'Je kunt herinneringen wel wat manipuleren'

De schrijver F. Springer was lange tijd een tamelijk onbekend auteur. Tegenwoordig worden zijn boeken in brede kring gelezen. Vanwege dit feit en ook omdat hij volgend jaar zijn zeventigste verjaardag viert, zijn alle gepubliceerde verhalen en romans nu gebundeld - elf boeken in een band....

ELF JAAR geleden stond er voor de ingang van bijna elke Nederlandse boekwinkel een levensgrote kartonnen beeltenis van een vriendelijk ogende heer in sportief kostuum. Dat was de schrijver F. Springer, pseudoniem van de diplomaat Carel Jan Schneider, ambassadeur in Oost-Berlijn toen daar in 1989 de Muur viel. Zijn beeltenis moest de lezers attent maken op de Boekenweek waarvoor hijzelf Sterremeer, het boekenweekgeschenk, had geschreven. Sindsdien hoort Springer niet langer tot de meest onderschatte Nederlandse auteurs, zoals hij in een enquête van Vrij Nederland in 1977 nog werd genoemd.

Springer lijkt zich van wisselingen in populariteit niets aan te trekken. Hij claimt dat hij lange tijd geen idee had of zijn boeken veel gelezen werden of niet. Ook wist hij nauwelijks hoe er over zijn boeken werd gedacht. Zelf is hij trouwens niet geneigd zijn werk als literatuur te beschouwen, tenminste niet als literatuur met een hoofdletter. Dat soort dingen moeten anderen maar uitmaken, vindt hij.

Dat wil echter niet zeggen dat hij het schrijven als een soort veredelde vrijetijdsbesteding beschouwt. Springer is net als de meeste van zijn hoofdpersonen een meester in het relativeren. 'Afstand nemen, relativeren, jezelf bijna wegrelativeren, dat is de enige manier om er iets van te maken', zegt een van de personages uit Bougainville.

Dat credo komt terug in de roman Kandy, gebaseerd op Springers herinneringen aan de repatriëring uit Indië in 1946. Daar heeft het verlangen naar afstand meer met een bepaalde manier van schrijven dan met een levenshouding te maken: 'Een zo zakelijk mogelijk ooggetuigenverslag, dat maakt altijd veel meer indruk. Geen valse dramatiek, geen grote woorden.'

Relativeren als levenshouding en als literaire stijl is voor Springer één en hetzelfde. 'Het leven', zegt hij, 'heeft mij nu eenmaal op plaatsen neergezet waar van alles gebeurde. Geen leuke dingen: revolutie, hongersnood, allemaal ellende waar je niets aan kan doen, maar waar je wel middenin zit. Als diplomaat moest ik afstand houden om te kunnen functioneren. Zoals in Bangladesh, waar ik begin jaren zeventig als tijdelijk zaakgelastigde werkte; daar stierven de mensen op straat van de honger. Toen dacht ik: ik moet mijn gedachten op de een of andere manier verzetten. Dus in die tijd schreef ik om letterlijk afstand te nemen van wat er elke dag om me heen gebeurde. En wat dat citaat uit Bougainville betreft: ik heb een ongelooflijke hekel aan grote woorden en aan bombast. Ik houd er niet van om veel woorden te gebruiken. Ik ben er heilig van overtuigd dat je veel meer indruk maakt als je iets vrolijks of iets gruwelijks in zo weinig mogelijk woorden vat. Er is vaak over mij geschreven dat ik de akeligste dingen op zo'n ironische matter of fact-toon vertel. Nou, dat is ook zo. Op die manier komt je boodschap, als je het boodschap mag noemen, veel harder aan dan wanneer je er heel veel bladzijden aan besteedt.'

- Dat is u vooral in 'Kandy' goed gelukt. Die roman ontroert, ondanks alle zakelijkheid.

'Ja? Nou, ik moet eerlijk zeggen dat het mij veel moeite gekost heeft dat boek te schrijven, omdat dat zo dicht op mijn eigen huid zat. Ik heb er wel twaalf versies van gemaakt, voordat het de uiteindelijke vorm kreeg. Ik ben nooit tevreden. Je blijft altijd maar slijpen, schaven, schrappen, zorgen dat het niet te sentimenteel wordt, zorgen dat de personages uit de verf komen. Gevoelens hoeven niet allemaal op de regel te staan. Het is natuurlijk wel het moeilijkste om tussen de regels te schrijven. Maar dat probeer ik altijd wel.'

Eigenlijk, zegt Springer, ontstond Kandy onverwachts. Hij was destijds helemaal niet van plan om over de periode na de Jappenkampen te schrijven. 'Ik had een heel ander project op het oog. Ik had een stipendium van de stad München gekregen om me daar in een soort schrijvershuis terug te trekken. Ik wilde iets over mijn tijd als ambassadeur in Berlijn schrijven, daarover had ik een heleboel documentatie meegenomen. Over Indië en de kamptijd heb ik nu genoeg geschreven, dacht ik, laten anderen dat maar doen. Maar toen ik in München zat, was het er zo stil; ik zag geen mens en opeens rees die naoorlogse ervaring voor mijn oog op. Toen ben ik daarover gaan schrijven. Ik heb in die stilte helemaal met mijn personages geleefd. Mijn vrouw zat in Nederland en die belde me af en toe op, en dan zei ik: verrek, hoe laat is het eigenlijk? Ik was helemaal van de wereld af. Soms belde er ook iemand van het Kulturamt, die vertelde dat ze allemaal erg uitkeken naar mijn boek over Berlijn. Dan durfde ik nauwelijks te zeggen dat ik met een roman over Indië bezig was. Uiteindelijk is het heel mooi in het Duits vertaald.'

- Waarom hebt u juist toen over de repatriëring naar Nederland geschreven?

'Ja, naarmate je ouder wordt, ga je terugkijken. Dingen die je tijdens je werkende leven hebt verdrongen, komen terug als je meer tijd hebt om na te denken. Als je ouder wordt, krijg je ook het gevoel dat je de tijd wilt terugdraaien om bepaalde beslissingen ongedaan te maken. Dat thema is bij mij in de loop van de tijd steeds sterker geworden. Dat gevoel van les jeux sont faits - daar sta je dan, misschien heb je in het verleden iemand verraden, of in de kou laten staan. Dan zit je met lege handen, en met een schuldgevoel. En dan denk je, kan ik dat nog herstellen? Nee, dat kan dus niet, want je kunt de tijd niet terugdraaien. Maar je kunt die herinneringen wel een beetje manipuleren.

- Is ook uw manier van schrijven veranderd?

'Naarmate je ouder bent en wat meer tijd hebt en wat meer adem hebt, probeer je steeds dieper te gaan en niet in een anekdote te blijven steken. Je geeft meer aandacht aan de achtergronden. Je gaat je intriges beter verzorgen, en je besteedt misschien wat meer bladzijden aan het geheel. Mijn eerste verhalen waren kort, die zijn ook vrij haastig geschreven. Later krijg je dan de ambitie een roman te schrijven, en dat kost meer tijd en veel meer inspanning. Veel meer ergernis ook, als het niet lukt.

'In het begin heb ik heel lang zitten knutselen. Voordat mijn eerste boek werd gepubliceerd, heb ik misschien wel vijftig of honderd verhalen geschreven. De meeste heb ik weggegooid. In mijn ijdelheid heb ik ook wel eens wat naar een uitgever gestuurd, maar dat kwam dan met de kerende post weer terug. En terecht, hoor.

'Bij mij is het dus allemaal heel langzaam gegaan. Ik heb eigenlijk nooit echt tijd gehad me aan het schrijven te wijden. Ik heb het altijd in de marge moeten doen, op allerlei rare plekken in de wereld. En het hangt ook een beetje van toevalligheden aan elkaar. De verhalen die ik eind jaren vijftig in Nieuw-Guinea heb geschreven, had ik aan een vriend gegeven. Die was van plan een tijdschrift op te richten, maar dat ging niet door. Zonder dat ik het wist, heeft hij die verhalen naar een uitgever gestuurd. Toen kreeg ik opeens een briefje dat mijn boek werd uitgegeven - dat vond ik wel leuk.

'Veel leverde dat trouwens niet op. Dan meldde iemand: je boek ligt nu voor 49 cent bij de Slegte, vorig jaar was dat nog fl 1,10. Ach, dat is helemaal niet zo erg. Heb ik ook nooit erg gevonden. Maar ik neem het schrijven wel serieus. Als ik meer tijd had gehad, had ik misschien meer geschreven. Maar dat had ik dus niet.

- Maar waarom bent u dan als diplomaat blijven werken? Had u niet liever al uw tijd aan het schrijven willen besteden?

'Ik heb een soort ingeboren onrust. Ik wilde mezelf altijd in nieuwe situaties op de proef stellen. Dat is dan ook wel gebeurd. Ik heb het hier en daar ook uitgelokt, natuurlijk. Niemand wilde naar Angola, om maar een voorbeeld te noemen. Ik gaf me daarvoor op, nou, voordat ik uitgesproken was, zat ik daar al. Er is nog nooit iemand zo vlug overgeplaatst.

'Ik heb ook altijd de behoefte gehad om te schrijven. Als jongetje al. Opschrijven wat ik zie, wat ik meemaak. Die twee dingen gaan bij mij samen: die onrust, dat verlangen te registreren; kijken hoe je in bizarre situaties jezelf kunt beheersen, hoe je daarover een oordeel kunt vormen en je vooroordelen kwijt kunt raken. Dat laatste heb ik wel geleerd. Als je langere tijd met een bepaald probleem te maken hebt, dan weet je dat dat duizend verschillende facetten heeft, en dat jouw oordeel nooit het juiste is.

'Zo loopt dat dan een beetje. Als kind maakte ik kleine verhaaltjes. Toen ik op het gymnasium zat, schreef ik hele stukken over uit het werk van De Maupassant. Dan probeerde ik erachter te komen waarom die man nou precies dat ene woord gebruikt en niet een ander. Ik wilde zijn techniek doorgronden. Daar heb ik heel veel van geleerd. En nog steeds. Naarmate je ouder wordt, grijp je terug op bepaalde grote voorgangers. Ik heb nog steeds de behoefte om De Maupassant te herlezen, maar ook Thomas Mann, of Scott Fitzgerald. Uit hun boeken put ik steeds weer inspiratie. Die boeken kun je bovendien altijd opnieuw en altijd anders lezen. Je denkt zo'n verhaal te kennen, maar het blijft altijd een mysterie. Dat is wat grote schrijvers groot maakt.'

- En dat boek over Duitsland?

'Ben ik al mee begonnen. Niet echt met het schrijven van hoofdstukken, maar ik maak aantekeningen, en het begint al vorm te krijgen. Maar dat komt nog wel, hoor. Dat komt nog wel.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden