Lezing Hilary Mantel

Je kan nooit het verleden exact hetzelfde zien zoals het destijds was

In haar Van der Leeuw-lezing,  die de Britse schrijver Hilary Mantel 16 november hield in Groningen, vertelde ze over de curieuze manieren waarop een historisch personage met boek en schrijver op de loop kan gaan en over hoe het geheugen het verleden reconstrueert, zoals ook zijzelf haar verleden reconstrueerde in haar memoires. Dit is de tekst die ze uitsprak.

‘Vorig jaar augustus is na een korte ziekte mijn moeder overleden. Ze was 91, maar toch werd onze familie erdoor verrast. We hadden gedacht dat ze minstens 100 zou worden. Ik zeg altijd dat de vrouwen in mijn familie heel oud worden, maar eigenlijk weet ik dat niet zeker. Het is een soort dichterlijke waarheid. Ik bedoel dat zij een lang verleden met zich meedragen.

Mijn moeder is geboren in 1926, dus in haar jeugd waren de mannen die zij kende overlevenden van de oorlog van 1914-1918. Ze was enig kind, dus ze bracht veel tijd door met volwassenen en ze nam de verhalen van deze mannen in zich op. Ze groeide op in het noorden van Engeland in een textieldorp, en op haar veertiende ging ze in de katoenfabriek werken. Ze had niet veel onderwijs genoten en geschiedenis was voor haar het verhaal van de mensen die ze kende: levendig, persoonlijk, en onveranderlijk.

Haar familie kwam uit Ierland en het gezin leefde als een Iers gezin dat naar Engeland was overgeplant. Zelf heeft zij de overtocht nooit gemaakt en dus was Ierland onwerkelijk voor haar, niet zozeer een bestaand oord, maar meer een gemoedstoestand. Zij, Margaret, zag wel dat ze weinig kansen had, dat de wereld haar niet erg goed behandelde en niet veel waarde aan haar hechtte, maar dat leidde niet tot een historisch gevoel van onrecht: ze kon haar achterstelling niet in een context zien, haar plek in de wereld niet in een perspectief plaatsen. Ze zag zichzelf niet als een wezen in de geschiedenis, maar toch wist ze ergens dat de mannen naar wier oorlogsverhalen ze luisterde, deel uitmaakten van een groter verhaal: dat het individuen waren, maar met een lot dat ze met miljoenen anderen deelden.

We hebben zojuist het einde van de Eerste Wereldoorlog herdacht, een oorlog die in Groot-Brittannië nog steeds de Grote Oorlog wordt genoemd, alsof die model stond voor elke verschrikking die nog kon volgen. Nederland was in dit conflict neutraal, maar oorlogen trekken zich weinig aan van hun eigen grenzen. Ze brengen altijd gevangenen en vluchtelingen voort, honger en ontbering, ontheemding en ziekte, en de gevolgen ervan ijlen nog jaren na. Mijn familie had geluk in de Grote Oorlog – zoals die dingen gaan. Alle ooms van mijn moeder kwamen levend terug, ook al waren ze op allerlei manieren beschadigd. Die schade hield niet op bij een generatie en de gevolgen van die gebroken levens zijn ook vandaag nog voelbaar. Mijn grootvader van moederskant was sergeant-instructeur bij het Machine Gun Corps. Na de oorlog ging hij bij gebrek aan rekruten zijn enig kind instrueren, zodat mijn moeder haar leven lang als een papegaai de instructies voor het laden en afvuren van een dodelijk wapen kon opdreunen.

Het lukte haar niet om die verhalen uit haar jeugd te vergeten of achter zich te laten. Ze droeg een geschiedenis met zich mee die niet de hare was. Voor mij leek het of ze een onbewuste reflector was, een spiegel van andermans ervaringen. Vaak heb ik namens haar willen opkomen voor het recht om te vergeten. Zo’n twee weken voor ze overleed, droomde ze dat ze op een slagveld onder vuur lag, in de loopgraven, terwijl de granaten insloegen. Het was een verontrustende, sterke droom die haar van streek maakte en toen ze hem aan mij vertelde wist ik, als ik dat al niet wist, dat haar eigen einde naderde. Ze had het domein van het trans-persoonlijke betreden, of anders gezegd: haar vader was teruggekomen om haar over de drempel te helpen.

