'Je ging leven en deed gekke dingen, je was jong'

Annie Lamers (1917) werd op 26 september 1944 bevrijd in Mill...

MARTIN SCHOUTEN

'De avond voor de oorlog uitbrak zat ik bij de kapper. Om een uur of acht kwam daar mijn vriendje aangefietst, een militair uit Roosendaal, die bij ons in Mill ergens ingekwartierd was. Het was een vrijdag en hij zegt: kun je zondag? Ik zeg: dat weet ik nog niet.

Het moest allemaal stiekem, die vrijerij. Met iemand uit je eigen dorp mocht je verkering hebben, maar iemand uit Roosendaal, god, wie wist wie dat was, dat mocht niet van mijn vader. Hij moest weer naar de stellingen en ik was in betrekking voor dag en nacht bij een winkelier.

Ik kwam terug van de kapper, ik ben naar bed gegaan en om een uur of drie werd er geroepen: Annie, kom je bed uit, het is oorlog! We gingen in de kelder zitten met zijn allen. Ze hadden twee kinderen en die kleine jongen moest plassen. Er stond een oude kachel en dat knulletje heeft in de asla geplast, want je kon geen kant heen, je hoorde bommen en scherven en je wist niet wat er allemaal gebeurde. Op een gegeven moment moest ik naar het toilet en ja, jezus, doe maar in die la. Ik ben toch naar boven gegaan en gelijk dat ik naar boven loop, komt door het keukenraam een granaat. Toen heb ik het maar in mijn broek gedaan.

In de loop van de dag werd er omgeroepen dat we weg moesten en toen zijn we gevlucht naar Wanrooy, daar zijn we zes dagen ingekwartierd geweest. Ik wist niet wat er met mijn ouders was gebeurd. Ik wist dat ze in de omgeving zaten, in Uden, en met een vriendin ben ik van Wanrooy naar Uden gefietst en er zaten overal moffen die riepen dat wij halt moesten houden. Fietsen, zeg ik, doorfietsen. Ze schoten de spaken uit onze fietsen en bij mijn vriendin schoten ze de rem stuk, maar wij toch doorfietsen naar Uden.

Daar was het: hoe zijn jullie hier gekomen? Ja, we zijn zo gereden. Mijn god, jullie zijn dwars door een mijnenveld gereden! Mijn ouders waren weer naar huis met paard en wagen en wij mochten daar niet meer langs fietsen omdat het gevaarlijk was. We zijn langs de grote weg naar Mill gefietst en, o mijn god, wat we daar allemaal zagen: dode varkens, dode paarden, dode koeien en lijken van mensen, dat lag allemaal zo langs de weg, en huizen in brand.

In ons huis zaten alleen wat kogelgaten, maar daarnaast stond nog een boerderij en die was helemaal in de brand gestoken. Die buurman heb ik zien liggen, onder een zak, en dat was één zwarte klomp vlees. We fietsten weer terug en dan kwam je die moffen tegen en wij waren jonge meiden, dus dat was van oehoe, maar je kon wel op die kerels spugen.

Toen we terug waren in Wanrooy zaten er nog enkele Hollandse soldaten en ik heb gezien dat er een paar moffen aan kwamen en die schoten daar voor mijn ogen een Hollandse soldaat dood, achter zo'n boom.

Een paar dagen later liep er iemand door het dorp te roepen, met zo'n toeter, dat iedereen uit Mill weer naar huis kon. De mensen waar ik in betrekking was hadden een manufacturenwinkel en we hadden een stelletje oude lakens meegenomen en de nieuwe lakens in de winkel laten liggen. Toen we terugkwamen was de hele winkel leeggeroofd, alleen het vuile ondergoed van een stelletje moffen lag er nog, het was een varkensstal.

Die jongen waar ik verkering mee had, die soldaat uit Roosendaal, was ook weg, daar hoorde ik ook niks meer van, maar zes weken later kreeg ik een telegram: ben in Holland kom zondag, Huub. Ik denk: mijn god wat moet ik nou, hij komt zondag, waar moet ik ermee heen. Van die mensen waar ik in betrekking was mocht ik niet met hem omgaan, omdat het van mijn ouders niet mocht, en die zeiden: ga maar naar je vader toe. Ik naar mijn vader: Huub is in Holland en die komt zondag. Hij zegt: nou, breng hem maar mee. Toen is hij regelmatig gekomen en moest ik ook naar zijn ouders toe, maar toen het mocht vond ik er niks meer aan en heb ik hem de bons gegeven.

In die textielwinkel kwam ook altijd een mof, een grote kerel. Die kwam daar voor mij, maar ik hield hem altijd op een afstand. Het werd je zo ingeprent dat die moffen niet deugen en mijn vader zei ook: denk erom dat je nooit met moffen meegaat, ik breek je poten onder je gat vandaan. Die mof vroeg of wij honger leden. Ja, zei ik, want jullie halen hier alles weg.

Hij zei: ik ga met verlof naar Duitsland en dan breng ik brood voor je mee. Ik zei: oké. En verdomd, een paar weken later komt hij met een brood aan, van dat Duitse brood. Mijn baas zegt: An, hij brengt brood voor je mee, maar denk erom hoor. Toen moest ik een stukje proeven, want het was zo lekker. Ik zeg: bllèè, ik vind het niet lekker. Ik heb het hem weer mee teruggegeven en toen heb ik hem ook nooit meer gezien. Ik ben nooit met Duitsers op stap geweest en er werd in de oorlog ook gezegd van de meiden die dat wel deden: nou, die worden kaalgeschoren als we bevrijd zijn.

Mijn broer werkte in Duitsland en die had daar een jongen uit Coevorden ontmoet. Die dook onder in Mill en daar kreeg ik verkering mee, hij kon zo goed zingen, maar, mijn god, hij was protestant en toen mijn vader erachter kwam moest hij eruit, kwam hij er nooit meer in en kwam ik de deur niet meer uit.

Ik had nog nooit van mijn vader een klap gehad, maar toen heeft hij me echt in elkaar geslagen. Het gebeurde niet dat ik met hem omging, want die protestanten deugden niet. Die jongen is toen naar Veghel gegaan en ik ben nog eens stiekem naar hem toe gefietst, langs de spoorlijn, en daar is mijn vader nooit achter gekomen.

In enen hoorde je op een zondagmiddag: de Engelsen zijn er, kijk daar, allemaal parachutisten! In Grave kwamen ze neer en bij ons, tien kilometer verderop, waren nog allemaal Duitsers. Je geloofde het niet, dat kan toch niet, zouden we nu bevrijd zijn?

Mijn broers zijn diezelfde dag richting Grave gegaan en ze kwamen weer thuis met Engelse sigaretten: het is echt waar, de Engelsen zijn er, kijk maar! De moffen hebben nog wat rondgezwalkt, maar die gingen toch zo langzaam aan wel weg en die week kwamen al die tanks en we mochten met de Engelsen op die tanks rijden. Wat een feest, overal was muziek en vlaggen en oranjewimpels.

Die bevrijding heb ik ervaren als iets heerlijks, want met de moffen mocht je niet omgaan, maar toen kwamen die Engelsen en ik heb er wel eens drie gehad op een avond: want dan kwam je een Engelsman tegen en dan moest hij weer naar zijn dinges toe en dan kwam er weer een ander en toen kwam ik thuis en een buurmeisje komt zeggen: Annie, of je komt, want Charlie is bij ons. Al die jaren zat je ingepantserd en je mocht dit niet en je moest dat en toen barstte de bom en je ging leven en deed gekke dingen, want je was jong.

Die Engelsen bij ons werden steeds gewisseld, die kwamen uit de stellingen dan bij ons voor een dag of veertien om op verhaal te komen. Dan kwamen er weer anderen en na een week of zes kreeg je dan te horen dat Charlie was gesneuveld in Duitsland. Die jongens hebben het niet makkelijk gehad. Ik heb gezien dat er, nog vlak na onze bevrijding, een parachutist tot zijn borst bij ons in het land zat, achter de boerderij. Zijn parachute was niet open gegaan en hij is de grond in geschoten. Hij zat zo te kijken, want hij had zijn ogen open, maar hij was dood.

Daarna kwamen bij ons, vanuit Duitsland, Nederlandse mannen. Onderduikers, dwangarbeiders en een heleboel gewonden die niet door konden naar het Noorden, waar ze woonden, omdat het daar nog niet bevrijd was. Als er weer zo'n groep aankwam, werd er omgeroepen dat er weer zoveel onderduikers waren en dan konden de mensen uit het dorp daar naartoe en dan was het: kom maar bij mij zolang, jij daar, en kom jij maar bij mij.

Op een keer was er eentje bij die niemand wilde hebben, net een mummie was dat: zijn armen en benen en ook zijn gezicht zaten helemaal in het verband, je zag alleen zijn mond, zijn neus en zijn ogen. Hij bleef over en toen zei de kapper: kom maar met mij mee. Ik heb hem daar meegemaakt, want ik was toen voor dag en nacht in betrekking gekomen bij de kapper.

Hij was helemaal timide en trok zichzelf helemaal terug. Hij had in Duitsland gezeten en in Rusland, daar was hij met twee andere Nederlanders ontvlucht. Ze zijn weer gepakt en gevangen gezet in Duitsland. Die gevangenis werd gebombardeerd en toen zijn ze weer gevlucht. Dat was net zo'n beetje toen wij hier de bevrijding hadden, dat hadden ze gehoord en toen hebben ze gezegd met z'n drieën: we moeten zien dat we richting Holland komen.

Ze wisten geeneens waar ze waren, in welke gevangenis, in welke plaats, wisten ze niet, en toen zijn ze toch gevlucht en ja, op een gegeven moment zagen ze toch waar ze een beetje waren: niet zo gek ver van Nederland. 's Nachts vroegen ze om onderdak bij boeren en dat kregen ze ook, want er waren ook wel goede Duitsers en dan werd er gezegd: als je nou weg gaat, niet bij die boer en niet bij die, want dat is foute boel.

Dat hebben ze veertien dagen zo gedaan en vlak voor ze in Holland waren, kwam er weer een bombardement. Ze zijn langs de spoorrails gaan liggen om dekking te zoeken, maar ze zijn getroffen door granaatscherven. Zijn twee vrienden waren dood, maar Hein werd gevonden door een boer die hem de Nederlandse grens over heeft geholpen en bij Maastricht naar een hospitaal bracht.

Toen hij in Mill kwam, zat hij helemaal in het verband. In zijn armen, in zijn benen en in zijn gezicht zaten granaatsplinters. Daar werd zalf op gesmeerd, dan kwamen die splinters omhoog, iedere dag trok de dokter ze eruit met een pincet. Dat heeft een week of drie zo geduurd, maar toen kwam er van onder dat verband een aardige man te voorschijn.

Hij is gebleven tot mei, en toen heel Nederland was bevrijd ging hij naar Santpoort, waar hij vandaan kwam. Ik was toen van hem in verwachting, maar ik had niks tegen hem verteld. Ik dacht: hij hoeft dat niet te weten, misschien zie ik hem wel nooit meer en ik zie wel wat ervan komt. Maar hij bleef schrijven en het duurde even voordat die brieven er waren, maar op een gegeven moment kreeg ik elke dag een brief van hem.

Toen heb ik het mijn vader verteld, niet dat ik in verwachting was, dat durfde ik niet, maar ik heb gezegd: hij schrijft elke dag, dus hij meent het toch wel goed. Ja maar, zei mijn vader, dat hoge noorden was allemaal niks en hij zou wel informatie nemen via de pastoor. Die kreeg van een pater in Haarlem bericht dat het van goede mensen was en ik mocht daar dan, het was inmiddels oktober, kennis gaan maken met zijn familie. Ik dus met Hein een paar dagen naar Santpoort.

Ik durfde het nog niet te zeggen thuis, maar de buurvrouw wist het, daar had ik het tegen verteld. Die zei: ga jij nou eerst maar weg, dan vertel ik het wel tegen je vader. Ik was de oudste en de eerste van de hele familie die moest trouwen, dus dat was wel iets vreselijks, niemand durfde het te zeggen. Ik kreeg een brief dat mijn kleren werden opgestuurd en dat ik geen kind meer van hem was en er nooit meer in kwam.

Ik zat in Santpoort die brief te lezen toen er een telegram kwam: jullie worden zaterdag alle twee thuis verwacht, vader. Mijn hart, o, dat bonkte zo toen ik hem weer zag, maar hij stak meteen zijn armen uit: kom maar.'

Volgende week: 'Ik zie nog precies voor me waar de gesneuvelde Duitsers lagen.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden