'. In een van de 'diapsalmata' is de hond een beeld voor de dood: 'Je loopt met de dood als een dode hond achter je aan /en je blaft en je blaft tot je in de lucht op bent gegaan'.

Maar Polet is nooit een man van de doodlopende weg geweest. Altijd zijn er driesprongen. Misschien is dat de reden waarom de getallen 3 en 9 (een driesprong in het kwadraat) in dit boek een paar keer genoemd worden. 'Er heerst iets drietalligs. Tritaal spreken /de breinnomaden, driewegwoorden onbekommerd: /ze ontraden niemand & niemand'. Hetzelfde getal speelt ook een rol in een gedicht over het dichterschap. De harmonie tussen mens en wereld is verknipt, zegt Polet in een ritme dat aan triolen doet denken: 'Ik hoor mijzelf /tikkend leven'. Zo is het met de mensheid gesteld:

Mensen van ondertonen in een wereld van boventonen.

'En wij', zegt de dichter, 'een wandelend interval'. Wij, zijn dat de dichters? Dan is dit de poe: 'Een vogel wiekt op, /een tonaalgevederde droomvogel'.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden