Jacob Kistemaker Schepper van splijtstof

Geboren: 23 april 1917 in Kolhorn...

Lid van: de Russische Academie van Wetenschappen alsmede de Orde van Vrijmetselaars.

Heeft de pest aan: collectieve onverdraagzaamheid, vooral van Amerikanen.

Was en passant: conservator Teylers Museum Haarlem, natuurkundige afdeling.

Credo: 'Er is geen vooruitgang in de wetenschap, alleen verandering.'

GEPASSEERD

Toon Hermans (1916).

ZIJN STOFJAS is legendarisch. Jacob Kistemaker had hem al aan toen hij op 6 november 1953 de eerste tien milligram lichtverrijkt uranium wist vrij te maken uit een geheime voorraad Nederlands uraniumerts. En hij trekt hem nog aan als hij nu en dan in zijn oude lab aan de rand van Amsterdam verschijnt.

Die jas, zegt de ruim tachtigjarige natuurkundige, is als de rituele vermomming van een krijger, het uniform van een soldaat, het keurslijf van de academicus. Zonder jas komt hij niet in zijn rol. Hij speelde een invloedrijk fysicus in na-oorlogs Nederland. En tegenwoordig een emeritus-hoogleraar met een hekel aan het verleden, tenzij het niet zijn eigen verleden is.

Het begon allemaal toen de kleine Jaap Kistenmaker 's nachts in een stikdonkere Noord-Hollandse weide stond - met het hoofd in de nek, gefascineerd door de sterrenhemel. Hij probeerde de maan in kaart te brengen en werd erom bespot door zijn bovenmeester: 'Als je maar niet denkt dat je er in de wereld komt met turen naar de maan.'

Niet dat Kistemaker het niet probeerde. Maar eenmaal op de Sterrenwacht in Leiden zinde de sterrenkunde, met dat eindeloze gereken aan meetgegevens van anderen, Kistemaker helemaal niet. Hij stapte over op natuurkunde, geconcentreerd rond het beroemde Kamerlingh-Onneslaboratorium.

Meetwerk aan isotopen, onderling iets verschillende atomen van eenzelfde chemisch element, was daar een bloeiend nieuw onderwerp. In mei 1945 had Kistemaker juist zijn doctoraal, en begon aan een promotie-onderzoek in hetzelfde lab, dat ondanks de bezetting open bleef. Tijdelijk directeur Wiersma probeerde zo plundering van het kostbare instrumentarium te voorkomen en te verhinderen dat zijn instrumentmakers naar Duitsland moesten.

Vlak na de bevrijding gaf de Leidse hoogleraar Hendrik Kramers zijn promovendus Kistenmaker een slap geel boekje, dat hij precies een etmaal mocht houden. Het was het Smyth-rapport, dat globaal uiteenzette hoe de Verenigde Staten de atoombom hadden ontwikkeld.

Het rapport was een schok voor niet-ingewijde fysici. Europa liep hopeloos achter op het gebied van de kernfysica. En op vrijwel alle wetenschappelijke kennis lag een Amerikaans embargo. Enkele weken voor Kistemakers promotie in november 1945 kreeg de Nederlandse regering van een aantal fysici, onder wie Kramers, het advies zelf een kernreactor te ontwikkelen. Bovendien leek het de heren nuttig zelf kernbrandstof uit uraniumerts te kunnen bereiden. Van dat erts had Nederland in 1939 onder strikte geheimhouding twintig vaatjes (van elk vijftig kilo) aangeschaft.

Natuurlijk uranium bevat maar een gering percentage dat geschikt is voor kernsplijting. Verrijking is nodig. In het Smyth-rapport staan diverse technieken om uranium te verrijken. Een daarvan is centrifugeren van gas, waarbij zware uraniumkernen van lichtere worden gescheiden door een mengsel met extreme snelheden rond te slingeren. De Amerikanen hadden wegens technische problemen - de centrifugetrommels en lagers bleken te zwak - voor een andere methode gekozen.

Kistemaker werd nog in 1945 naar het laboratorium van Niels Bohr in Kopenhagen gestuurd om kennis te nemen van een magnetische scheidingstechniek. Na zijn terugkeer, aanvang 1947, werd in Amsterdam begonnen met een installatie voor isotopenscheiding. Pas zes jaar later, op 6 november 1953, en een half jaar nadat Kistemaker leider van het project was geworden, was het eerste monster lichtverrijkt uranium van Nederlandse makelij een feit. Het nieuws trok grote internationale aandacht, omdat voor het eerst buiten de VS uraniumverrijking had plaatsgevonden.

De werkelijke doorbraak kwam echter eind 1954, toen Kistemaker toevallig hoorde over Duitse experimenten met isotopenscheiding tijdens de oorlog. Het Duitse ontwerp werd de basis voor een eigen Nederlandse centrifuge, waarmee Kistemaker in het grootste geheim experimenteerde in de schuilkelders van Werkspoor in Amsterdam. In 1960 slaagde de groep rond Kistemaker er voor het eerst in uranium meetbaar te verrijken in een geheel nieuw type ultracentrifuge met een wrijvingsloze en zelfrichtende lagering.

Kort daarop werd het project op Amerikaans verzoek staatsgeheim (net als in Duitsland, Engeland en de VS). Maar in het navolgende decennium werd de basis gelegd voor Urenco, een Nederlands-Brits-Duitse verrijkingsfabriek in Almelo. De fabriek, gebaseerd op Kistemakers technieken, gaf Nederland internationaal aanzien. Op 4 maart 1970 tekende minister Luns de contracten en drie jaar later kon het eerste verrijkte uranium aan de kerncentrale in Dodewaard worden geleverd.

Maar in eigen land groeide de onrust over de keerzijden van kernenergie en het gevaar dat in Almelo verrijkt uranium voor wapens kon worden gebruikt. Die onrust was al jaren gevoed door artikelen van Wim Klinkenberg in het communistische dagblad De Waarheid over Kistemakers oorlogsactiviteiten. Als promovendus had hij enige tijd in Parijs gewerkt voor de firma Cellastic, officieel een licentiehandel, maar in werkelijkheid een Duitse dekmantelorganisatie voor industriële spionage. Kistemaker, beweerde Klinkenberg, werkte mee aan een Duitse atoombom.

Die aantijging werd nooit hard, maar veel archiefmateriaal over wat er in Parijs gebeurde, is vernietigd. En Kistemaker zelf deed er het zwijgen toe. Pas in 1996, door de doctoraalscriptie van een Amsterdamse politicoloog, laaiden de beschuldigingen van collaboratie weer op en reageerde Kistemaker voor het eerst.

Hij was, zei hij, door het Kamerlingh Onneslab juist naar Parijs gestuurd om uit te vinden wat Cellastic in zijn schild voerde. 'Het was contraspionage, maar niemand heeft de moeite genomen dat te noteren.'

Begin jaren zeventig raakte Kistemaker in hevig conflict met een nieuwe, linkse generatie promovendi van zijn instituut in de Watergraafsmeer, die openlijk kanttekeningen plaatsten bij de Nederlandse plannen voor meer kerncentrales. Hij verstrekte hen een spreekverbod, op straffe van ontslag. In progressieve kring was Kistemakers naam daarmee definitief besmet.

Maar zo rigide als deze manager in labjas kon optreden, zo losjes bewoog hij zich langs talloze wetenschappelijke onderwerpen. Het FOM-instituut in de Watergraafsmeer breidde onder zijn leiding uit tot een internationaal gerespecteerd lab voor onderzoek naar materiaaleigenschappen op atomaire schaal. En tegelijk verdiepte de hoogleraar-directeur zich ook nog in esoterie, telekinese en kabbalistiek.

Na zijn pensionering (1982) ontving Kistemaker, zijn hele leven enthousiast amateur-astronoom gebleven, van de directeur van het sterrenkundig observatorium in Peking een historische sterrenatlas, met de vraag die in het Westen te publiceren.

Kistemaker raakte gegrepen, leerde Chinees en begon een uitgebreid onderzoek naar de relatie die de Han-Chinezen legden tussen verschijnselen aan de hemel en op aarde. In 1997 publiceerde hij er een standaardwerk over. De sterrenhemel van tweeduizend jaar geleden bracht hem voor het eerst in tientallen jaren in de belangstelling zonder dat zijn eigen onheldere verleden werd opgerakeld.

Martijn van Calmthout

Dit is de 67ste aflevering van een serie over honderd belangrijke Nederlanders van deze eeuw. De volgorde is chronologisch (op basis van geboortedatum). Onder het kopje Gepasseerd staan de namen van tijdgenoten die de tophonderd niet hebben bereikt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden