Interview Moshe Ben-Yehoeda

Is Israël de droomstaat geworden die de onafhankelijkheidsstrijders van 70 jaar terug voor ogen hadden?

Het is maandag 70 jaar geleden dat de onafhankelijkheid van Israël werd uitgeroepen. Moshe Ben-Yehoeda vocht als tiener voor de komst van de Joodse staat. ‘Over politiek praat ik niet. We hebben een ­eigen staat, dat is het belangrijkste.’

In de straten van Tel Aviv wordt de onafhankelijkheid van Israël gevierd. De foto is genomen enkele uren voordat het Britse mandaat over Palestina zou aflopen. Foto AFP

‘Voor mij is dit een soort Via Dolorosa.’ Zoals een christen de lijdensweg van Jezus in Jeruzalem afloopt, zo beklimt de 87-jarige Moshe Ben-Yehoeda deze eenvoudige trap in een museumpand in Tel Aviv. Op de bovenste verdieping van het gebouw is zijn held, de strijder Avraham Stern, vermoord door de Britten, de toenmalige heersers over Palestina. Het gebeurde zes jaar voordat zijn droom van een ­eigen Joodse staat in 1948 werkelijkheid werd.

Als tiener trad Ben-Yehoeda toe tot de ondergrondse strijdgroep van Stern, die bekendstond onder zijn nom de guerre Yair. De groep heette ­voluit ‘Strijders voor de vrijheid van Israël’, bekend onder de afkorting Lehi of de bijnaam ‘de bende van Stern’. Het beroven van banken was een belangrijke bron van inkomsten voor het gewapend verzet.

Ruim duizend man sterk belichaamde de groep het gewelddadige Joodse verzet tegen de Britten, en ­later de Arabieren, die de stichting van een Joodse staat in de weg stonden. Lehi voelde zich verraden, want Groot-Brittannië had decennia eerder met de Balfour-verklaring ‘een nationaal huis voor het Joodse volk’ in ­Palestina in het vooruitzicht gesteld. Maar sinds het in 1920 Palestina als mandaatgebied begon te besturen, was het die belofte niet nagekomen.

Jonge Israëliërs

In het Lehi-museum in Tel Aviv is Ben-Yehoeda nog vrijwel dagelijks te vinden. Om jonge Israëliërs – onder wie veel soldaten – duidelijk te maken hoe zwaar de strijd voor onafhankelijkheid was, en met generatiegenoten te praten over ervaringen van destijds. Veel hoogbejaarde strijders zijn nog in leven. ‘We hadden allemaal schuilnamen, om onszelf te beschermen. Je wist niet wie je medestrijders waren, zodat je niemand kon verraden. Een buurman bleek erbij te horen, maar ik wist van niets.’ Een andere Lehi-strijder, de latere premier Yitzhak Shamir, had als strijdnaam Michael.

Ben-Yehoeda, alias Gioria, beschouwt zichzelf als een radertje in de gevechtsmachine waar Yair de Lehi-groep in omvormde. Hij moet lang nadenken over de vraag of hij zich ook beschouwt als een van de stichters van de staat Israël. ‘Onze leider Yair heeft altijd gezegd: hoe groot of klein je bijdrage ook is, je helpt eraan mee een eigen staat te creëren.’

Als baby emigreerde Ben-Yehoeda met zijn ouders vanuit Den Haag naar wat toen nog Palestina heette. Maar een band met Nederland heeft hij niet. Zijn ouders – de uit Polen afkomstige vader Naftalie had in Nederland zijn moeder Cyla leren kennen – wilden hun zoon een ultraorthodoxe ­opleiding bieden. Mozes, zoals Moshe ingeschreven stond bij de burgerlijke stand in Den Haag, ging naar een ­yeshiva (religieuze opleiding) in Tel Aviv.

De lessen werden gegeven in wat niet meer was dan een grote hut. Op een dag hoorde hij van een leraar: ‘De Britten willen een Jood ophangen, we moeten voor hem bidden.’

Hij was 6 jaar, maar herinnert zich nog hoe geschokt hij was. Met verontwaardiging: ‘De man had een bom gegooid naar een bus met Arabieren. Niemand werd gedood of raakte gewond. Maar de Britten wilden een daad stellen, ze hadden al Arabieren geëxecuteerd die Joden aanvielen. De balans moest, zogezegd, worden hersteld.’

De Britten hadden de grootste moeite om de Arabieren en de groeiende groep Joden, die vooral in de ­jaren dertig vanuit Europa naar Palestina kwamen, onder de duim te houden. Naast Lehi waren er nog enkele ondergrondse groeperingen, waaronder Irgoen onder leiding van de ­latere premier Menachim Begin. Het beroemdste wapenfeit van Irgoen is het opblazen van het Britse hoofdkwartier in Jeruzalem, in het King ­David-hotel.

Britse vijand

Als tiener hoorde Ben-Yehoeda over het tragische lot van Joden in Europa, en degenen die aan het nazi-bewind probeerden te ontsnappen. Zoals de ruim zevenhonderd opvarenden van het schip Stroema dat in 1943 vanuit de Zwarte Zee koers had gezet naar ­Palestina. De Britten wilden hen ­weren, en hielden het schip tegen in de ­haven van Istanbul. Toen de Turken de Stroema lieten gaan, werd het getorpedeerd door een Russische onderzeeër. ‘Slechts één Jood overleefde het.’

‘Ik moest iets doen’, dacht Ben-­Yehoeda, en sloot zich op 14-jarige leeftijd aan bij Lehi. ‘Niet bij Irgoen, want die had de strijd tegen de Britten opgegeven omdat ze met andere geallieerden tegen de nazi’s vochten.’

In Tel Aviv ging hij ’s nachts de straat op om posters op te hangen die de Joodse gemeenschap opriepen zich tegen de Britse machthebbers te keren. Hij ‘observeerde’ Britse militairen en agenten. Ook wist hij beslag te leggen op ‘Britse apparatuur’, zoals een schrijfmachine en een drukpers. ‘Vraag me niet hoe, daarover hebben we altijd gezwegen.’

Zo droeg hij met propaganda bij aan de oprichting van de staat Israël, die door de zionistische leider David Ben-Goerion werd uitgeroepen op de dag voordat de Britse vlag in Palestina gestreken zou worden. Een bescheiden bijdrage of meer dan dat – Ben-Yehoeda laat het aan anderen over om daarover te oordelen. Hij nam naar ­eigen zeggen niet deel aan de vele aanslagen op Britse politiebureaus en andere locaties van ‘de bezetter’.

Juichende jongeren op de straten van Tel Aviv na het uitroepen van de onafhankelijke Staat Israël Foto AFP

Op 14 mei 1948, toen Ben-Goerion in Tel Aviv de onafhankelijkheidsverklaring voorlas, was Ben-Yehoeda blij. Natuurlijk. Maar hij wist ook: de grote oorlog tegen Arabische buurlanden gaat beginnen.

Lehi had een jaar eerder al ‘de strijd tegen de Britten gestaakt en was overgeschakeld op de strijd tegen de Arabieren’, zo valt te lezen in het Lehi-museum. Doelwit waren Palestijnse milities en strijders van het zogeheten Arabische Legioen, die – nog getraind door de Britten – geduchte ­tegen-standers bleken. Daags na de onafhankelijkheidsverklaring vielen ook reguliere troepen uit Egypte, Jordanië, Libanon en Irak aan.

Strijders van de ondergrondse vormden de harde kern van het Israëlische leger-in-opbouw. Als 16-jarige nam Ben-Yehoeda (‘Ik werd door een commandant ooit aangesproken op de korte broek die ik droeg’) deel aan een belangrijk en omstreden offensief, Operatie Dani, in juli 1948. Ara­bische troepen moesten, op last van de prille premier Ben-Goerion, verjaagd worden uit het hele gebied rondom de weg tussen Tel Aviv en ­Jeruzalem.

De belangrijkste doelwitten waren Ramle, waar een treinstation was, en Lydda (tegenwoordig Lod), dat over een vliegveld beschikte. Ben-Yehoeda nam deel aan die laatste operatie. Het vliegveld werd ingenomen. Ben-­Yehoeda toont een foto waarop hij met kameraden poseert bij een pantservoertuig. Op de achtergrond is een vliegtuigtrap met de letters KLM zichtbaar.

Moordpartijen in 1948

Later, soms zelfs veel later, werd bekend dat Israëliërs zich tijdens Operatie Dani schuldig hadden gemaakt aan moordpartijen op zowel Palestijnse burgers als gewapende tegenstanders. Berucht is het verhaal dat granaten werden gegooid in een moskee waar tientallen strijders zich verschanst hadden. Het zijn gebeurtenissen die voor Palestijnen horen bij de herinnering aan de nakba (catastrofe), zoals zij de stichting van Israël noemen.

‘Ik hoorde die verhalen ook pas ­later, ik las erover in Israëlische en Arabisch kranten’, zegt Ben-Yehoeda. ‘Ik herinner me dat we door een paar lege dorpen trokken op weg naar het vliegveld. De bevolking was gevlucht.’

Bij de terugtocht van zijn eenheid raakte Ben-Yehoeda aan zijn rug gewond, toen een pantservoertuig op een mijn reed. Na zijn herstel kreeg hij een burgerfunctie in het leger, hij was onder meer verantwoordelijk voor het rekruteren van personeel. In 1972 zwaaide hij af en werd bestuurslid van de vereniging van taxichauffeurs in Tel Aviv.

De toekomst

Ben-Yehoeda spreekt liever over het verleden dan over het heden. Is Israël de staat geworden die hem als jongeman voor ogen stond? Hij maakt een afwerend gebaar. ‘We hebben een ­eigen staat, dat is het belangrijkste, daar heb ik voor gevochten. Over politiek praat ik niet. Het gaat goed met de economie. En ik ben trots op ons ­leger.’ Ultraorthodox is hij niet meer; het staat hem tegen dat veel jongeren uit die bevolkingsgroep niet in militaire dienst willen.

Of er naast de staat Israël ook een soevereine Palestijnse natie zal ontstaan? ‘Misschien over tweehonderd jaar.’ De status van Jeruzalem, een groot obstakel voor een vredesakkoord, is wellicht ‘oplosbaar’. Immers, in 1947 was er al sprake van ­internationale controle over de stad die zowel door Israël als door de ­Palestijnen als hoofdstad wordt gezien.

Maar het ‘recht op terugkeer’ voor Palestijnen die tijdens de strijd van Ben-Yehoeda en de zijnen verjaagd werden of op de vlucht sloegen, lijkt hem een vrede onmogelijk maken. Temeer omdat hun nazaten, enkele miljoenen, ook als vluchtelingen te boek staan. ‘Geen leider in Arabisch landen (waar veel Palestijnen hun toevlucht zochten, red.) zal het recht op terugkeer betwisten. Geen Israëlische leider zal eraan toegeven. Wie het wel doet, tekent zijn doodvonnis.’

Foto de Volkskrant

Hoe kwam de staat Israël tot stand?

Nadat Palestina eeuwenlang deel had uitgemaakt van het ­Ottomaanse Rijk, viel het oude bijbelse land in 1917 in handen van het Britse leger dat in de zijlijn van de Eerste Wereldoorlog terreinwinst dacht te kunnen boeken in het Midden-Oosten. In 1923 kreeg de verovering internationale goedkeuring, omdat de Volkenbond de Britten het mandaat gaven om Palestina te besturen.

Het was een onderneming die hun boven het hoofd groeide, omdat zowel de Joodse als Arabische bewoners er steeds fanatieker nationale ­aspiraties op na hielden. Op 29 november 1947 besloot de ­Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in meerderheid het Britse mandaatgebied Palestina op te delen in een Joods en een Arabisch deel. De Arabische wereld was fel tegen. Een dag later werd nabij Tel Aviv een bus met Joodse passagiers aangevallen. In Israël geldt die aanslag als het begin van de Onafhankelijkheidsstrijd.

Ruim 600 duizend Joden woonden in het mandaatgebied samen met circa 1 miljoen Palestijnen waaruit milities voortkwamen die met troepen uit Arabische landen de oprichting van een Joodse staat probeerden te voorkomen. Na de Israëlische Onafhankelijkheidsverklaring van 14 mei 1948 gingen ondergrondse groepen op in het ­Is­raëlische leger-in-opbouw. De strijd eindigde in de eerste helft van 1949 met wapenstilstanden tussen Israël en Egypte, Libanon en Syrië.

De Israëlische tol: sinds eind 1947 kwamen zesduizend personen om het leven – ongeveer 1 procent van de bevolking. Het aantal slachtoffers aan Palestijnse zijde ligt naar schatting boven de tienduizend. Circa 800 duizend Palestijnen waren verdreven of op de vlucht geslagen.

Meer over