In het jaar na haar overlijden ben ik veel te weten gekomen over verlies, en de lichamelijke impact daarvan. Ik heb nooit geweten dat verlies dermate als honger voelt. Het voelt alsof in jezelf een ruimte ontstaat en in die ruimte stop je de doden, en hun geschiedenis, en zo maak je ze deel van jezelf.

Ik ben geen historicus, maar ik heb een groot deel van mijn leven besteed aan het scheppen van ruimten voor de doden. Gelukkig heb ik wel de opleiding genoten die mijn moeder moest ontberen, en dus ben ik wel in staat om verder te kijken dan de mensen die ik ken en mijn directe omgeving. Ik heb een context waarbinnen ik mijn verbeelding kan laten gaan, ook over de Europese geschiedenis. Als kind had ik nooit het gevoel dat ik echt greep had op wat typisch Engels was. Ik ben opgegroeid in het noorden, in een landschap van naargeestig heidegebied en industrieën, en ik zag niets van mijn leven weerspiegeld in de ansichtkaartbeelden van met riet gedekte huisjes en groene landweggetjes. Ik leek te zijn buitengesloten van dit soort nostalgische Engelsheid en voelde me er ook niet toe aangetrokken. Toen ik 22 was begon ik te schrijven, mijn eerste boek was een roman die zich afspeelde tijdens de Franse Revolutie. Ik meende dat nationale grenzen hier geen rol speelden en dat de Revolutie iets van de hele wereld was. Pas vele romans verder begaf ik me echt op Engels terrein – het tijdperk van de Tudors. Daar heb ik mijn vlag geplant. Nu nadert de afsluiting van een project waaraan ik zo’n vijftien jaar heb gewerkt, een romantrilogie over de zestiende-eeuwse politicus Thomas Cromwell, Eerste Minister van Hendrik VIII. Het laatste deel gaat The Mirror and the Light heten en ik hoop dat het op tijd klaar is om volgend jaar te verschijnen.

Flarden van momenten

Dat het leven steeds sneller gaat naarmate je ouder wordt, is inderdaad waar en mijn geachte collega dr. Draaisma heeft daar een boek over geschreven. Evengoed is vijftien jaar een flinke hap uit een werkzaam leven. In die tijd verandert een mens, als persoon en als kunstenaar – voor zover je die twee kunt scheiden. Schrijven lijkt zijn eigen verzameling herinneringen voort te brengen, alsof de tekst een persoonlijk verleden heeft. Vaak, als ik een fragment teruglees, zelfs in mijn eerste boeken, weet ik nog waar ik was, hoe ik me voelde, wanneer ik het schreef, al is het 35 jaar geleden. Het blijft lichamelijk verankerd, in de zintuigen. Ik herinner me niet elke stap in mijn denken die tot dat fragment leidde, maar wel hoe het licht op de muur viel, of de geur van vernis op een bureau in de bibliotheek.

Net als het gewone geheugen heeft ook het schrijfgeheugen zijn lacunes. Bij het boek waar ik nu aan werk, deel drie van de trilogie, kan ik soms een zin opschrijven die iets te gemakkelijk lijkt op te komen. Ik herlees hem nog eens achterdochtig. Heb ik dat niet al in deel één gezegd? Is mijn verbeelding in een lus terechtgekomen, of heeft deze tekst een déjà vu ervaring? Mijn geheugen wordt op de proef gesteld door een vertelling die chronologisch voor- en achteruitgaat, waarin verhalen nooit af of gezaghebbend zijn, waarin de doden nooit echt dood zijn maar terugkeren om de levenden te adviseren of te waarschuwen of soms alleen maar om ze schrik aan te jagen of opnieuw in rouw te dompelen toen ze dachten eroverheen te zijn.

Over de beginjaren van Thomas Cromwell is weinig bekend. Dat is niet altijd een minpunt voor een romanschrijver, want het biedt ruim baan aan de verbeelding. Als je het leven van een publiek persoon gaat her-verbeelden, zoek je naar wat er niet is: de gewiste stukken, de leemten die een beroep doen op je creatieve aandacht. Ik zou graag weten wanneer hij jarig was of hoe zijn moeder heette, maar ik moet het doen met een gegokt geboortejaar van rond 1485 en met de wetenschap dat zijn vader, Walter Cromwell, bierbrouwer en smid was in Putney, zo’n tien kilometer ten zuidwesten van Londen aan de Theems. Het was geen arm gezin, maar er is niets te vinden over de opleiding van Thomas en hij schijnt rond zijn vijftiende uit huis te zijn gegaan, op avontuur in Europa.

Ik had het erover dat de Tudors centraal staan in het verhaal dat de Engelsen over zichzelf vertellen. In onze nationale mythevorming, die op dit moment zoveel schade aanricht, is dit het tijdperk waarin Engeland fier op zichzelf leerde staan, de tijd van de afsplitsing van Europa, van de breuk met Rome. Ik probeer mijn lezers te doen inzien dat dit verhaal ontoereikend en onnauwkeurig is en geen weergave van hoe mensen in die tijd dachten. Het breken met de paus was niet hetzelfde als het breken met Europa. Cultuur, geschiedenis, verdragen en handel bonden Engeland aan een gedeelde toekomst. Er was een nieuw, niet-katholiek Europa aan het ontstaan. Thomas Cromwell was een kosmopoliet en hij had zijn doorbraak te danken aan zijn Europese contacten. Kardinaal Wolsey was de almachtige minister van de beginjaren van het bewind van de jonge koning Hendrik. Als man van de kerk moest Wolsey met het Vaticaan praten en als opdrachtgever wilde hij praten met Italiaanse kunstenaars. Cromwell was in Rome, Florence en Venetië geweest. Hij sprak zijn talen, ook de internationale taal van het geld.

Controversiële figuur 

Hoe hij aan al die contacten en kennis kwam, is een raadsel. Als jongeling – op de vlucht voor zijn vader of voor justitie – was hij de zee overgestoken en had hij dienst genomen in het Franse leger. Dat bracht hem naar Italië. Hij maakte zichzelf nuttig, aanvankelijk wellicht als een gewone bediende, en werd opgenomen in een prominente bankiersfamilie. Toen hij klaar was met Italië, of Italië met hem, ging hij naar Antwerpen, bloeiend commercieel centrum van Noord-Europa, en begaf zich in de wolhandel. Daarna keerde hij terug naar Engeland, trouwde met een koopmansdochter en vestigde zich als jurist. Zo kwam hij onder de aandacht van kardinaal Wolsey. Toen die in ongenade viel, viel het oog van de koning op Cromwell en al gauw werd hij Eerste Minister. Naar verluidt zou hij bij zijn eerste ontmoeting met Hendrik hem het volgende aanbod hebben gedaan: ‘Ik kan u de rijkste koning van Europa maken.’

Ik geloofde dat niet echt, evenmin als zoveel dingen in het traditionele verhaal, toen ik hieraan begon. Onder in Tudor gespecialiseerde historici was Thomas Cromwell al heel lang een veel bestudeerde en controversiële figuur. In de populaire geschiedschrijving was hij echter een sinistere samenzweerder in een zwarte cape die met een bijl achter Hendrik VIII aankwam en al zijn vijanden en vrouwen de kop afhakte.

Als romanschrijver is het heerlijk om met een sterke schurk te werken en vanuit dat gevoel dook ik het verhaal in. Ik stuitte echter op zijn idealistische trekken, zijn daden van opzienbarende goedheid, zijn matigende ingrepen, zijn inzicht, zijn intelligentie. Ik moest dus snel omschakelen. Daarmee heb ik geen held van hem gemaakt. Ik ben niet naar het andere uiterste gegaan, maar ik heb wel geprobeerd om het oude beeld te vervangen door iets wat subtieler en genuanceerder is. Ik leef nu al een hele tijd met hem en ben nog meer gefascineerd geraakt door zijn leven en de context ervan dan toen ik begon. Ik volg de stapels officiële documenten die zijn loopbaan heeft opgeleverd en hij lijkt nog steeds in wording te zijn, zichzelf uit te vinden. Mijn fictie twijfelt aan zichzelf en wat we in de eerste twee boeken te weten komen, wordt in twijfel gebracht in het derde boek.

Niet dat hij ons voorgelogen heeft, maar in de loop der jaren die het verhaal beslaat — dus alle jaren van zijn leven, van zijn 4e tot aan zijn overlijden rond zijn 55ste – reconstrueert zijn geheugen de gebeurtenissen: het verleden verandert achter hem. ‘De spiegel en het licht’ zijn zijn eigen woorden. Naarmate zijn verhaal zich ontvouwt in het derde boek, houdt de vertelling het verleden een reeks spiegels voor en werpt er nieuw licht op.

Dat overkomt ons allemaal, omdat de tijd nu eenmaal zo werkt. Sommige delen van ons verhaal blijven levendig en fris, alsof de verf nog niet droog is. Andere delen bladderen af, alsof ze door wind en regen zijn afgesleten. Desnoods kunnen we de gebladderde stukken opnieuw verven, maar alleen op een impressionistische manier. Ik probeer het verhaal van Cromwell zo te schrijven dat het een weergave wordt van hoe zijn geheugen werkte. Zijn loopbaan, vastgelegd in de geschiedschrijving, was hoe dan ook verbluffend. Vanuit zijn vage, bescheiden achtergrond klom hij op tot graaf van Essex en gedurende een tumultueuze periode van zo’n acht jaar was hij bijna dagelijks in het gezelschap van de koning. Hij schreef wetten, vaardigde decreten uit, veranderde de politieke status quo en zorgde voor een omwenteling in de economie. Hij was iemand voor wie functiebenamingen geen rol speelden – hij deed gewoon alles. Hij werkte op alle overheidsterreinen en was de plaatsvervanger van de koning in de nieuwe Engelse kerk. Geen detail was hem te min, geen uitdaging te groot.

Een druk leven, met weinig tijd voor bezinning. Ik denk niet dat hij erg introspectief was. Hij heeft geen boeken geschreven, geen dagboek achtergelaten. Persoonlijker dan takenlijstjes wordt het niet. Ik heb mijzelf de lastige opdracht gegeven om de innerlijke geschiedenis te schrijven van een man die het idee van een innerlijke geschiedenis afwijst; een man die zichzelf heel snel en grondig steeds opnieuw uitvindt en om de zoveel jaar zijn verleden van zich afschudt als een slang zijn huid. Het verschil is dat die slang altijd die slang zal zijn, maar dat je niet weet wat Cromwell zal zijn.

Helemaal aan het begin dacht ik dat de kracht van deze man niet gelegen was in wat hij liet zien en vertelde, maar in wat hij achterhield. Holbeins portret van hem is ondoorzichtig. Het is allemaal vlees en geen geest. Het is het beeld van een man die zich goed heeft gewapend tegen interpretatie. Maar een schrijver laat zich graag uitdagen. Voor zover we weten, verontschuldigt Cromwell zich nooit en verklaart hij zich nooit nader – hij legt wel zijn beleid uit, maar zwijgt over zichzelf, zodat we bijvoorbeeld niet eens weten wat zijn religieuze overtuiging was. Hij is een stilte die door anderen met geruis wordt gevuld. Hij heeft het zelden of nooit over zichzelf. Hij spreekt niet over zijn jeugd, behalve in zinspelingen. En die jagen mensen angst aan. Ze weten niet wie hij kent of waar hij is geweest. Door zijn persoonlijke geschiedenis te verbergen, door zich te hullen in een sfeer van onbepaaldheid, creëert hij een ruimte rondom zichzelf waarin anderen hun angst en hoop projecteren.

Bij leven gaf Cromwells werkgeheugen aanleiding tot verbazing en speculatie. Er werd gezegd dat hij het volledige nieuwe testament in het Latijn uit zijn hoofd kende, in de vertaling van Erasmus. Zelfs als dat niet waar is, moet hij een formidabel geheugen hebben gehad om zo’n goed overzicht te houden over de groeiende taken van de overheid, eeuwen voor de uitvinding van de database. Ik ben er altijd van uitgegaan dat hij dat andere geheugen, het persoonlijke, onderdrukte. Hij had het vermogen om zich dingen te herinneren, maar wilde hij dat ook? In het derde boek komen we er uiteindelijk achter wat er die nacht voordat het eerste boek Wolf Hall begint, is gebeurd. We zijn samen teruggegaan in de duisternis, naar een kelder, naar de oever van de rivier, naar een maanloze nacht die geen verhalen vertelt, maar waarin zijn eigen verhaal begint.

Is het positief om je dingen te herinneren? Ik heb een autobiografische tekst geschreven en daarom vragen lezers mij vaak wat er gebeurt als het geheugen niet gewoon een natuurkracht is die over je heen komt, als een golf, maar een proces dat je bewust in werking zet? Is het gevaarlijk? Werkt het ontwrichtend? Moet ik het doen? Zal ik me erna beter voelen of juist slechter?

Fysiek opgeslagen 

Vroeger dacht men dat het navertellen van een gebeurtenis therapeutische waarde had en dat overlevenden van een ramp het verhaal steeds opnieuw moesten vertellen totdat het op de een of andere manier uit hun systeem weg was. Tegenwoordig beseffen we dat iemand die in shock is en de belevenis opnieuw oproept zich meer kan herinneren dan de bedoeling was en dat die ervaring overweldigend kan zijn. Herinneringen aan vernedering en angst liggen fysiek opgeslagen en zelfs de meest geharde, fantasieloze persoon kan een volledige lichamelijke herbeleving krijgen wanneer een latere noodsituatie die eerdere gebeurtenissen weer oproept. De herinnering kan een luxe zijn die het lichaam zich niet kan veroorloven. We worden er gek of ziek van.

Timing is alles. De beroepsmatige schrijver die ervoor gaat zitten om een autobiografisch verhaal te schrijven, weet zich beschermd. De conventies van het genre maken het veilig – tot op zekere hoogte. Als romanschrijver behoud je een zekere afstand tot je werk. Het komt wel uit jou voort, maar het moet autonoom blijven. En wanneer je over je eigen leven schrijft, hou je je aan die gewoonte. Je vraagt jezelf niet steeds af ‘In hoeverre is dit mijn verhaal?’ Maar ‘In hoeverre is dit het verhaal van iedereen?’ Je probeert in zo’n tekst niet de lijn van het zelf te volgen, maar de lijn van de kunst. Het gaat er niet om jezelf beter te voelen, maar dat je een goed boek maakt. Er wordt vaak gezegd dat schrijvers meedogenloos zijn voor de mensen om hen heen, maar ze moeten toch vooral meedogenloos zijn voor zichzelf. Zij zijn het terrein waarop de strijd wordt uitgevochten: het verlangen naar zelfonthulling strijdt altijd tegen de noodzaak om zwakte te verhullen; de noodzaak om te onthullen conflicteert met de noodzaak om te verbergen.

Ik had nooit nagedacht over het schrijven van iets autobiografisch, tot ik dat aan het doen was. Het begon met een lijst van spullen in een huis dat we gingen verkopen. Ik wilde al die spullen gedenken door er een lijst van te maken, maar ze gingen zichzelf rangschikken tot een verhaal. Eerst voelde het als een poging om in het reine te komen met de dood van mijn stiefvader. Maar eigenlijk kon ik nauwelijks over mijn stiefvader schrijven. Ik kon alles schrijven over mijn echte vader die was weggegaan toen ik 10 was. Maar over mijn tienerjaren kon ik niet schrijven. Niet omdat dat pijnlijk was, want dat was het. Het was meer dat ik het gevoel had dat dat verhaal nog niet af was. Ik had er nog geen overzicht over. Ik zat er nog in, ook al was ik de 50 al gepasseerd. Het voelde alsof die jaren nog niet gebeurd waren – alsof ze nog steeds in gang waren – want ze moesten zich nog steeds aan mij als schrijver openbaren. Ik was er nog niet klaar voor. Wanneer zou ik dat wel zijn? Misschien wel nooit. Je moet op een zeker punt komen als je een verhaal goed wilt vertellen, maar dat punt kun je snel voorbijschieten. Misschien hoef ik niet meer alles over die jaren te weten, omdat er andere dingen zijn die ik moet weten.

Ik heb twee dingen geleerd. Het ene is dat het geheugen zich lastig laat sturen. Je kunt het niet vervalsen. Je kunt het niet opsparen als geld op de bank, als appeltje voor de dorst. Mijn eerste twee boeken over Thomas Cromwell zijn bewerkt voor het toneel en uiteindelijk op Broadway opgevoerd. Op de laatste avond zei de producent heel vriendelijk tegen mij: ‘Vanavond moet je met de acteurs het toneel op om het applaus in ontvangst te nemen. Dat is iets wat je altijd bij zal blijven.’

Hij bedoelde het als een cadeautje – als iets beters dan een bos bloemen. Ik weet nog dat iets in mij zich er onmiddellijk tegen verzette, en ook wat mijn bezwaar was: ‘Zo werkt het niet.’ Het lijkt erop dat hoe meer we ons op een of andere grote gebeurtenis richten, hoe onbevredigender de sporen ervan zijn. Volgens mij komt dat omdat we ons bewust zijn van onszelf: er valt een schaduw tussen onszelf en de gebeurtenis, de schaduw van een onecht zelf, een zelf dat we voor deze grote gelegenheid hebben bedacht. We kijken door een vervormende spiegel: wat ons groter zou moeten maken, maakt ons in feite kleiner. Ik ben wel het toneel opgegaan. Het enige waar ik op lette was dat ik niet naast de regisseur zou staan want die is ruim 30 centimeter langer dan ik. Dan zou ik er belachelijk uitzien als een soort dwerg aan het hof. Daarom pakte ik de hand van Hendrik VIII die ervoor zorgde dat ik op het goede moment een buiging maakte. Ik herinner me vooral de absurditeit van het geheel: het onbeduidende van de auteur in haar gewone kleren, in vergelijking met haar personages in vlammend damast en fluweel.

Het tweede wat ik heb geleerd door autobiografisch te schrijven is nogal paradoxaal: doe het niet als je eropuit bent om je verleden in maagdelijke staat te conserveren. Op het moment dat je je over een gebeurtenis buigt, onderzoek je alle twijfelachtige aspecten en neem je besluiten over welke vorm het verhaal krijgt. Vormgeven betekent gladmaken, wegsnijden. De keuzes die je dan maakt, veranderen het verhaal van je voorbije leven. Als je een gebeurtenis eenmaal op papier hebt gezet en het geheel gedrukt is, dan is dat hoe het was. Er wordt één versie bewaard. Alle andere zijn gewist. Dat wil niet zeggen dat je het verleden geweld hebt aangedaan. Je hebt ervoor gedaan wat je kon, maar dat is nooit genoeg. Dat geeft niet. Bij schrijven, bij alle kunst, gaat het vaak om elegant falen, en verder gaan om weer te falen.

We zitten allemaal, als individu en als samenleving, in dezelfde spanning van het proberen te herinneren en daar niet in slagen, zoeken naar evenwicht tussen onze behoefte ons dingen te herinneren en de noodzaak om ze te vergeten. Als individu gaan we soms het verkennen van ons verleden uit de weg uit angst om het te begrijpen. Als we onszelf begrijpen, gaan we misschien ook de mensen die we gekend hebben begrijpen. En moeten we ze dan vergeven?

Erkennen van de schade

Het idee van vergeving heeft me lang dwarsgezeten. Ik kon bij mezelf maar weinig van die christelijke neiging bespeuren. Ik was dan ook opgelucht toen ik de psycholoog Alice Miller las. Volgens haar is vergeving een moreel concept dat geen betekenis heeft voor het lichaam, waaruit onze emoties voortkomen en waarin ze beklijven. Als individu en als samenleving hoeven we machtsmisbruik niet te vergeven. We moeten dat overleven en ervan leren, en het morele zit hem niet in het vergeven maar in het erkennen van de schade en beloven om die schade niet weer toe te brengen. Dat is nog eens een krachtige aanzet om ons geheugen te verbeteren. Als we geen goede ouders hebben, blijven we proberen ze zo te maken, zelfs na hun dood. Zolang we dat doen, leven ze in ons voort. Maar als we dat doen, kunnen we dan wel echt volwassen worden?

Tijdens het schrijven van mijn Thomas Cromwell-boeken kwam ik erachter dat mensen sterk vasthouden aan de eerste geschiedenis die ze hebben geleerd. Als je dan zegt dat er meer achter zit of dat ze niet goed geïnformeerd zijn, leidt dat tot grote onrust, alsof je stukjes van hun eigen leven van ze afpakt – wat je in feite afpakt, is hun geloof in de vroege autoriteit die hen gevormd heeft. Maar slechte geschiedschrijving belemmert naties in hun groei. Jubileums en officiële herdenkingen hebben geen nut als ze alleen maar dienen tot troost of zelfverheerlijking, om ons mythes te verkopen over slachtofferschap, heldendom en opoffering. Ik vind dat er altijd kritisch moet worden gekeken naar al die herdenkingen en dat ze soms moeten worden ontdaan van sentiment en eigenbelang: als we onze geschiedenis kritisch bekijken, moeten we altijd beginnen met de officiële versie te ontwrichten.

Je hoort vaak dat wij in de moderne westerse samenleving niet meer weten hoe we moeten rouwen. Dat lijkt zeker te gelden voor Groot-Brittannië. Iedereen herinnert zich nog die eruptie van collectief verdriet na de dood van prinses Diana. Zoals het in het liedje gaat: je weet niet wat je hebt tot het er niet meer is. Zonder sociale rituelen en tradities is het moeilijk te bepalen wanneer rouwen voltooid is. Het hart is niet altijd een betrouwbare gids. Alleen de stugge praktijk van de geschiedenis kan ons helpen bij het loslaten van de doden; alleen door ze te gedenken, kun je ze vergeten.

Ik heb thuis een dossierkast met een la waarop mijn moeders naam staat. Ik was haar executeur-testamentair en ik heb nog niet al haar zaken helemaal afgerond. Maar ergens in de komende maanden ga ik haar overlijdensakte uit die la halen en in de doos stoppen waarop ARCHIEF staat, bij de documenten die het enig overgeblevene zijn van haar moeder, haar vader en haar ooms, de helden die beschadigd uit de oorlog kwamen. Dan zal ze niet meer in haar eentje zijn, een ontheemde ziel. Dan zal ze uit het heden gefladderd zijn en zich bij hen hebben gevoegd in de geschiedenis. En ik zal het gevoel hebben dat ze is thuisgekomen.’

Vertaling: Leo Reijnen

Wat vormde Hilary Mantel als prijswinnend auteur? Lees hier het interview dat Steffie Kouters met haar had.

Hilary Mantel. Beeld RV

Hilary Mantel

Geboren als Hilary Mary Thompson in Glossop, Derbyshire, 6 juli 1952.

Hilary is de oudste van drie kinderen. Haar ouders waren allebei in Engeland geboren maar van Ierse afkomst. Later nam Hilary de achternaam van haar stiefvader Jack Mantel aan.

Na haar kandidaatsexamen rechten werkte Mantel in een geriatrisch ziekenhuis en later als verkoopster in een warenhuis.

Al op haar 22ste begon ze te schrijven aan een roman over de Franse Revolutie, die zou later worden uitgegeven onder de titel A Place of Greater Safety (1992, Nederlandse vertaling: Een veiliger oord). Haar eerste gepubliceerde roman is Every Day is Mother’s Day (1985). Een lange reeks veelvuldig bekroonde boeken en essays volgt. In 2003 publiceerde ze de autobiografie Giving Up the Ghost (Nederlandse vertaling: De geest geven). Momenteel werkt ze aan het laatste deel van de Cromwell-trilogie, getiteld The Mirror and the Light. Voor beide eerste twee delen Wolf Hall (2009, Nederlandse vertaling: Wolf Hall) en Bring Up the Bodies (2012, vertaling: Het boek Henry) won ze de Man Booker Prize. The Assassination of Margaret Thatcher: Stories (2014) verscheen in het Nederlands als De moord op Margaret Thatcher.

De historische romans werden bewerkt voor het theater en verfilmd door de BBC.

Hilary Mantel is getrouwd met Gerald McEwen. Ze wonen in South Devon, Exeter

Lees ook het stuk van Annejet van der Zijl:

Lang leve die fantastische verhalenmachine in ons hoofd
In haar Van der Leeuw-lezing vertelt de Britse schrijver Hilary Mantel hoe het geheugen het verleden reconstrueert. Coreferent Annejet van der Zijl merkte als biograaf hoezeer het geheugen zich ook laat manipuleren. Ze zingt de lof van ons geheugen, dat de mogelijkheid biedt ons levensverhaal te herschrijven en de verhalen te maken waarmee wij kunnen doorleven.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden