Jaloers op de gelovigen

SOMS IS het beter als een dichter zich beperkt tot de poëzie en zich verre houdt van journalistieke genres. Aan een in compacte taal verpakt, universeel gevoel valt, als het goed is, weinig toe te voegen, tenzij je Remco Campert heet....

Vorig voorjaar debuteerde Marjoleine de Vos als dichter met de bundel Zeehond graag (Van Oorschot), die terecht genomineerd werd voor zowel de C. Buddingh'-prijs als de VSB Poëzieprijs. Onlangs verscheen Nu en altijd, een bundel met columns die zij met tweewekelijkse regelmaat schrijft voor NRC Handelsblad. De Vos geeft zich in die korte bespiegelingen en ontboezemingen bloot als iemand die zonder veel distantie erop los moraliseert en met pen en papier alle onrecht van de wereld denkt uit te kunnen bannen. Dit alles op de toon van de schooljuf die best wel boos wordt als Pietje het nog eens waagt Marietjes vlechten in de inktpot te steken. Het is jammer voor de snel groeiende schare liefhebbers van haar poëzie, bij wie, tijdens het lezen en herlezen van De Vos' gedichten, nu steeds die schooljuf door het hoofd zal blijven spoken.

Er is veel waarover De Vos zich in Nu en altijd boos maakt. Hufters in het verkeer, patsers met foute jachten, landgenoten die vanuit hun luie stoel een oordeel vellen over vermeend wangedrag van onze jongens in Srebrenica, medici die, op grond van de discutabele diagnose 'hersendood' en op jacht naar bruikbare organen, in nog levende lijven snijden. Maar ook een theoloog die vraagtekens zet bij de integriteit van intellectuele neo-katholieken of een Volkskrant-recensent die de historische betrouwbaarheid van het kerstverhaal in twijfel trekt, moeten van De Vos langdurig in de hoek. En vrouwen die al te lichtzinnig abortus laten plegen, moeten nablijven. Ernstig zieke jong-volwassenen en opgegeven stokoude patiënten die maar niet dood willen, kunnen daarentegen rekenen op haar steun en mededogen.

Ook overspannen toekomstverwachtingen moeten het bij De Vos ontgelden. De 'hysterie van de toekomst', gedomineerd door computers en techniek, gaat zij te lijf met de gedachte dat de mens gelukkig veel te ingewikkeld in elkaar zit om op een computerplaatje te passen. Het 'echt belangrijke', weet zij, 'zit hem in andere dingen'.

Haar columns hebben voor een belangrijk deel de vorm van een pastoraal gesprek, dat zij op de hurken met de lezer voert. Het veelvuldig gebruik van 'wij' en 'ons' moet daarbij het gevoel versterken dat de lezer niet vrijblijvend kan toezien en dat de schrijfster deksels goed weet dat zij van hetzelfde soort is als die lezer. Want ook voor haar geldt 'dat het 'ons', wie wij ook zijn, ons mensen, ons kijkers, ons krantenlezers, steeds moeilijker valt ons in te leven in de pijn van een ander'.

Veel van haar columns eindigen met de expliciete moraal van het verhaal, die weinig aan de fantasie van de lezer overlaat. 'Soms zou het wel makkelijker zijn als het leven wat meer in elkaar zat als een praatprogramma en wat minder als een tragedie' (na een column over het kiezen uit twee kwaden). En: 'Het is een lange weg, uit de woestijn van de haat naar de beschaving van de vergeving' (na een stuk over de vergevingsgezindheid van Mandela jegens zijn vroegere kwelgeesten).

Er staan ook sterke stukken in Nu en altijd. Dat zijn dan met name de columns waarin De Vos dicht bij huis blijft en taal en poëzie tot onderwerp kiest. Haar voorkeur voor Wislawa Szymborska en andere Poolse dichters, wier poëzie te pas en te onpas wordt aangehaald, neigt weliswaar naar idolatrie, maar dat neemt niet weg dat zij onderhoudend, beeldend en met gezag over poëzie, het nut en de betekenis ervan, weet te schrijven. In die stukken ontstijgt haar mening het niveau van theekrans en borreltafel. Hetzelfde geldt haar tot nadenken stemmende bespiegelingen over tijd en over onthouden en vergeten.

Het merendeel van De Vos' onderwerpen valt in de categorie 'geestelijk leven'. Zij staat daarmee in een lange NRC-traditie. Voor een no nonsense-krant als NRC Handelsblad, waarin de ratio, de materiële kant van het leven en het conservatief-liberale gedachtegoed de boventoon voeren, mag het opmerkelijk heten dat daarin, wellicht ter compensatie, decennialang mondjesmaat een plaats bleef ingeruimd voor overwegingen van onstoffelijke, of zelfs expliciet religieuze aard.

Na de vrijzinnig-protestantse dominee die in de jaren zeventig dit pastorale hoekje vulde, kwam Emmy van Overeem, die als gevolg van een religieuze overgevoeligheid de zweverigheid niet schuwde. Tot haar schrijfsels Gerrit Komrij te veel werden. In zijn woensdagse rubriek 'Een en ander' brandde hij haar, op de achterpagina van diezelfde NRC, tot de grond toe af. Van Overeem voelde zich dusdanig bezeerd door de vlijmscherpe pen van Komrij dat zij er de brui aan gaf.

Hoezeer de columns van De Vos ook associaties oproepen met die van haar voorgangster, dát zal haar niet gebeuren. Niet alleen doordat Komrij, ouder en wijzer geworden, zich inmiddels tot een ongekend milde opa heeft ontwikkeld, maar ook omdat De Vos, die in het dagelijks leven deel uitmaakt van de kunstredactie van NRC Handelsblad, dan haar baan zou moeten opgeven. Toch blijft het opmerkelijk dat bijvoorbeeld NRC-medewerker Rudy Kousbroek, die eerder de katholiek geworden Willem Jan Otten uit de kerk van de Handelsbladse Rede verjoeg, en die doorgaans een ongekende afkeer tentoonspreidt van al wat naar religieuze empathie zweemt, zich nog niet aan de columns van De Vos heeft vergrepen.

Hij zou daartoe voldoende aanleiding kunnen vinden. Want zij neemt het herhaalde malen op voor Otten en andere nieuwe bekeerlingen en oude gelovigen. Zij verbaast zich, overigens terecht, over de felle polemische toon waarop de bestrijders van religie, onder wie Kousbroek, tegen gelovigen tekeergaan, 'alsof er een of andere aantoonbare waarheid of onwaarheid mee gemoeid is'. Een debat hierover, gevoerd op het scherpst van de snede, is misplaatst en overbodig, aldus De Vos. Het gaat in het geloof om vragen die, al zijn ze per definitie onbeantwoordbaar, de moeite van het stellen waard blijven.

Haar eigen verlangen naar de geborgenheid die religie kan bieden, klinkt in deze columns duidelijk door. 'Kon ik maar geloven', verzucht De Vos als zij op het Griekse cycladeneiland Tinos armoedig geklede pelgrims met kinderlijke overgave ziet knielen voor een icoon. 'Kon ik maar op dezelfde manier knielen en vertrouwen in iets, geloven in het grotere, oudere, eeuwige dat in deze kerk tot uitdrukking wordt gebracht.' De Vos voelt zich buitengesloten. Er is geen weg terug. De kloof tussen willen en kunnen blijkt onoverbrugbaar.

Gelukkig heeft zo'n gemis ook voordelen. Het spleen van De Vos levert niet alleen tuttige columns op, maar ook een gedicht als 'Advent', opgenomen in Zeehond graag, waarin zij hetzelfde doeltreffender verwoordt: 'Je buigt het hoofd/ knielt eerlijke woorden fietst/ naar huis geen engel te zien.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden