James Ensor universum van een fantast

Met Het schilderend geraamte biedt James Ensor ons de meest kleurige doodsaanzeggingen.

Achter het schildersezel staat, palet in de hand, een geraamte. De schilder mag dood zijn - maar gelukkig ziet 'ie nog goed in het pak. En is hij omringd met kunst. Voor het schilderend geraamte op het doek is dat misschien een troost.


De Vlaamse kunstenaar James Ensor (1860-1949) maakte Het schilderend geraamte omstreeks 1895. Uit een foto blijkt dat Ensor zijn eigen atelier minutieus heeft nageschilderd. En om te onderstrepen dat dit toch echt de werkomgeving is van de schilder zelf, voegde hij er rondslingerende maskers aan toe, de maskers waar Ensor in later werk zijn handelsmerk van zou maken.


Met die maskers groeide Ensor op. Zijn moeder dreef in hun woonplaats Oostende een winkel in souvernirs, snuisterijen en rare hebbedingetjes. Ook doodshoofden en beenderen behoorden tot de realiteit uit zijn jeugd. In 1601 begon het driejarig beleg van Oostende, een Spaanse belegering de havenstad. Er vielen bijna tachtigduizend Oostendense doden. Tot aan Ensors jeugdjaren aan toe was het in en rond Oostende de gewoonste zaak van de wereld dat bewoners bij bouwwerkzaamheden stuitten op botresten en geraamtes. Eenmaal was Ensor er in zijn jeugd getuige van dat er bij een opgraving honderden skeletten werden gevonden. De dodenakker rondom zijn woonstad kreeg een plaats in Ensors beeldtaal. Het skelet stoffeerde eerst zijn jeugd, toen zijn kunst.


Maar intussen: wat wil dit curieuze portret van een kunstenaar? Wil het spotten met het idee van de kunstenaar als getormenteerd genie, worstelend tot de dood erop volgt, of verbeeldde Ensor hier een nachtmerrie?


De kunstenaar achter zijn ezel: het is een beproefd genrestuk, en eeuwenlang diende het onder meer om de maatschappelijke positie van de schilder te onderstrepen. In De hofdames (1656) portretteerde Diego Velázquez zich temidden van een prinsesje -de eerstgeborene- en hofpersoneel, terwijl in een spiegel de beeltenis van de Spaanse koning Filips IV en zijn echtgenote te zien is. Velazquez wilde ermee benadrukken dat híj het was die het tot hofschilder had gebracht. Wie heeft éen van de zalen van het Koninklijk Paleis als zijn atelier ingericht? Ik, Diego Vélazquez, grootvorst van de Spaanse schilderkunst.


Voor Gustave Courbet was het hof en de haute bourgeoisie niet meer dan een van de vele klassen in de samenleving die hij in den brede wilde portretteren, met het accent op de eenvoudige, eerlijke arbeiders, zwoegend in het zweet huns aanschijns. In De kunstenaar en zijn atelier (1854-'55) toont Courbet zichzelf als de centrale figuur temidden van alle rangen en standen. Rechts van hem zijn vrienden, familieleden en geestverwanten, onder wie een lezende Charles Baudelaire. Links van hem de paupers, armoedzaaiers en uitgestotenen - die echter in de wereld van Courbet warm welkom werden geheten. Ik, Courbet, kus de kont van adel en hogere burgerij maar ben de bemiddelaar tussen volk en artiest.


Courbet als zelfverklaarde held van het volk, die de levens van paupers en arbeiders zo realistisch mogelijk wilde tonen - wat stond dat ver van Ensors bed. Hij was een typische eind-negentiende eeuwer; als kind van zijn tijd profileerde Ensor zich in zijn zelfportretten als eenzaam en onbegrepen genie, zwoegend in een spartaans ogend atelier, far from the madding crowd.


Zo zag, in zijn jonge jaren, James Ensor zichzelf tenminste, half epaterend met, half mopperend over het feit dat de Vlaamse bourgeoisie lange tijd zijn werk niet begreep, laat staan waardeerde. Pas later, toen hij op leeftijd was, werd hij gefêteerd en geëerd door diezelfde burgerij, wat hij zich met het klimmen der jaren steeds vaker liet welgevallen. Zozeer rees zijn ster dat beroemdheden als Wassily Kandinsky en Albert Einstein hem kwamen opzoeken in Oostende, met die malle winkel van zijn -inmiddels overleden- moeder als een kersvers pelgrimage-oord voor bewonderaars. Maar zover was het in 1895 nog lang niet. Goed, Ensor had zichzelf wel eens als fier en zelfbewust kunstenaar geportretteerd, in Ensor voor zijn schildersezel (1890) bijvoorbeeld. In Zelfportret omringd door maskers (1888) zien we Ensors trotse tronie temidden van die carnavalsmaskers die hem een leven lang inspireerden. Maar intussen wordt zijn gezicht op dit zelfportret wél bijna weggedrukt door diezelfde maskers. Wat betekende dat? Dat de maskers de regie over zijn leven voerden.


Op het eerste gezicht is Het schilderend geraamte (1895) een oefening in misantropie. De levenden zijn voor de kunstenaar van geen belang, alleen in en met de dood kan hij leven, is de suggestie. Maar dan nog: wil Ensor benadrukken dat hij zó soeverein is dat hij ook ná de dood gewoon door zal gaan met het zoeken naar spetterend licht dat 'zijn' maskers en doodshoofden laat opgloeien? Is hij, in al zijn isolement, in bepaald opzicht onsterfelijk? Of is het andersom en bezweert hij hier de angst dat de creativiteit hem misschien zal ontglippen? Zal hij per direct een wandelende dode zijn zodra het hem zal ontbreken aan inspiratie en ideeën? Of is het allemaal eenvoudiger en drukt 'Pietje de Dood' - Ensors bijnaam onder het gemene volk in Oostende - hier uit dat het leven voor hem doodeenvoudig niet de moeite waard is? Uitspraken te over die benadrukken dat Ensor geen fuifnummer was. Deze bijvoorbeeld: 'Ook voor mij wordt de kunst uit het lijden geboren en afgezien van een paar schaarse ogenblikken is mijn leven met verbittering en teleurstellingen verweven.' Hier spreekt iemand voor wie het leven niet zo heel veel waarde heeft.


Maar misschien moeten we het schilderend geraamte niet al te zeer met Ensor zelf associëren. Misschien wilde hij iets uitdrukken over la condition humaine. Theo van Gogh - en ik heb het hier nu niet over Vincents broer, maar over de vermoorde filmer uit onze eigen tijd - heeft zich in een interview eens laten ontvallen dat hij zich vaak betrapte op de gedachte dat het een groot misverstand is te denken dat wij hier op aarde in leven zijn. We zijn allemaal zo dood als een pier, alleen is er niemand die ons dit vertelt. Doodgaan betekent niet dat je je levensadem uitblaast en naar het dodenrijk verhuist, nee, het is de finale bekrachtiging van onze zijnstoestand, met als enige uiterlijke verandering het vergaan van het vlees op onze botten. Ons kloppend hart en onze polsslag geven het ritme aan waarmee ons geraamte zal uitbotten. Zoiets.


Zou Ensor er misschien ook zo over hebben gedacht? Zijn wij volgens hem al dood bij leven en is het masker de ironische bevestiging van die verstening-terwijl-ons-hart-nog-klopt? Hoe dan ook zat Ensor verstrikt in zijn private obsessies. Voor hem geen plaats aan het hof. Voor hem geen nobele positie als middelaar tussen volk en kunstenaar. In plaats daarvan was James Ensor de 'hofschilder' in het Oostendense mini-koninkrijk waar het masker regeerde over het natuurlijke gelaat, en waar het skelet grijnzend de futiliteit van aderen en bloedbaan benadrukte.


Misschien wil Het schilderend geraamte ons het volgende meedelen: ik, de onbegrepen grootmeester uit Oostende, laat alle kleuren baden in het kleurrijkst denkbare licht. De dood is niet zwart- de dood is onder ons, in ons, en begoochelt ons met alle kleuren van de regenboog. Ik, Ensor, weet dit, maar u nog niet. Ik vertel het u, niet voor mijn plezier, maar omdat de waarheid gezegd, geschilderd moet worden. De dood, grimmig en geniepig, is grijs noch zwart maar schenkt ons met satanisch genoegen de meest uitbundige kleuren. Voor wie dit niet gelooft biedt mijn alter ego, het schilderend geraamte, inzicht in deze waarheid. Kijk naar wat het geraamte in zijn atelier heeft staan: de meest kleurige meesterwerken - de meest kleurige doodsaanzeggingen.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden