Jazzmarathon met soms bizarre experimenten

21ste Jazz Marathon, 13 en 14 oktober, De Oosterpoort, Groningen...

Het blijft een heel eind, zo'n marathon, maar doordat de 21ste versie van dit jazzfestival over drie dagen werd uitgesmeerd in plaats van twee, kon de luisteraar fris genoeg blijven om alles wat hij onderweg tegenkwam goed in zich op te nemen. Tijdens de eerste twee dagen bleek weer dat er naast, boven of aan de punt van de traditie veel moois te horen is, en ook dat risico's nemen kan leiden tot vermakelijke en leerzame missers.

Het verbindende element van de Marathon is het zoeken naar nieuwe vormen waarbinnen geïmproviseerd kan worden. Veel musici proberen dat tegenwoordig door solo's in te bedden in al dan niet uitgeschreven collectieven. De Nederlandse bassist Tony Overwater had een compositie-opdracht gekregen, en voerde een suite uit waarin gestructureerd samenspel en individuele expressie soepel in elkaar overgingen. Sympathieke motieven, ontleend aan etnische muziek, pop en zelfs een kinderliedje, werden beeldend en met gevoel voor drama uitgebouwd. De persoonlijke bijdragen drongen zich niet op de voorgrond, dankzij alert commentaar van de anderen. Dat werkte vooral goed bij de blazers, Maarten Ornstein op tenor en basklarinet, en Thomas Chapin op alt en fluit.

Attack the Future was ook de groep van een bassist, de Amerikaan Mark Helias. Hoewel zij maar uit vier leden bestond, was ook hier de aanpak orkestraal. Elk instrument fungeerde als een sectie die delen van de composities invulde. De solo's waren wat geprononceerder dan bij Overwater, maar reduceerden de begeleiding niet tot achtergrond. Violist Mark Feldman en tenorist Ellery Eskelin schiepen naast hun lyrische improvisaties spontaan contrapuntische passages, en de bas van Helias zong mee in sonore swing. Drummer Tom Rainey trok echter de meeste aandacht naar zich toe met watervlug en sierlijk slagwerk, en vormde bijna een orkest op zichzelf.

De eerste avond werd afgesloten door het trio van Arthur Blythe, een altist met een ouderwets fraaie, jubelende toon. Hij combineerde vrije improvisatie met elementen uit de oertijd van de jazz, zoals de tuba van Bob Stewart, het omspelen van de melodie in smakelijke blues- en gospelachtige variaties en gezellige shuffles als One Mint Julep.

De tweede avond was er een van extremere, soms bizarre experimenten. Basgitarist Jamaaladeen Tacuma, altist Wolfgang Puschnig en de beestachtig meppende showdrummer Dennis Alston speelden funk-grooves waar de damp van afsloeg, maar die niet pasten bij hun repertoire van Thelonious Monk-stukken. De prikkelende accenten, bijzondere akkoorden en eindeloos fascinerende thema's werden platgewalst en gebanaliseerd. Je kunt op zo'n dreunende beat ook Für Elise afdraaien, maar beweer dan niet dat je Beethoven speelt.

In de Jazz Club, waar Nederlandse musici de pauzes volspeelden, werd Monk's Bemsha Swing geïnterpreteerd zoals het hoort. Pianist Michiel Borstlap, cellist Ernst Reijseger en trompettist Eric Vloeimans lieten de kern van het nummer in zijn waarde, maar speelden op hun manier met de muzikale informatie. Dit trio had een plaats in het hoofdprogramma verdiend.

George Lewis is een schijnbaar moeiteloos inventieve en virtuoze trombonist, en bewees dat in duetten met blazer Douglas Ewart en koto-speelster Miya Masaoka. Intense, intelligente 'kamerjazz', ondanks de macrobiotische associaties die bamboefluiten en didgeridoo's oproepen. Lewis had ook een hobby-tafel vol elektronica meegebracht, waarin zijn computerprogramma Voyager III huisde. Daar schijn je interactief mee te kunnen samenspelen, maar het verband tussen de menselijke voortbrengselen en de elektronische klanken leek volstrekt willekeurig en chaotisch.

De tweede avond werd gered door een werkelijk originele geest, en opnieuw een altsaxofonist. Steve Coleman demonstreerde zijn eigenzinnige concept, dat moderne dansritmes omzet in verfijnde jazz. De aan banden gelegde ritmesectie speelde funk in strak volgehouden asymmetrische patronen, cellen met even en oneven aantallen maten. De verhouding daartussen en de relatie tot de melodische inhoud werden door Coleman uitputtend verkend in lange solo's, met een koele, gelijkmatige stroom perfect gearticuleerde noten. Reeksen werden op reeksen gestapeld, in een geleidelijk, dwingend opgevoerde spanning, tot er een complex bouwwerk stond waarvan elke steen onwrikbaar op de andere zat.

Frank van Herk

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden