JAMMEREN OM DE DODE

Regisseur Jossi Wieler maakt van klassiek repertoire modern drama. Scherp is de toon in 'Alkestis' - waarmee het Holland Festival morgen opent....

Door Marian Buijs

Stel: je moet sterven. De dood is onverbiddelijk, tenzij je iemand vindt die zijn leven voor je wil geven. Je gaat op zoek, maar niemand is daartoe bereid. Behalve je geliefde. Daarover gaat Alkestis, een Griekse klassieker van Euripides. Admetus, een man van macht en aanzien, moet dood. Tenzij iemand zijn plaats inneemt. Hij vraagt het zijn ouders, al redelijk op leeftijd, maar zij weigeren. De enige die wil is zijn vrouw, Alkestis.

Op haar sterfdag begint het stuk. Nu het zover is, is vooral Admetus ontroostbaar. Wat moet hij zonder haar? Geen moment denkt hij eraan dat hij zelf de oorzaak is van haar dood. De spot is in het origineel zover doorgetrokken dat de tragedie naar komedie neigt. Een zwarte komedie. Zo heeft de Duitse regisseur Jossi Wieler het stuk ook opgevat.

Jossi Wieler is in Duitsland een grote naam. Zijn veelgeprezen regie van Alkestis is zojuist met succes gespeeld op het prestigieuze Berlijnse Theatertreffen. En morgen is de voorstelling te zien als opening van het Holland Festival. Hij mag, ondanks zijn vijftig jaar, nog steeds bekend staan als aanstormend talent, maar in werkelijkheid past hem de status van arrivé. Regelmatig regisseert hij in Zürich, Stuttgart en München; dit seizoen werd hij regisseur van het jaar.

Sinds november staat Alkestis in München op het repertoire, en de voorstelling trekt nog altijd uitverkochte zalen. Het publiek stroomt toe, chic publiek, zo te zien uit die kringen waarin de figuren in Alkestis zich bewegen. Bij Wieler is de heer des huizes geen koning, maar een topzakenman. Het hoofd van een imperium, omringd door zijn familie. Deze Alkestis is een modern familiedrama, alsof het gisteren door een nazaat van Ibsen is geschreven.

De grootmoeder is de eerste die verschijnt. Op kousenvoeten trippelt ze door de reusachtige kamer op dit Münchense toneel. Houten wanden, een meterslange zwartleren bank. Een man loopt haar tegemoet. Ze vallen elkaar zwijgend in de armen. Regelmatig kijken ze naar de gesloten deur waarachter wordt gestorven. Pas na ruim een kwartier wordt de stilte verbroken.

Dan verschijnt Alkestis, de titelheldin die zich opoffert voor haar man. Trots loopt ze door de kamer in een zwarte avondjurk. Eerder een heldin dan een slachtoffer, narcistisch, op het hysterische af. Als ze eenmaal haar laatste adem heeft uitgeblazen, op de zwartleren bank, en in een laken is afgevoerd, verdwijnen de familieleden een voor een om zich in het zwart te steken.

Het publiek kijkt in het theater van de Kammerspiele vanaf een tribune neer op het ruimbemeten speelvlak. Spelers en toeschouwers zitten vlak bij elkaar. Dat zal anders zijn in de Amsterdamse Stadsschouwburg, maar in München komt de woordenwisseling tussen Admetus en zijn vader hard aan. Waarbij de zoon zijn vader toebijt: 'Eerst op de loop gaan en als oude man een jong mens laten sterven, en dan jammeren om de dode? (. . .) O, niemand is toch zo slap als u. Zo oud, aan het eind van je leven gekomen, en dan niet bereid zijn, niet de durf hebben om voor je zoon te sterven.'

Even laat Wieler de lichte toon varen waar hij in Duitsland zo beroemd om is. De twee acteurs staan flink tegen elkaar te schreeuwen. Later keert de lichtheid weer terug, ongewoon in het Duitse toneel waar de 'acteurstoon' nog steeds gemeengoed is. Licht waren ook zijn ensceneringen van de stukken van Elfriede Jellinek - eigenlijk niet meer dan tekstflarden die hij tot een hechte voorstelling aaneensmeedde. Jellinek werd een fan, die avond zit ze op de tribune.

'Het was ongetwijfeld een stralende familie', zegt Jossi Wieler een dag later. 'Tot de dood aanklopt, dan breekt alles open. De rolverdeling lag al vast: de jongen gaat de zaak van vader overnemen, in het meisje zie je de offerbereidheid van Alkestis. Om zulke mechanismen te verklaren én te rechtvaardigen heeft de burgerlijke wetenschap allerlei analyses uitgevonden. We zouden heel goed van een Alkestis-complex kunnen spreken. De psycho-analyse is tenslotte een vinding van mannen. Vrouwen moeten een object van begeerte blijven.'

Wieler is de beminnelijkheid zelve, hij lijkt niet ouder dan dertig. Vrolijk zwaait hij naar bekenden. Een klein joods mannetje, pretentieloos gekleed: jack, rugzak, gymschoenen. Hij is geboren in Zwitserland, maar zijn regie-opleiding volgde hij aan de Universiteit van Tel Aviv. Daar regisseerde hij na zijn studie bij het Nationale Theater. In 1980 begon hij als regie-assistent in Düsseldorf, waar hij twee jaar later zijn eerste regie afleverde. Sinds 1988 werkt hij samen met intendant Frank Baumbauer, eerst in Basel, later in Hamburg en nu opnieuw in München, waar Baumbauer net is aangetreden.

Wieler: 'Baumbauer is een geweldige intendant. Bij hem hoef ik me nooit met niet-artistieke zaken bezig te houden.' Wieler werkt ook al sinds de jaren tachtig samen met vormgeefster Anna Viebrock en met dramaturg Tilman Raabke. Ook een deel van deze acteurs kent hij lang. 'Oudgedienden begrijp je met een enkel woord, maar nieuwe mensen heb je ook nodig. Anders wordt het teveel ons kent ons - te veilig. Gevaar is onmisbaar, net als angst.'

Voor Alkestis heeft hij de spelers urenlang laten improviseren. 'We hebben geprobeerd op de speelvloer echt een familie te creëren. Dan zit ik maar te kijken, ik onderbreek zelden en wacht rustig af. Op die manier ontstaan de mooiste vondsten.'

Wieler wordt vaak geprezen om zijn vermogen klassiek repertoire op te voeren als een hedendaags stuk (Turandot als een komische strip in een gangstermilieu), terwijl hij van eigentijdse teksten klassiekers maakt. Een echte Kopfregisseur wordt hij genoemd. Eentje die niet voorspeelt, maar 'voordenkt'.

Momenteel is hij in Stuttgart bezig met opera: Norma. Daar is zijn werkwijze totaal anders. 'De tijd is beperkt, het koor en de zangers staan klaar en willen weten wat ze moeten doen. Dat vergt dus een strakke voorbereiding. Opera lijkt veel beperkingen te hebben, maar ik voel dat juist als een grote vrijheid. De muziek ligt vast, de klank is bepaald, terwijl je bij toneel de klank zelf moet scheppen.'

De klank is bij Alkestis scherp en snijdend, ondanks de grappen. Na afloop is het vooral de lafheid van deze mensen die je bij blijft, hun maskerade en de leugen die hen in de spiegel toegrijnst. Het is Herakles, buitenbeentje van vlees en bloed tussen al deze kille lieden, die verantwoordelijk is voor het happy-end.

Maar is dat slot wel zo happy? Herakles bevrijdt Alkestis uit de dood en brengt haar terug naar haar gezin. Je zou verwachten dat Admetus buiten zinnen is van blijdschap. Maar het gezicht van de acteur verraadt alleen maar pijn en verwarring. Hij kijkt haar niet eens aan. Hoe moet hij ook verder met een vrouw die hij uit puur egoïsme om het hoogste offer heeft gevraagd? Zijn geliefde is terug, maar de liefde is voor altijd verdwenen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden