Israëlische auteurs over het schijverschap in 2017: 'voor mij is taal een kwestie van leven en dood'

Kun je je als hedendaagse Israëlische schrijver onttrekken aan de gespannen politieke situatie? De Volkskrant vroeg het Amos Oz en vier andere auteurs.

Beeld Monique Bröring

Drie jaar geleden, in Jeruzalem, nodigde een orthodox Joods gezin me uit voor Chanoeka. Het gezin bestond uit een vader, die rabbijn was, een moeder en twee dochters. Nadat de rabbijn een meanderend betoog had gehouden over een vriend van hem die ooit een flesje zoutzuur in zijn gezicht gegooid had gekregen door een Arabier, een verhaal dat nu eens ernstig en dan weer absurdistisch was, trok ik de stoute schoenen aan en vroeg waarom ze eigenlijk niet verhuisden. Gewoon, opnieuw beginnen, een prettig huisje in een Amerikaanse buitenwijk misschien? De combinatie van het autoritaire zelfvertrouwen van de man en het feit dat ik zijn vrouw en dochters geen hand had mogen geven, had iets puberaals in me losgemaakt. De man keek me verbijsterd aan en vroeg: 'Vraag je een vis soms waarom hij de zee verkiest boven het land?'

Het is een zin die me tijdens mijn maand in Israël, in dit jubileumjaar van de zogenaamde 'Bevrijding' van wat nu de 'bezette' gebieden heten, regelmatig te binnen schiet. Retorisch gezien is de zin perfect, de Bijbelse allure tastbaar. Maar even indrukwekkend is de kinderlijke koppigheid die erachter steekt, de vechtlust. Israël is een land met een immense intellectuele traditie, maar heeft ook een geschiedenis van geharde strijders, van vechtersbazen. Soms zijn het dezelfde mensen. Het is een land dat altijd één hand op het zwaard heeft liggen, en tegelijkertijd bestaat bij de gratie van het woord.

Beeld epa

Amos Oz (1939), Ari Shavit (1958), Etgar Keret (1967), Nir Baram (1976) en Noa Suzanna Morag (1988): het zijn schrijvers die zich in romans, opinieartikelen en reportages allen op hun eigen manier verhouden tot de zwaard-of-woordkwestie, oftewel de vraag naar het verband tussen de roerige dagelijkse werkelijkheid en literatuur. Ik vroeg hun hoe het is om een Israëlische schrijver te zijn in 2017. Kunnen zij besluiten met geen woord over de gespannen politieke werkelijkheid te reppen of 'moeten' zij geëngageerd zijn? Hebben zij naast literaire ook morele plichten? Zo ja, welke dan?

Volgens Amos Oz heeft een schrijver maar één morele plicht: die tot precisie. Hij formuleert behoedzaam, terwijl zijn houding vooral comfort uitstraalt: de handen achter het hoofd gevouwen, de benen gestrekt. In zijn ruime, met boeken gevulde verdieping nabij de universiteit van Tel Aviv verkeert hij vrijwel in horizontale positie. 'Vergis je niet, precisie is naast een esthetische ook een morele eis. Zoveel kwaad wordt geboren in boeken, sla de geschiedenis er maar op na. Zoveel geweld, zoveel vooroordelen, zoveel misverstanden vinden hun oorsprong in verraderlijke of niet-precieze woorden. Voor mij is taal een kwestie van leven en dood.'

Oorspronkelijk, legt Oz uit, was de Hebreeuwse literatuur sterk verbonden met de Oost-Europese, Slavische literatuur van de voorouders die in de 19de of 20ste eeuw vanuit Rusland en Oekraïne naar het Beloofde Land trokken. 'Dat was een sterk sociaal-maatschappelijk gemotiveerde soort literatuur, en daaruit vloeide voort dat de schrijver iemand was die zei hoe het allemaal moest. Hij had een actieve sociale en morele rol. Dat heeft de moderne Hebreeuwse schrijver niet meer, die heeft zich grotendeels losgemaakt van die literatuuropvatting en loopt niet langer rond in de High Street of History. Dat is een literair feit, waarover ik geen waardeoordeel uitspreek. Een goed boek hoeft van mij niet geëngageerd te zijn. Het moet nieuwsgierig zijn, dat wel. Verbeeldingskracht en nieuwsgierigheid naar anderen, het zijn de enige mogelijke remedies voor fanatisme en fanatici.'

Beeld Monique Bröring

'Van oudsher is de Hebreeuwse schrijver een soort seculiere rabbijn', legt journalist en voormalig columnist van de linkse krant Haaretz Ari Shavit uit. Recentelijk schreef hij Mijn beloofde land, een groots historisch werk waarin hij aan de hand van zestien doorslaggevende momenten in de Israëlische geschiedenis de huidige staat van het land inzichtelijk en invoelbaar maakt. Het boek werd een bestseller in Amerika. 'Die staat van het land heeft drie oorzaken: ten eerste is er inderdaad de Slavische traditie. Ten tweede zijn er de Joodse, Bijbelse wortels. Maar er is nog een belangrijke derde oorzaak: namelijk dat de jonge staat Israël in de jaren vijftig, zestig en zeventig intense behoefte had aan een publiek geweten, een filosofische stem die de zaken uitlegde en van commentaar voorzag. Van nature steunt de Joodse identiteit op boeken, die je eigenlijk moet zien als draagbare tempels. Dus het is volstrekt vanzelfsprekend dat we in die vroege jaren naar de mensen achter het boek keken. De schrijvers beantwoordden die lokroep door zich niet bezig te houden met frivoliteiten, liefde of persoonlijke sores. Eerst traden de schrijvers die hadden meegevochten in de oorlog van 1948 op de voorgrond, daarna namen de schrijvers die hadden meegevochten in de oorlog van 1967 het stokje over.'

Onder hen een jonge Amos Oz. Oz vertelt dat zijn leven wordt gekenmerkt door twee fundamentele behoeften: vertellen en schreeuwen. 'De eerste behoefte hoef ik denk ik niet uit te leggen. Ieder kind jonger dan 3 luistert graag naar verhalen, en iedereen van 3 jaar of ouder wil dat er naar hem geluisterd wordt. Het schreeuwen is voor mij net zo belangrijk. Nadat Israël in 1967 een spectaculaire overwinning had behaald in de Zesdaagse Oorlog - ik was reservist bij een tankdivisie - woedde er een debat over wat er met de bevrijde gebieden moest gebeuren. Toen schreef ik, op mijn 29ste, een controversieel stuk waarin ik stelde dat alleen mensen bevrijd kunnen worden. Geen gebieden, geen territoria, slechts mensen. Israëliërs waren nog helemaal niet klaar voor die boodschap, iedereen was nog dronken van de overwinning. Bovendien was niemand, met de Holocaust nog vers in het geheugen, in staat zichzelf als bezetter te zien. De gedachte was blasfemisch. Toen schreeuwde ik, in metaforische zin althans. Maar ook toen was de basis taal. Ik was als een leraar die zijn leerlingen vroeg de taal alsjeblieft goed te gebruiken, voordat er ellende van zou komen.'

Maar wat als de leerlingen niet zitten te wachten op een leraar? 'Dan noemen ze je een verrader', zegt Oz met een twinkeling in de ogen. 'Geloof me, ik ben vaker een verrader genoemd dan een goede schrijver. Dat is het nadeel van schreeuwen: je schreeuwt nooit op de juiste manier. Volgens sommigen ben ik niet radicaal genoeg, volgens anderen ben ik te rechts, volgens weer anderen had ik me nog meer tegen de bezetting moeten verzetten. Ben ik nu een Arab lover of een vuile zionist? Is het doorslaggevende bewijs misschien in mijn fictie te vinden? Nee, een roman is geen manifest, je kunt eindeloos zoeken naar een kern die zwart of wit is, maar die vind je niet.' Vroeger raakte de verwensing 'verrader' hem, maar dat is lang geleden. 'Nu troost ik me met de wetenschap dat ik me in een gedistingeerde groep schrijvers, staatslieden en dichters begeef die verraders zijn genoemd. Elke keer dat iemand me zo noemt, zet ik in gedachten een streepje op mijn lapel.' Inmiddels is zijn vrouw erbij komen zitten. Ze zegt dat het wel minder wordt, de haatmails, de bedreigingen. Voornaam schudt hij het hoofd. Hij vertelt haar gewoon niet alles meer.

Oz schreeuwt steeds minder vaak. Niet omdat er geen misstanden meer zijn, maar omdat hij vermoeid is. Tv-optredens, van de ene naar de andere betoging rijden; hij kan het fysiek niet meer opbrengen. 'Bovendien', zegt hij, 'is schreeuwen meer iets voor jonge mensen. Jonge stemmen kunnen meer geluid voortbrengen.'

Een van die jonge stemmen is Nir Baram, die naast zijn romans, die in Nederland goed werden ontvangen, vorig jaar een non-fictiewerk en dit jaar een documentairereeks wijdde aan zijn reizen door de bezette gebieden. Baram valt het best te beschrijven als een idealist die vindt dat zijn idealisme hem te weinig heeft gebracht. Daarom is hij, op een laconieke manier welteverstaan, vrij pessimistisch geworden. Bijna automatisch beantwoordt hij mijn eerste vraag: een schrijver heeft geen verantwoordelijkheid, ook een Israëlische schrijver niet.

'Goed', geeft hij na een paar koppen koffie toe, 'de Israëlische schrijver erft een zekere positie. Van oudsher is hij Watcher of the House of Israel. Amos Oz heeft die traditie voortgezet, maar hij is de laatste der Mohikanen. Als die positie überhaupt nog bestaat, zitten jongere schrijvers er niet op te wachten. Dat betekent niet dat mijn werk losstaat van de tijd waarin ik leef. Ik ben opgegroeid in een familie van politici en zakenmensen, betrokken types die de wereld wilden veranderen. Een voor een zag ik hun idealen sneuvelen. De oplossingen waarnaar hun generatie verlangde, en iemand als Oz evenzeer - ik geloof er niet in. Niet meer. Neem de bezette gebieden. Tweestatenoplossing, Eénstaatoplossing, het zijn maar woorden, het zijn lege hulzen, het is namaak. De echte tragedie is dat er geen oplossing bestaat. De kiem van het conflict met de Palestijnen is niet te vinden in 1967, maar in 1948. Met andere woorden: het conflict is verbonden met het ontstaan van de staat Israël.'

Beeld Nuka Gambashidze

Volgens Ari Shavit moeten we zelfs nog verder terug. Namelijk naar 1897, toen de Britse zionist Herbert Bentwich een excursie leidde naar het Land van Israël en begon te fantaseren over de stichting van een staat. Hij stond op een heuvel en keek uit over het land. Hij keek, maar zag niet de vele Palestijnse steden en dorpen die voor zijn droom zouden moeten wijken. Baram: 'Welke wijze van dateren je ook hanteert, het is een ongekend diepgeworteld probleem. Als je het wilt oplossen moet je de boel ontwortelen. En dat wil niemand op zijn geweten hebben. Ik ben op vele manieren betrokken geweest bij het conflict, als soldaat, als activist, als demonstrant. Ik heb familie die ik niet kan bezoeken door de huidige politieke situatie. Ik heb gestreden voor waarden die nu grotendeels verloren zijn gegaan. Maar mijn blik op de zaak veranderde toen ik zag hoe groot het verschil was tussen wat mensen zeiden en wat ze deden. Antikapitalisten die het kapitalistische systeem in stand hielden, media die zich lieten beknotten, het Westen dat schande sprak van de bezette gebieden, maar niets deed. Dat grote verschil, die kloof, wilde ik onderzoeken, niet om een moreel oordeel te vellen, maar om het te begrijpen.'

In zekere zin belichaamt Baram een reactie op Oz: een schrijver die door naar zijn familie en zijn literaire voorgangers te kijken heeft geleerd dat schreeuwen niet werkt en nu onderzoekt waarom. 'Overigens', zegt Baram, 'ben ik er helemaal niet zo zeker van dat Oz zit te wachten op schrijvers die zijn rol overnemen. Volgens mij wil hij die eremantel niet overdragen, en dat begrijp ik ook, het is een deel van wie hij is. Iemand die onlosmakelijk verbonden is met de geschiedenis van Israël.'

Het beeld van de traditionele Hebreeuwse schrijver als seculiere rabbijn wordt onderschreven door Etgar Keret, die zijn verhaal doet in zijn lievelingscafé. Het café is onlangs, na een brand, op instigatie van de rabbijn van naam is veranderd - iets wat niet zou misstaan in een van Kerets absurdistische verhalen

'Het waren respectabele leidsmannen, morele figuren van aanzien, het waren halve politici. Als ik op een school zeg dat ik schrijver ben, vragen ze hoe dat mogelijk is, gezien het feit dat ik nog leef. Onze literatuur stamt rechtstreeks af van Mozes en Abraham, dus het duurde lang voordat men dat aureool durfde af te schudden. Ik heb die traditie altijd als beperkend ervaren. Ik zie elk verhaal als een avontuur, en om op avontuur te kunnen gaan moet ik me helemaal vrij voelen. Als ik mezelf een plaats zou moeten geven in de letteren is het eerder die van nar dan die van burgemeester. Het is makkelijk om gedeprimeerd te raken in dit land, je hoeft maar uit het raam te kijken. Het is veel moeilijker, en ook interessanter, om mensen te bewegen iets beter over anderen te denken.' Wat Keret beschrijft, is in zekere zin dus een humanitair doel.

Keret spreekt snel en enthousiast, het is een stroom van voorbeelden en metaforen. Het schrijven van verhalen ervaart hij bijvoorbeeld als biechtsessies. Het schrijven van opinieartikelen over de staat van het land, over de bezetting of de oorlog in de Gazastrook vergelijkt hij met het doen van de afwas: het moet, maar hij wil er zo snel mogelijk vanaf zijn. 'Eigenlijk', zegt hij besmuikt, 'voelt het schrijven van non-fictie aan als een verspilling van mijn ideeën, van mijn energie. Het beste scenario bij zo'n stuk is dat je op straat wordt nageroepen. Het slechtste scenario is dat mensen mijn gezin met de dood bedreigen. Ik ben niet zo'n goed mens, ik ben geen held. Amos Oz, David Grossman, maar ook Nir Baram, die ik als directe afstammeling zie van Oz, dát zijn mensen die de werkelijkheid willen verbeteren door haar te beschrijven. Ik beschrijf de werkelijkheid niet, ik vervorm de werkelijkheid net zolang tot ik een zekere universele waarheid heb gevonden. En ik ben ook nog eens een lazy bastard.

'Als ik over straat loop met mijn vriendin en we zien afval liggen, dan zegt zij: 'Laten we dat even opruimen.' Waarop ik antwoord: 'Laten we boodschappen doen, en hopen dat iemand anders het doet.' Meestal krijg ik dan gelijk.'

'Schrijvers voelen zich minder geroepen zich uit te spreken dan vroeger', zegt Shavit, 'én hun woorden zijn minder belangrijk geworden. Vanaf de jaren tachtig is de macht van de intellectueel gestaag geslonken. Er kwam maar geen oplossing voor de grensconflicten, Israël verloor de steun van Europa, en ondertussen bleef links doen alsof er niets aan de hand was, waardoor het zichzelf op termijn uitholde. Er is een intellectueel en literair vacuüm ontstaan, waar geen van de jonge schrijvers in is gesprongen. Dit is overigens een miniatuur van het grotere probleem: dat vrijwel alle van oudsher linkse bronnen van wijsheid en sturing, de kranten en de universiteiten, intellectueel failliet zijn. Ik verwijt Keret of wie niets, ze moeten schrijven wat ze willen, maar tegelijkertijd betreur ik dat vacuüm vanuit een sociologisch perspectief zeer. We hebben principes nodig, normen en waarden. Israël heeft ernstige behoefte aan participanten.'

Soms is Keret wel degelijk participant in plaats van toeschouwer. 'Enkele jaren geleden werd er druk uitgeoefend op toneelgezelschappen om bij wijze van boycot geen voorstellingen te geven in de bezette gebieden. Ik deed daar niet aan mee. Het is mijn roeping individualiteit ten koste van alles te beschermen en te bepleiten. Mijn plek in het debat is dan ook vreemd. Ik heb geen coherente set van principes, met als gevolg dat ik word gehaat door rechts, maar ook niet persé geliefd ben bij links.'

Weinig jonge schrijvers voelen zich geroepen om dat zogenaamde vacuüm te betreden, zegt Noa Suzanna Morag, die vorig jaar debuteerde. Zij vindt dat Israël geobsedeerd is door het verleden. 'De Bijbel, de Holocaust, de stichting van ons land; het zijn belangrijke onderwerpen, begrijp me niet verkeerd, maar er is toch meer om over te schrijven? Goed, met enige goede wil kun je nog wel schrijvers vinden die het over het heden hebben, maar vrijwel niemand heeft het over de toekomst. En dan bedoel ik niet zozeer de toekomst van ons land, maar de toekomst van de wereld. Mijn generatiegenoten en ik zijn opgegroeid in een gemondialiseerde wereld, landsgrenzen zijn voor ons allang niet meer heilig. Mijn debuut, dat bestaat uit drie novellen, gaat over een webdesigner, over het leven op een kantoor, over een supermarkt waar oude merken weg worden geconcurreerd. Het gaat kortom over kapitalisme, postkapitalisme, over technologie en digitale werkelijkheden. Het is een kritisch boek, dat ik ook niet apolitiek zou noemen, maar nee, ik schrijf niet over de bezette gebieden. Ik ben geen Watcher of the House of Israel. Dat huis blijft zonder mij ook wel staan. Traditie is voor mij geen vertrekpunt. Ik ben me bewust van de illustere voorgangers, maar het heeft geen zin me door dat bewustzijn of door vage plichtgevoelens te laten leiden. Als ik een literair voorbeeld moet noemen is het Michel Houellebecq, misschien wel de meest amorele, dwarse, onverantwoordelijke schrijver die op aarde rondloopt. Voor mij zijn Europese en Amerikaanse boeken even belangrijk als Israëlische.

'Weet je wat grappig is? Volgens mijn redacteur is mijn syntaxis, de manier waarop ik mijn zinnen bouw, eerder Amerikaans dan Hebreeuws. Toen ze dat zei, dacht ik eerst: waar heb je het over? Maar inmiddels heb ik het omarmd. Het is nu eenmaal mijn stijl.'

Of ze nu graag schreeuwen of niet, de Israëlische schrijvers hebben twee dingen gemeen: ze moeten zich zien te verhouden tot een intimiderend lange verhalende traditie en een bijzonder complexe politieke situatie. Maar verhuizen zullen ze nooit. En laat niemand het ooit wagen hun te vragen waarom een vis de zee verkiest boven het land.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden