JACOBUS CORNELIS BLOEM Dichter van het eeuwig onvervuld verlangen

Geboren: 10 mei 1887 in Oudshoorn. Stelregel: 'Dichten is afleren.' Eigenaardigheid: hield van elf-, twaalfjarige boerendeerntjes. Lievelingsdichter: W.B. Yeats. Gestorven: 10 augustus 1966 in Kalenberg....

ALEID TRUIJENS

HET DICHTERLIJK terrein dat hij bestreek, was niet groot. Hij had geen wijsgerige inslag. Hij was niet de geboren lyricus, die lucht gaf aan een overstromend gemoed. Hij bezong niet de natuur, noch het grotestadsleven of 'de menschheid'. Zelfs de liefde komt slechts mondjesmaat aan de orde. De poëzie van J.C. Bloem kent slechts één onderwerp: het verlangen. Het was de 'goddelijke onvervuldheid' die de dichter aan de gang hield. En het hart, het 'arme', 'lege', 'eenzame' hart is zijn hoofdpersoon. Het jonge hart is nog vervuld van hoop en passie, maar het weet zich al gauw, hoe warm en levend ook, ten dode gedoemd. Verloren zijn de prille wegen/ Om te ontkomen aan de tijd; Altijd November, altijd regen,/ Altijd dit lege hart, altijd... Daarover dichtte J.C. Bloem.

Zelf vond hij zich een minor poet: 'niet onaardig, maar geen Ronsard'. Zijn poëtisch instrumentarium hield hij welbewust klein. Vierregelige strofen vormen meestal één zin. Er is altijd rijm, gekruist of omarmend, en een straf metrum, de vijfvoetige jambe. Zelden is sprake van verpletterende beeldspraak of eigenzinnige woordkeus. Bij Bloem rijmt 'sterven' op 'derven', onder 'grijze luchten' klinken bij hem 'de diepste zuchten', en 'dood' volgt veelal op 'nood'.

Hij meende dat het mogelijk was 'om met de meest gebruikte en meest gekende beelden, in den gewoonsten versvorm, echte en oorspronkelijke poëzie te schrijven'. 'Een gedicht is beter', vond hij, 'naarmate men de woorden ervan minder merkt.' Bloem leverde het ene na het andere voortreffelijke bewijs bij die stelling. Toch stelde hij zijn beroemde tijdgenoot A. Roland Holst, zijn beste vriend Jany, wiens woorden luid om aandacht vroegen, ver boven zichzelf.

Bloem was geen veelschrijver. Zijn Verzamelde gedichten bevat 142 verzen, waarvan hij het merendeel voor zijn dertigste schreef. Pas in 1921 publiceerde Bloem zijn eerste bundel, Het verlangen. Of liever: de typograaf J. van Krimpen vroeg of hij de gedichten die in de tien jaar ervoor in tijdschriften hadden gestaan, mocht bundelen, en dat vond Bloem best. Uit een woest kolkende bron putte hij niet. Na 1921 druppelde er eens in de paar jaar een vers bij.

Het dagelijks bestaan bood weinig afleiding. Integendeel, het geklaag over zijn 'baantjes' vormt een constante in Bloems brieven. Zich spoeden naar 'inane daden', elke ochtend weer, was voor hem een ramp. Maar er zat niets anders op: familiekapitaal was er niet. Traditiegetrouw had hij rechten gestudeerd - zijn grootvader was minister, zijn vader burgemeester, Bloem griffier: geen opgaande lijn. Later betreurde hij de keuze voor een vak dat hem geen steek interesseerde. Letterkunde had het moeten zijn, en wel de Engelse.

Bloem beschouwde elk baantje als gevangenschap. Toestemming te moeten vragen om een brief te posten, brood mee in een pakje - de vernedering was voor hem bijna niet te dragen. Het langst - zeven jaar - hield hij het vol op de nachtredactie van de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Hij arriveerde er steevast te laat, altijd dronken en voerde er bijzonder weinig uit.

In 1926 trouwde Bloem met een 19-jarig meisje, de latere dichteres Clara Eggink. In 1927 werd hun enige kind, Wim, geboren. Bloem werd griffier in Lemmer, waar hij, zo schrijft zijn vrouw in haar Herinneringen aan J.C. Bloem, waakte over een kast met in beslag genomen vishengels. Veel literaire vrienden kwamen hem opzoeken in zijn 'Fries Cayenne': Marsman, Slauerhoff, Greshoff, Ter Braak, Du Perron. Bloem mocht in zijn poëzie een monomane treurwilg zijn, onder vrienden was hij een sprankelende causeur. En een stevig innemer.

Voor zijn vrouw bleek hij al tijdens hun eerste huwelijksjaren onbenaderbaar. Eigenlijk, schrijft Eggink, was hij iedere avond dronken en 'maakte dan alleen maar vriendelijke geluidjes'. Bloem 'leefde in een ander gebied', merkte zij, 'het gebied waar de grote verzen uit voortkomen'.

In Breukelen, de volgende post, liep het huwelijk stuk. Zij gingen apart wonen, het kind nu eens bij de een, dan bij de ander. Bloem kon slecht buiten zijn zoon: De eenige dien ik/ naast mij begeer.

In 1931 verscheen de bundel Media vita, de 21 gedichten die doorgaans als zijn beste worden beschouwd. Media vita in morte sumus - midden in het leven zijn wij in de dood, zo luidt het elfde-eeuwse gezegde waarvan deze titel is afgeleid. Daarover gaan deze gedichten: over het langzame sterven, waarbij af en toe heel even, 'domweg', het geluk oplicht. Dood: op de heuvelen alleen te blijven,/ Terwijl de herders keerden naar het dal. De titels van zijn laatste bundels, De nederlaag en Quiet though sad, zijn veelzeggend: de mislukking van het bestaan wordt erkend, de greep van de dood toegelaten.

Het wonderlijke aan Bloems poëzie is dat hij erin is geslaagd om met een zo beperkt gedachtegoed, met zulke geijkte middelen en zo weinig variatie poëzie te maken die nergens monotoon of banaal aandoet. Poëzie waarvan elke regel honderd procent Bloem is. Anders dan veel vernieuwende poëzie uit deze periode - zoals die van Gorter - is dit werk tijdloos. Het geheim van Bloems verstaanbaarheid laat zich niet gemakkelijk betrappen; vermoedelijk zit zijn meesterschap in de subtiele hantering van de syntaxis, waardoor clichés fris lijken en oude gedachten een nieuwe lading krijgen. Bloem zelf hield het erop dat een 10-jarige zijn poëzie moest kunnen begrijpen, maar dat je nooit tot spreektaal mocht vervallen. Veel meer valt er ook niet te analyseren aan volmaakte regels als Denkend aan de dood kan ik niet slapen,/ En niet slapend denk ik aan de dood.

Bloem was zelf literair criticus. In de loop van vijftig jaar schreef hij voor vrijwel alle dagbladen en tijdschriften. Om den brode, en met forse tegenzin. 'Schrijven over gedichten vind ik onder alle geschrijf nog het ergste', motiveerde hij de geringe lengte van zijn stukken. Poëzie was voor Bloem goed of niet goed. Vaak was ze niet goed omdat de intentie erachter niet deugde. Bloem rekende in zijn kritieken af met alle 'halfzachten', 'rooien' en utopisten in en buiten de literatuur. Hij liet zich kennen als een aartsreactionair, die een groot heimwee koesterde naar de veilige, predemocratische tijd van zijn jeugd, het laatste decennium van de vorige eeuw. Zijn afkeer voor alles wat 'modern' was, dreef Bloem, naarmate het uur U naderde, vanzelf in het verkeerde kamp.

Zijn enthousiasme voor het Italiaanse fascisme deelde hij aanvankelijk, eind jaren twintig, met andere kunstenaars, zoals Marsman, Engelman en Wichmann. Zij zochten aansluiting bij de geestelijke elite die de samenleving zou moeten sturen. Bij zijn aanval op de 'Joodsche wereld-kongsi' lieten zijn vrienden hem echter in de steek, en ook tijdens zijn korte NSB-lidmaatschap stond hij alleen. Zijn droom over de heilstaat verdween op slag na een ontmoeting met de burgerman Mussert, die zelden poëzie bleek te lezen. Tijdens de oorlog haastte Bloem zich pro-semiet te verklaren.

Na de oorlog was Bloem aan de beurt voor de lauwerkransen. In 1949 de Constantijn Huygensprijs; in 1952 de P.C. Hooftprijs. Zijn Verzamelde gedichten, verschenen in 1947, kreeg herdruk op herdruk, in grote oplagen. In 1965 - het kon nog net - ontving Bloem de hoogste literaire onderscheiding, de Prijs der Nederlandse Letteren.

Zijn laatste levensjaren zou hij doorbrengen aan de zijde van zijn ex-vrouw, die eind jaren vijftig een lapje grond had gekocht in Kalenberg, Overijssel. Voor J.C. en zijn 20 duizend boeken verbouwde ze de oude boerderij; zelf betrok ze een woonboot, een stukje verderop. Toen Bloem na een beroerte niet meer voor zichzelf kon zorgen, verpleegde ze hem langdurig.

Het was druk op het kerkhofje van Paasloo op 15 augustus 1966. Daar deed een lange stoet vrienden en lezers niet de charmantste minor poet van het interbellum uitgeleide, maar de onomstreden 'grootste' dichter van het land. Een grafschrift was snel gevonden: Voorbij, voorbij, o, en voorgoed voorbij, staat er in de grijze steen gebeiteld.

Aleid Truijens

Dit is de 28ste aflevering van een serie over honderd belangrijke Nederlanders van deze eeuw. De volgorde is chronologisch (op basis van geboortedatum).

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden