Jazz als muziek van Grote Dode Mannen

In zijn documentaire JAZZ wilde de Amerikaan Ken Burns de kijker boeien met een verhaal. Dat is gelukt. De oorspronkelijk negentien uur zijn voor Nederland teruggebracht tot twaalf uur, maar vormen nog steeds een feest voor oog en oor....

In Amerika leek de serie twee jaar geleden de al zo vaak doodverklaarde jazzmuziek zowaar weer tot leven te wekken. Gemiddeld ruim vijf miljoen mensen keken naar de tien afleveringen van Ken Burns' historische documentaire JAZZ, die bij elkaar negentien uur zendtijd vulden.

Die kijkdichtheid lag een stuk hoger dan bij een soortgelijk project over de rockgeschiedenis van een paar jaar eerder. Ook de Amerikaanse jazzplatenverkoop explodeerde dankzij de serie. De 24 cd's die de maatschappijen Verve en Columbia eraan koppelden, trokken de jazz-omzet met minstens een miljoen dollar omhoog. De speciale 5-cd-box Ken Burns JAZZ werd zelfs een gouden plaat.

In Nederland gebeurt alles twee jaar later en met minder spektakel. Het Amerikaanse station PBS zond de serie op prime-time uit. De NPS heeft pas na lang aarzelen een gaatje gevonden op de zeer late avond. Donderdag 6 februari is de eerste uitzending, vanaf 23.55 uur op Nederland 3. Wij krijgen ook niet de volle negentien uur te zien, maar de internationale versie van JAZZ: twaalf delen van elk een klein uur.

De verwachtingen bij de Nederlandse platenindustrie zijn navenant. 'Als het na twaalven wordt uitgezonden, is het altijd een moeilijker verhaal', zegt Albert Grootoonk, product manager jazz bij Verve. 'De echt geïnteresseerde zal hopelijk kijken, maar wij wachten eerst maar eens de kijkcijfers af.'

Minstens zo opmerkelijk als de kijkers-score was in Amerika de furieuze discussie die de serie lossloeg. Natuurlijk waren er de klachten van liefhebbers dat hun favorieten niet of veel te weinig aan bod kwamen. Ondanks de kolossale lengte van JAZZ ontbreken bijvoorbeeld Oscar Peterson, Erroll Garner, Buddy Rich, Rahsaan Roland Kirk, Eric Dolphy en Albert Ayler. 'Ik had nooit gedacht dat ik nog eens zou klagen over te veel Duke Ellington of Louis Armstrong op de Amerikaanse tv', verklaarde jazzjournalist Kevin Whitehead.

Wie de twaalf delen JAZZ heeft gezien, begrijpt wat Burns' overwegingen zijn geweest. Hij wilde, net als in zijn voorgaande monumentale tv-series over de Amerikaanse Burgeroorlog (1990) en de geschiedenis van het baseball (1994), de kijkers in de eerste plaats boeien met een verhaal. En een verhaal heeft hoofdpersonen nodig, helden en schurken.

In JAZZ heeft hij gekozen voor vijf dramatis personae: het Genie (Louis Armstrong), de Heilige (Duke Ellington), de Egoïst (Benny Goodman), de Junkie (Charlie Parker) en de Afvallige (Miles Davis). Hun carrières en levens vormen de rode draad, en dat geeft de serie onvermijdelijk het karakter van een terugblik op de glorie van weleer. Armstrong stierf in 1971, Ellington in 1974, Goodman in 1986, Parker al in 1955, en Davis in 1991. Jazz is bij Ken Burns, kortom, muziek van Grote Dode Mannen.

Dat uit zich ook in de dosering van de chronologie. In de versie die Nederland te zien krijgt, zijn de eerste tien delen gewijd aan de periode 1890-1955. Deel 11 begint met John Coltrane, gaat dan ijlings terug naar 'de jaren die volgden op Charlie Parkers dood', toont vervolgens Duke Ellingtons come-back op het Newport Jazz Festival 1956 en de opkomst van het Miles Davis-kwintet, en behandelt dan nog even in tien minuten Ornette Coleman en de free jazz.

Deel 12 begint met de Europese exodus van saxofonist Dexter Gordon (1962), viert het onverwachte wereldsucces van Louis Armstrongs Hello, Dolly! (1969), en belandt uiteindelijk bij Miles Davis en de fusion (1970). Tot dan toe is er voornamelijk gejuicht over al het muzikaal gebodene, maar nu neemt JAZZ plotseling een venijnige wending. De zwarte hoogleraar Gerald Early legt in twee minuten uit waarom de Miles Davis van na 1970 niet deugt: de ooit zo grote leider 'fell apart with the fusion bands' waarin niemand naar elkaar luisterde; zijn muziek 'werd gewoon tennissen zonder net'.

Er resteren dan nog dertig minuten voor de laatste dertig jaar. Eerst komt een grafrede van vijf minuten over alles wat is teloorgegaan, maar dan verschijnt toch nog de reddende engel in de gedaante van trompettist Wynton Marsalis, die vanaf 1980 de 'straight-ahead jazz zonder synthesizers' eigenhandig nieuw leven inblaast.

Die apotheose, in combinatie met het feit dat Marsalis de hele serie door als talking head verreweg het meest aan het woord is geweest, heeft onder Amerikaanse jazzologen de grootste woede gewekt. Het lijdt ook geen twijfel dat Ken Burns zich tijdens de zes jaar dat hij aan de serie heeft gewerkt, vooral heeft laten leiden door de visie van Marsalis en zijn ideologische kompanen Albert Murray en Stanley Crouch.

Maar hoe verwerpelijk is die visie? Menigeen verwijt het drietal antiblank racisme. In werkelijkheid prediken zij, in navolging van hun grote inspirator, de zwarte schrijver Ralph Ellison (1914-1994), een vorm van zelfbewustzijn die zich juist met kracht verweert tegen alle gemakzuchtige ideeën over zwarte cultuur als verzet tegen de westerse samenleving. Volgens hun opvatting verkeren de Amerikaanse negers in de unieke positie dat zij de zwarte traditie kunnen combineren met het Europese erfdeel van de Verlichting. Dat is een geschenk en tegelijk een opdracht om te streven naar excellentie.

'Als zwarten het antiblanke racisme omhelzen', zegt Marsalis, 'gaan ze tegen de essentie van de jazz in. De jazz kan zich alleen ontwikkelen uit Afrikaanse én Europese elementen. Dat noemen wij Amerikaans.' Die gedachte, het celebreren van Amerika als het land dat zijn glorie dankt aan de etnische interactie, ligt ten grondslag aan JAZZ, zoals ze ook de basis vormde van Ken Burns' tv-documentaires over de Amerikaanse Burgeroorlog en het baseball.

Behalve het verkondigen van die boodschap had Ken Burns natuurlijk nog een andere doelstelling. De serie JAZZ moest een miljoenenpubliek boeien. Ook in dat opzicht was Wynton Marsalis, een even geoefende als aanstekelijke verteller, voor hem een onmisbare hoofdrolspeler.

Burns voegde daar zelf zijn ongeëvenaarde talent als documentairemaker aan toe. Want JAZZ is, los van alle ideologische bespiegelingen, bovenal een feest voor oog en oor. Ken Burns heeft met meesterhand uit filmfragmenten, foto's, muziek en sprekende hoofden een tv-verhaal gecomponeerd dat de kijker van minuut tot minuut meesleept. Zelfs de scherpe criticus Francis Davis, die in The Atlantic Monthly zijn bezwaren breed uitmat, moest uiteindelijk toegeven: 'JAZZ is goede televisie.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden