Jazz, zonder bijbel

Tony Overwater is definitief omarmd door het jazz-establishment. Woensdag krijgt de bassist de belangrijkste jazzprijs. In tegenstelling tot veel van zijn vakbroeders is hij geen schnabbelkont....

Ooit wedde zijn conservatoriumdocent om een pakje sigaretten dat het nooit wat met hem zou worden. Nu is de 37-jarige contrabassist Tony Overwater een gelauwerd jazzmusicus die zich onttrekt aan conventies.

Met de belangrijkste jazzprijs op zak, de Boy Edgar Prijs, is er definitief erkenning voor de bassist die nooit ergens bij hoorde. Toen hij op het Koninklijk Conservatorium in Den Haag studeerde, was de richtingenstrijd tussen improvisatiemusici en beboppers op zijn hevigst, maar Overwater koos geen partij. Hij organiseerde het eerste Nederlands Jazzcongres begin jaren negentig; de bijeenkomst liep uit op één grote ruzie. 'Fantastisch eigenlijk.'

Dat de kloof tussen traditie en avant-garde de laatste jaren minder diep is geworden valt voor een groot deel toe te schrijven aan de generatie van Overwater, met muzikanten als Yuri Honing en Eric Vloeimans. Want een jaar of tien geleden was er nog helemaal geen plek voor het soort muziek dat Overwater maakte. 'Niemand was geïnteresseerd in wat wij deden. Podia, media en subsidiënten niet. We kregen nooit geld en we konden nergens spelen.'

Tony Overwater zit in zijn huis in Blaricum, een bescheiden huurwoning tussen de villa's. Een dag eerder was hij nog even langs bij de popzangeres Anouk. Hij heeft haar gevraagd met hem te komen spelen op zijn prijsuitreiking, woensdag. 'Ik wilde al heel lang iets met een popartiest doen, maar wel met iemand die authentiek is. Anouk is ongekunsteld en haar stem raakt mij, niet zoals dat r & b-gedoe dat je zo veel hoort.'

Voor Overwater zijn goeie popliedjes de nieuwe standards, en zangeressen als Björk, Anouk en Ilse DeLange geven hem minstens evenveel inspiratie als Charlie Parker. 'Ik heb altijd meer een alternatief popbandjes-gevoel gehad dan dat ik jazz als mijn levenslange bijbel zag. Ooit wil ik nog eens pure pop gaan spelen, waar geen jazz aan te pas komt.'

Maar eerst heeft de bassist zich op de dixieland gestort. 'Met mijn kwartet beginnen we steeds collectiever te spelen. Geen solo's, we spelen allemaal tegelijk. Datzelfde vind je terug bij die muziek. Natuurlijk, dixieland heeft de associatie met bierpompfestivals en chokertjes. Maar de eerste blanke dixieland-jongens maakten heel mooie muziek. Er heerst een taboe op. Dat is helemaal niet nodig.'

Vastgeroestte oude gardes, Overwater heeft er een hekel aan. Als zeventienjarige belandde hij er midden in. 'Er was een wekelijkse jamsessie in Café De Sport in Den Haag, met de pianist Frans Elsen. Dat was voor mij het Mekka, destijds. Nu weet ik hoe vreselijk navelstaarderig men daar bezig was. Ik stond er naast mijn combo-leraar Victor Kaihatu toen een jongen zich afvroeg of hij zijn middelbare school zou afmaken of meteen naar het conservatorium zou gaan. Ik zei heel braaf: ''Ik zou het gewoon afmaken, dan heb je tenminste een diploma.'' Toen werd die Victor toch enorm kwaad op mij: ''Jij snapt er helemaal niks van! Ik wed nu om een pakje sigaretten dat je het nooit gaat maken.'''

Op de cd O.P. uit 2001, waarvoor Overwater een Edison kreeg, wordt Kaihatu bedankt op het hoesje.

De grootstedelijke heftigheid maakte een enorme indruk op Overwater. Hij was beschermd opgegroeid in het Zuid-Hollandse Reeuwijk, in een protestants gezin. De afwijzing door zijn docent deed de jonge bassist alleen maar volharden in zijn studie.

De neiging tot doorzetten kreeg Overwater mee van zijn vader. Toen hij vertelde dat hij bas aan het conservatorium wilde studeren, was het antwoord: Onzin, daar red je het toch niet mee. 'Dus ik weer somber naar mijn kamertje. Maar ik bleef erover denken. En nadat ik er een paar keer opnieuw over was begonnen, zei hij: ''Oké, dan gaan we nu een bas kopen.''

'Het was een soort pedagogische rem', beseft Overwater achteraf. 'Laat eerst maar eens zien hoe graag je het eigenlijk wilt.' Dat vond hij wel goed. Volhouden werkt, merkte hij later toen hij subsidie ging aanvragen. 'De eerste keren werden we vierkant uitgelachen.' Maar als je niet opgeeft, 'raak je opeens door een soort grens heen en mag je meedoen'.

Toen Overwater de kans kreeg zelf zitting te nemen in een adviescommisie, greep hij die met beide handen aan. 'If you can't beat them, join them.' Zijn betrokkenheid bij de Stichting Jazz In Nederland (SJIN) werd hem door veel collega's niet in dank afgenomen. De Beroepsvereniging van Improviserende Musici (BIM) vroeg hem zelfs zijn lidmaadschap te heroverwegen. De SJIN moest flink bezuinigen. 'Er waren muzikanten die niet meer met me wilden spelen.' De bassist trok er zich weinig van aan. 'Er zijn heel weinig mensen in de Nederlandse jazzscene die zo'n functie durven te aanvaarden. Of ze zijn er te lui voor, of ze zijn bang dat ze hun vrienden verspelen. Begrijpelijk. Ik heb heel veel boze mensen aan de lijn gehad.'

De meeste musici kunnen het zich niet veroorloven vijanden te maken in de kleine Nederlandse jazzwereld, maar Overwater heeft er geen moeite mee. Vanaf het begin werkte hij slechts met enkele bands. Schnabbelen, waarvoor intensief netwerken onontbeerlijk is, doet hij nauwelijks. 'Ik heb zo'n ontzettende hekel aan die freelance-mentaliteit. Dan moet je naar al die sessies.' (zet een geëxcalteerd stemmetje op): 'Yeah man, te gèk. Leuk je te zien!' Liever klust de bassist wat bij buiten de muziek. Hij bouwt websites voor bedrijven. Als hij tijdens het reizen een paar uur moet wachten klapt hij de laptop open.

Overwaters eigengereidheid is kenmerkend voor zijn generatie. Michiel Borstlap, Eric Vloeimans, Yuri Honing, Maarten Ornstein, Bart Suèr: Overwater speelt met ze of heeft met ze gespeeld, en het zijn stuk voor stuk eigenwijze mannen. Dat is ook een reden waarom de scene, tot Overwaters grote spijt, niet hecht is. 'De musici zijn niet op elkaar gericht. Sterker nog, ze kunnen niet met elkaar door één deur. Yuri en Eric spelen zelden nog met elkaar. En tussen Michiel en Yuri zijn de verhoudingen totaal verstoord.' De bassist is er behoorlijk gefrustreerd over: 'Natuurlijk zijn we allemaal anders, maar muzikaal gaat het eigenlijk over hetzelfde. Als we minder egocentrisch waren geweest, hadden we veel verder kunnen zijn.'

De tijd vraagt volgens Overwater om authentieke ervaringen, om eerlijke muziek. 'Neem mijn laatste plaat, Faces of China. Dat is filmmuziek, een tussendoortje. Maar ik heb hem toch uitgebracht omdat ik de vriendschap met mijn medemusici terugvoel in die muziek.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.