Jan Janssen

Jan Janssen (55 jaar), wereldkampioen 1964 in Sallanches (Fr)..

BART JUNGMANN; JAAP VISSER

'BEN JIJ NOU de wereldkampioen? Schaam je je niet?'

Maandagmiddag in Putte, een Brabants grensplaatsje. In een leeg magazijn, waar vroeger de Jan Janssens voor verkoop gereed stonden, kruipt de naamgever van die fietsen in de huid van zijn vroegere ploegleider Maurice de Muer. Hij geeft de verslaggever, die zich een moment Jan Janssen mag wanen, een tik tegen de knie en zegt: 'Je rijdt als stront'

'Dat klopte ook. Ik reed helemaal niet goed. Als je die trui hebt, moet je hem tonen', erkent Janssen nu. 'Maar ik wilde dat toen niet van De Muer aannemen. Dus we stonden op het laatst in de bokshouding tegenover elkaar.'

Het conflict speelde zich af in 1965, in de Dauphiné Libéré. 'Niet echt mijn terrein.' Janssen stond al op 35 minuten achterstand en was in die etappe met alweer een half uur vertraging binnengekomen. Hij had zijn regenboogtrui uitgetrokken en zat zijn tegenslagen te tellen toen De Muer hem de les kwam lezen.

De volgende dag is Janssen meteen na het vertrek uit het peloton gesprongen. 'Ik nam honderd meter, vijfhonderd meter, een minuut en ik kom met zeven minuten voorsprong binnen.'

Janssen had dat nodig, een ploegleider die hem de waarheid zei. 'Ik moest gestimuleerd worden. In dat opzicht was ik een nerveus raspaardje. Het was geen kwestie van luiheid. Maar ik was gewoon met te veel andere dingen bezig. '

Jan Janssen werd in 1961 tijdens de Ronde van de Toekomst door De Muer benaderd voor een profcontract. 'Ik sprak geen woord Frans, maar ik wist precies wat-ie bedoelde.' In oktober, tijdens de Zesdaagse van Antwerpen zouden er zaken worden gedaan. Ook andere Nederlanders, onder wie Henk Nijdam, kwamen voor een contract in aanmerking. 'Ze hadden het steeds maar over betaling, terwijl ik maar één ding voor ogen had: Frankrijk is de bakermat van de wielersport.'

Het eerste jaar bestond uit het afstaan van wielen en het uit de wind zetten. 'Echt knechtenspul.' De ploegleiding was zo tevreden dat Janssen in sommige koersen op zoek mocht naar eer en glorie.

In 1964 rees Janssens ster. Hij won Parijs-Nice, legde beslag op de groene trui in de Tour de France en stak zijn vinger op toen coach Joop Middelink de avond voor het WK vroeg: wie wil er wereldkampioen worden?

'Maar het verhaal begint eigenlijk al eerder. In Frankrijk rijd je na de Tour alleen maar criteriums. Je zit de hele dag in de auto, dwars door het land. Dus je voorbereiding voor een WK is shit.

'Maar Henri Anglade had tegen me gezegd: kom dan naar mij toe in Lyon. Bereiden we ons samen voor en rijden we op de dag voor het WK naar Sallanches. Dat was 220 kilometer rijden. Anglade zegt onderweg: er kan er maar één winnen en dat is Janssen. Ik geloofde er niets van.

'Maar dat WK liep voor mij gesmeerd, kon niet beter. Er waren er gelijk een stel weg en die bleven 180 kilometer voorop. Daar zaten een paar ploeggenoten bij. Dus ik zat heerlijk op het vinkentouw.

'Toen sprongen Poulidor, Gimondi en Simpson weg. Ik er achteraan met een paar anderen. In de laatste kilometer demarreert Poulidor. Ik dacht: nu of nooit. Ik pak hem terug, ga naast hem rijden en kijk hem alleen maar aan. Poulidor zei later nog tegen me dat hij daardoor behoorlijk was afgebluft.

'Adorni en Simpson komen terug en ik zie Adorni en Poulidor samen smoezen. Maar Adorni was het snelst en ik had me voorgenomen in zijn wiel te gaan zitten. Poulidor trekt de sprint aan voor Adorni. Nou, toen was het gesneden koek. Ik waaierde er zo over heen. '

'Dat was wat, hoor, wereldkampioen. Toen ging er een wereld voor me open. Ik werd er zelfs een beetje bang voor. Dat ik die titel niet waardig zou zijn.'

In 1965 daalde Janssens ster. 'Ja, hoe gaat dat. Je rijdt het seizoen uit en dan ga je uitrusten. Nou, ja uitrusten? M'n neus uit. Ik moest overal opdraven. Bij de supporters, bij de biljartvereniging en bij de vogelpik. En ik zei overal ja tegen. Achteraf gezien had ik toen een manager moeten hebben, die nee had gezegd.'

In het voorjaar ging het dus al niet goed met Janssen. 'Ik heb die trui vervloekt. Dat je als tachtigste binnenkwam en dat ze zeiden: kijk, daar heb je Jan de wereldkampioen. Door strontregen, door sneeuw, door hagel. Maar je moet door want je bent wereldkampioen.'

Een regenboogtrui verplicht volgens Janssen. 'Als je kampioen bent, moet je je als kampioen gedragen. Je moet koersen bepalen en afdwingen. Maar ook buiten de koers moet je je als kampioen gedragen. Je zit in een glazen kastje. Als er een ploegmaat in het hotel smerig zit te eten, moet je daar wat van zeggen. Die verantwoordelijkheid heb je.'

Op het lijstje wereldkampioenen van de laatste 25 jaar ziet Janssen maar twee dissonanten staan: Ottenbros en Dhaenens. 'Bij Dhaenens zet ik mijn vraagtekens en Ottenbros was gewoon rampzalig. Leblanc heeft het ook niet echt waargemaakt. Hij reed fantastisch op Sicilië, maar is daarna geen voorbeeld voor de wielersport geweest.'

Weet je, zegt Jan Janssen, wereldkampioen worden is niet zo moeilijk. Maar een jaar lang wereldkampioen blijven, dat is moeilijk. 'Die druk is onnoemelijk groot.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden