'Je leeft pas als je zoo'n beetje draalt'

Op 25 juli is hij vijftig jaar dood, maar de tweehonderd pagina's met verhalen die J.H.F. Grönloh (1882-1961) onder het pseudoniem Nescio publiceerde, zijn genoeg geweest om hem in leven te houden. De prozaïst van het Hollandse landschap en van het utopische, onmaatschappelijke ideaal is onnavolgbaar en vers gebleven. Hoewel zijn verhalen ontnuchterend kunnen worden genoemd, zit er onder de hoofdschuddende realist die ze schreef een hooggestemd lyricus die er af en toe uit moet, en dan het proza een poëtische glans van vuur en weemoed schenkt.


In zijn jonge jaren stichtte Grönloh met een aantal vrienden de kolonie Tames (1902) bij Huizen, naar het voorbeeld van Frederik van Eedens Walden. Hij was lid van de beweging die GGB heette, Gemeenschappelijk Grond Bezit: iedereen is gelijk, we bouwen en telen alles zelf, de ideale maatschappij is binnen handbereik. In de novelle 'Heimwee' (uit 1903, postuum gepubliceerd) blikt de schrijver, die zich nog niet als Nescio had gemanifesteerd, terug op een aantal pioniers: 'Ik zie ze nog, die flinke kerels, die nu allen gestorven zijn om der gerechtigheid wil.'


Een vreemd moment om dit te schrijven, aldus de wiskunde-docent Maurits Verhoeff in zijn bundel met opstellen over Nescio verlangen zonder te weten waarnaar, 'want de kolonie was nog niet opgeheven en de idealen van de pioniers waren nog springlevend. Zag Grönloh al in dat de onderneming tot mislukken gedoemd was?' Een van de aardige open vragen van deze losse en met ambtelijke punctualiteit verzorgde biografische artikelen. Als íets het werk van Nescio typeert, en ook het weinig avontuurlijke leven van de man die dertig jaar op kantoor zat van de Holland Bombay Trading Company in Amsterdam, en die na zijn vertrek vooral tochtjes maakte naar plaatsjes waar de tijd had stilgestaan (Kortenhoef, 's-Graveland, Groet, Muiden), dan is het dat hij een terugkijker was. Misschien dat ook het idealisme van zijn jeugdjaren daarmee verbonden moet worden: terugverlangen naar een wereld van vóór de industrialisatie, van zelf boeren en buiten leven, van uitzicht hebben- op wat dan ook.


Zoals hij schrijft in het verhaal 'Buiten-IJ' (uit Mene tekel, 1946): 'Groot was God dien middag en goedertieren. Door onze oogen kwam Zijn wereld naar binnen en leefde in onze hoofden.' Toen hij voor zijn werk in 1925 door India reisde, berichtte hij zijn vrouw: 'Maneschijn & neveligheid weer zooals bij ons tegen half October, ik had m'n overjas aan, lekker. Zoo in 't halve donker kon 't wel ergens bij Oosterbeek zijn, breede wegen & veel boomen.'


Heel veel was er niet bekend over Grönloh/Nescio, de interviewcultuur is hem bespaard gebleven doordat hij tijdig stierf, maar Maurits Verhoeff heeft alles naar boven gehaald: van anekdotes op het kantoor van meneer Grönloh (als juffrouw Kruys van de administratie zich had opgemaakt, zei hij: 'net een gekleurd plaatje van een goedkope magazine'), tot en met schaarse correspondenties en ingezonden brieven.


Wat krijgen we er aan Nescio-tekst bij? Bijvoorbeeld het bericht uit 1907 aan de contribuanten van de Pionier, het orgaan van de GGB, waarvan hij de administratie deed: 'Laten we leesbare stukjes verlangen. Laten we zeggen dat een stukje zoo moet zijn, dat je aan 't eind nog weet waar 't over was. Laten we zeggen, dat 't verboden is, allerlei Zondagsche woorden door mekaar te haspelen en af en toe "enz." te schrijven. Die "enz." schrijft weet niet waar hij heen wou of hoe hij er uit moet komen.'


Een heel hoofdstuk trekt Verhoeff uit om Nescio's aparte wijze van schrijven met 'enclisevormen' (datti, hatti, wat i, tot en met kwami en exposeerdei) te rubriceren en turven. Vermoedelijk had hij dat trekje van Multatuli overgenomen. Enige consequentie daarin kan Verhoeff niet vinden, net als Nescio zelf. Meestal deeti maar wat.


In 1918 was zijn debuut verschenen, met de verhalen De uitvreter, Titaantjes en Dichtertje. Het jaar daarop was hij begonnen aan een roman, schreef hij aan de fan en schrijfster Agnes Maas-Van der Moer: 'Ze hadden gezegd dat moest ik doen, zonder roman word je niet bekend en de uitgever dacht datti d'r vast wel in zou gaan. Nou, ik aan 't romanschrijven, in een paar dagen had ik wel vijftig zijdjes en de rest stond, in hoofdstukken verdeeld, in mijn kop. Maar ik heb er mee opgehouden, 'k geloof niet dat 't wat voor mij is, ik heb nog maar weinig romans ontmoet die niet veel beter korter gekund hadden. Voortaan schrijf ik weer alleen wanneer ik zelf wil en wat ik zelf wil, ik kan me dat gelukkig veroorloven. Dan maar niet bekend.'


Zelfs over zo'n passage uit een brief hangt de geest van Nescio, met die instinctieve opstandigheid als 'ze' (of de maatschappij) iets van je moeten of verlangen. En alweer: de nederlaag voorzien terwijl je nog volop bezig bent, of zelfs net goed en wel begonnen.


Wat dat betreft, is ook het hoofdstuk over het Natuurdagboek van Nescio (dat postuum verscheen, in 1996) illustratief. Grönloh was altijd uit op de horizon, schrijft Verhoeff; als hij in Muiden was keek hij naar Ransdorp in de verte en noteerde dat, was hij in Ransdorp dan tuurde hij naar Muiden. 'Door de afstand krijgt zijn fantasie alle ruimte'. Is dat niet hetzelfde als het geloof in idealen? Dat bestaat ook alleen bij de gratie van uitzicht, een afstand met de beloning aan de einder. Wil je die gedroomde idealen echter daadwerkelijk uitvoeren, dan vraag je om een mislukking, waar je dan wel weer later met vertedering op kunt terugkijken. En dat is voorspelbaar. Wellicht daarom kon Nescio het al zo vroeg.


Uw boek moet eens worden herdrukt in de Nimmer Dralend Reeks, schreef een criticus hem ooit. In zijn antwoord vertoefde de schrijver even bij die naam. 'Wat akelig, iemand die nooit draalt. Je leeft pas als je zoo'n beetje draalt.'


In 2002 verscheen het dichterlijk debuut van een van zijn dochters, M.J. Grönloh, die toen tweeënnegentig jaar was. De geciteerde versregels bewijzen nog eens dat Nescio's talent uniek was, en derhalve niet erfelijk overdraagbaar.Maurits Verhoeff: verlangen zonder te weten waarnaar - Over Nescio. Bas Lubberhuizen; 285 pagina's; € 29,50. ISBN 978 90 5937 266 5.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden