Ja, maar zo gáát het nu eenmaal bij ons

Beeld The Atlantic

Onlangs kreeg ik een boekje in bezit van de driekwart eeuw geleden beroemde romanschrijfster Madelon Székely-Lulofs. Het heet Onze bedienden in Indië en behelst een soort handleiding voor de omgang van Nederlandse 'expats' met hun Indische personeel, in de jaren veertig van de vorige eeuw.

'Eigenlijk hangt het alleen van den knecht af of dienen een onrecht is of een privilege. Het hangt af van zijn meesterschap in de kunst van het dienen', aldus de eerste zinnen van het boekje. Daar ging ik menig verbijsterend momentje aan beleven, begreep ik meteen, en inderdaad, wat volgt is één grote vergoelijking van 's Neerlands dubieus gezag in de toenmalige koloniën.

Hoofdpersoon is de oude baboe Sitih, die elk cliché over koloniaal personeel in zich verenigt. Ze is trouw, heeft weinig nodig, sjoemelt een beetje met het huishoudgeld maar maakt het niet te bont, kookt, wast, bestiert het overige personeel, een bonte stoet van tuinjongens, stalknechten, lantaarnopstekers en waterdragers met elk hun onwrikbare plaats in de personeelshiërarchie, onderhandelt met verkopers, slaapt op een matje, helpt haar 'njonja' (mevrouw) met de bevallingen, verzorgt de eindeloze stroom blanke baby's liefdevol dag en nacht; dit alles voor 6 gulden per maand. Ik heb opgezocht wat de koopkracht van 6 gulden was in 1946: het equivalent van 37,50 euro.

De Sitih in het boek is trouwens dik tevreden. 'De verplichtingen van de macht wil zij niet dragen, omdat die macht niet en nooit werkelijk, blijvend, de hare zal zijn. Aan njonja zal de macht terugvallen, blijvend, daarom is aan njonja ook de plicht dier noblesse.'

Met een mengeling van verontwaardiging en hilariteit las ik het boekje uit. Pure uitbuiting met als motto 'die mensen daar willen het zélf zo'. Gelukkig liggen die schandalige tijden ver achter ons.

Maar, toevallig de volgende dag, las ik een lang, indrukwekkend en vreselijk verhaal in het Amerikaanse literair-culturele tijdschrijft The Atlantic: 'My family's slave'. Het is het relaas van de Filipijns-Amerikaanse journalist Alex Tizon, die vertelt hoe zijn familie 56 jaar lang een slavin in dienst had, eerst in de Filipijnse hoofdstad Manilla en daarna in de USA. Het meisje, Lola, kwam uit een doodarm Filipijns plattelandsgezin. Ze was 18 toen ze door Tizons grootvader 'cadeau werd gegeven' aan Tizons moeder en zou de rest van haar leven bij de familie blijven. Ze deed het huishouden, voedde de vijf Tizon-kinderen liefdevol op, kreeg niet betaald, werd uitgescholden, vernederd en sliep in een berg wasgoed.

Tizon beschrijft hoe hij er op zijn 11de, begin jaren zeventig, achterkomt wat Lola's positie in het gezin is en hoe hij in opstand komt tegen zijn ouders, die zijn woede niet begrijpen. Hoe komt hij erbij om Lola een slavin te noemen? Ze is een soort familielid! En trouwens, wie moet er ánders koken en schoonmaken? Eenmaal volwassen neemt Tizon de inmiddels bejaarde Lola (nu vrijwillig) zelf in huis, waar ze eindelijk als een wérkelijke oma bejegend wordt.

Lees de afloop van het verhaal vooral zelf. Het verhaal 'ging viraal' zoals dat tegenwoordig zo lelijk heet, en is gratis te lezen op de site van The Atlantic. De wereld was verbijsterd, maar vanuit de Filipijnen kwamen ook vergoelijkende woorden: 'Ja, maar zo gáát het nu eenmaal bij ons. Voor doodarme meisjes is kost en inwoning beter dan niets.'

Hoe lang nog?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden