James Carter haalt de bezem door het jazzpakhuis

DE VRIENDJES thuis in Detroit twijfelden aan zijn verstand, toen James Carter zich opeens niet meer met een skateboard of basketbal op straat vertoonde, maar dag in dag uit een grote saxofoonkoffer met zich meesleepte - met een elfjarige jongen die de bioscoop laat schieten voor muziekles moet wel iets...

Vijftien jaar later kan James Marcellus Carter met geamuseerde distantie op het kinderleed terug kijken. Dat valt op te maken uit een gestage stroom interviews, waarin hij vragen naar zijn leerjaren met bovenstaande anekdote beantwoordt. Carter heeft zijn schoolvriendjes wat laten zien: het vermeende mietje is overnight een druk besproken nieuwkomer in de Amerikaanse jazz geworden.

Het Franse Jazzmagazine vraagt zich in het aprilnummer zelfs af, of met James Carter 'Un nouveau J.C.' is opgestaan - een verwijzing naar de grote saxofonist John Coltrane, die niet alleen vanwege zijn initialen wel de 'Jezus van de jazz' werd genoemd.

Zo'n vaart zal het met de 26-jarige muzikant hopelijk niet lopen, maar zijn prestaties rechtvaardigen de opwinding die uit dergelijke koppen ('James Carter, saxofoon-sensatie' - Jazz Nu) spreekt.

Carter is een formidabele saxofonist. Net als trompettist Wynton Marsalis, die vijftien jaar geleden debuteerde, combineert hij een spectaculaire techniek met zelfverzekerdheid en onbesuisde dadendrang. En net als Marsalis werpt hij zich op als een fakkeldrager van de jazz, die de erfenis van veronachtzaamde jazzsolisten niet verloren wil laten gaan.

Maar er zijn ook verschillen. Tegenover Marsalis' studieuze ernst staat Carters onverschrokken branie, tegenover diens hang naar hoogglans en Schönmalerei een voorkeur voor explosieve kracht. In de Newyorkse jazz-polemiek tussen 'reactionaire' neo-boppers en 'verlichte' avantgardisten neemt Carter daardoor een unieke tussenpositie in. Hij speelt zowel in de band van Wynton Marsalis, als met diens verklaarde tegenstander, de trompettist Lester Bowie ('mijn mentor') en laat geen kans onbenut zijn beide ontdekkers te prijzen - die jazzcontroverse kent hìj alleen van horen zeggen.

Onder saxofonisten is Carter voorlopig het best te vergelijken met David Murray. Niet alleen vanwege zijn vurige, ongeforceerde spel, maar ook om de voortvarendheid waarmee hij bouwt aan zijn discografie. De nieuwsgierige platenkoper heeft nu al de keuze uit drie Carter-cd's: J. C. on the Set en Jurassic Classics, beide verschenen op DIW Columbia, en The Real Quietstorm op Atlantic Jazz. De cd's ontlopen elkaar niet veel, maar er zijn vermakelijke verschillen in presentatie.

Carter is geen lelijkerd, en Atlantic doet er alles aan om hem als een nieuwe Armani-man te presenteren: het hoesje toont hem in botergeel kaarslicht, in zwoele omhelzing met een fotogenieke dame. Zijn vaste begeleiders blijven buiten beeld, en uit de groepsfoto's op de andere cd's blijkt wel waarom: de lange rastakrullen van bassist Jaribu Shahid, de scheve kroesbaard van drummer Tani Tabbal en de stoppels van pianist Craig Taborn lenen zich niet erg voor soft-focusplaatjes.

Ook in repertoire komt The Real Quietstorm aan de romantische smaak tegemoet, met royaal vertegenwoordigde ballads en als openingsnummer nog maar eens Monks Round Midnight. Maar in zijn baritonsolo rekent Carter meteen af met die braafheid. Nadat hij Monks oudje de horlepiep heeft laten dansen en het zowaar een nieuwe blos op de wangen tovert, eindigt hij met een welgemeend amen: een diep tevreden, grommende pedaaltoon.

Met dit ene stuk zou Carter al een nieuwe norm voor baritonsaxofonisten gesteld hebben, maar daar blijft het niet bij. Hij excelleert even moeiteloos op sopraansaxofoon (waarop hij elegant de hoed licht voor Sidney Bechet), alt- en tenorsax (met woeste r & b-growls), als op basklarinet en basfluit - een veelzijdigheid die in combinatie met zijn agressie herinnert aan wijlen Roland Kirk. Bijzondere technieken als Flatterzunge, circular breathing en multiphonics benut hij accuraat en zonder effectbejag, hoewel je soms zou wensen dat hij niet in èlk stuk door het lint ging.

Afgezien van de verplichte Monk is Carters repertoire-keuze verrassend origineel, op alle drie de cd's. Hij heeft een neus voor zelden gespeelde schoonheden als Jackie McLeans A ballad for a doll, Mel Tormé's Born to be blue en Don Byas' 1944 Stomp. En welke twintiger weet de weg in Sun Ra's jazzpakhuis? De Ellingtoneske ballads Hour of Parting en You never told me that you care scheen ook de bandleider zelf vergeten te zijn: na de plaatopname in circa 1958 voerde Ra ze nooit meer uit. Carter diept ze op uit het vergeetboek en maakt er muziek van die discussies over het Newyorkse jazzrevisionisme op slag minder interessant maakt.

De erfvijanden Marsalis en Bowie kunnen elkaar een hand geven - en ze betalen me alle twee even goed, voegt hun ontdekking er brutaal aan toe.

James Carter: J.C. on the Set. DIW Columbia CK 66149 (1993).

Jurassic Classics. DIW Columbia 478612 2 (1994).

The Real Quietstorm. Atlantic Jazz 82742 2 (1994).

Het James Carter Quartet speelt zaterdag op het SJU Jazz Festival in Muziekcentrum Vredenburg, Utrecht.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden