Column

Ja, ik ben naar de film La La Land geweest

Gehuld in de juiste kleding kun je overal verstand van hebben.

Beeld uit La La Land.

Ik wil dansen. Op straat. Ik wil iets zingen voor een open raam en hopla, daar buitelen zes vrouwen, gekleed in gele jurkjes, naar buiten. Ik dans om ze heen, ik zing over de zonsopgang en dan verschijnen opeens 140 vuilnismannen op het trottoir en die zingen allemaal dat ze van mij houden. Aan het eind van het liedje sta ik vooraan, doe mijn armen wijd en achter mij vlamt Leiden op in goudgeel licht.

Ja, ik ben naar de film La La Land geweest. Een eigentijdse, schaamteloos romantische musical. Zo werkt het in deze barre tijden. We kijken op 31 december naar een handige samenvatting van het jaar en in het donker, tussen wildvreemde mensen, dromen we van een wereld vol kleur en zang. Zo voelde dat dus, vlak na de Tweede Wereldoorlog: de zaal uit lopen met anderhalf uur dansen en zingen achter je kiezen.

De film herinnerde mij, na de aanvankelijke euforie, aan een inktzwarte periode in mijn leven. In 2001 zat ik, tot mijn eigen stomme verbazing, opeens als filmdeskundige in een televisieprogramma. Café Hollywood heette het en het werd gepresenteerd door Isa Hoes en René Mioch. Drie dagen voor de uitzending werd besloten dat ik andere kleren aan moest. René Mioch zag eruit als René Mioch, Isa Hoes zag er toen ook al heel erg uit als Isa Hoes en mij wilden ze zo weinig mogelijk op Nico Dijkshoorn laten lijken. Ik werkte overdag in een bibliotheek.

Ik moest met een meisje naar een modezaak in Laren om allerlei truien te passen. Ik zei toen niet: maar ik draag nooit een trui. Ik zei: die met die sneeuwvlokjes vind ik wel leuk. Twee dagen later keken al mijn vrienden verbijsterd hoe ik met mijn onherkenbaar geschminkte kop in een Albert Verlinde-trui net deed alsof ik verstand had van films.

Dat was niet zo. Ik keek twee films per jaar. Met tegenzin. Toch leek het de redactie een goed idee als ik naar een persbijeenkomst zou gaan van de film Fighting Fish, de eerste Nederlands-Oosterse vechtfilm. Chantal Janzen speelde de hoofdrol.

Ik reisde af naar een loods in Rotterdam, waar ik tot mijn grote schrik werd opgewacht door een filmploeg en zes mannen die in de film de vechtscènes hadden gevochten. Het ging hier, werd mij door een pr-dame uitgelegd, niet om vechten maar om Martial Art. Kunstzinnig om elkaar heen draaien met wijd open ogen. Ik vroeg waar Chantal was.

Ik moest op een stoel gaan zitten en daarna werden vier scènes voor mij nagevochten. De volgende dag zat ik gewoon weer boeken te stempelen, maar dat wisten die jongens niet. Ik maakte af en toe, voor de vorm, een aantekening. Geen idee waar ik naar keek. Chantal Janzen was nog steeds nergens te bekennen.

Die arme jongens. Ik wist niets en ik vond er helemaal niets van, ik hield niet van vechtfilms en toch zat ik daar ongenaakbaar de expert uit te hangen. Na het vechten werd ik geïnterviewd voor een jongerenprogramma. Of ik had genoten.

Een week later zaten mijn vrienden weer verbijsterd voor de televisie. Ze zagen mij in een heel raar jasje uitleggen dat deze manier van vechten mij deed denken aan Oost-China. Rechtsboven in beeld verscheen de volgende tekst: Nico Dijkshoorn, vechtsportdeskundige.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden