Jagtlust

'Als een onbrandbaar moment / eeuwig als bevroren film / herinner ik me / hoe je fonkelend van sieraad / en angstige opmaak / grootogig de trap op kwam / van het theater'


Het theater was de Stadsschouwburg, de gelegenheid het boekenbal 1956, de vrouw de dichteres Fritzi ten Harmsen van der Beek. Ze besteeg de trap aan de arm van de Groningse schilder, tandarts en later vooraanstaand lid van de Insektensekte, Max Reneman. Vroeg in de ochtend verliet ze de schouwburg aan een andere arm, de mijne. We namen de eerste bus naar Blaricum en baanden, via een kortere route die de poëete wist, ons een weg door steeds dichter wordend struikgewas en bereikten ten slotte het huis waarin ik een paar jaar zou wonen, het landhuis Jagtlust, aan de Eemnesserweg.


'Dat grote, witte herenhuis dat daar dromerig stond uit te kijken over het Hollands weidelandschap.' Dit citeer ik uit Annejet van der Zijls Jagtlust (Meulenhoff, 1998), het boek dat het huis, lang alleen bekend bij de binnenwereld van de Amsterdamse bohème, faam bezorgde bij de buitenwereld.


Het huis werd in 1871 gebouwd door de steenfabrikant Haverkamp, die zich 'een woonhuis wenste met de allure van een 18de-eeuws jachtslot - balzalen van kamers, een oprijlaan en een naam die suggereerde dat het hier al eeuwen had gestaan'. Na zijn faillietverklaring (hij had zich vertild aan de bouwkosten van zijn droomhuis) wisselde het een paar keer van eigenaar tot het werd gekocht door een importeur van zuidvruchten, die zich 'een huis droomde met het uiterlijk van een 17de-eeuws buiten aan de Vecht'.


Toen ik er introk was het huis bezit van de Gemeente Amsterdam, die het voor een schijntje verhuurde aan Fritzi. Een schijntje, maar toch moeilijk op te brengen voor de inwonenden. We leefden van onze schulden. Ik had een zaal van een werkkamer met een potkacheltje, 's winters was het huis onbarmhartig koud.


'Geen water, de hele witte waanzinnige winter lang. De vorst had een buis, die over de lengte van het huis liep, uit elkaar doen barsten. Aan het aftapkraantje in de kelder hing een sik van ijs. De hoofdkraan zat ergens in de tuin onder de sneeuw verborgen, maar niemand wist precies waar.'


Deze regels komen uit mijn verhaal De kat die wegliep, waarin ik me inleef in de geest van de bewoonster. 'Ik houd van het huis. Meer dan normaal is, zeggen sommige mannen. Maar ik weet wel wat zij normaal noemen. Normaal zou zijn, als ik me meer aan hen dan aan het huis zou hechten. Normaal zou zijn als ik op hun huwelijksaanzoeken inging, als ik toegaf dat het een smeerboel in het huis is en dat ik in zo'n smeerboel niet thuis hoor.'


En een smeerboel was het. Hoewel zo af en toe begonnen, was schoonhouden van het huis onbegonnen werk. 'Wat waren we niet mooi in onze wanhoop/ rose in de badkamer/ katten overal.' Met het huis vervuilde ook onze relatie. Ik keerde terug naar Amsterdam en liet het huis zoals het was achter me.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden