Is het overdreven om te stellen dat de overheid blind is voor de nadelen van aanbesteden?

Het spel en de knikkers

Heeft u een sterke blaas? Dan kunt u overwegen buschauffeur te worden. Een van de sprekende details in het conflict over de cao voor het streekvervoer is het werkrooster waarin buschauffeurs vier uur achter elkaar moet rijden, zonder plaspauze. Dat is simpelweg naar.

Het meningsverschil tussen werkgevers en vakbonden gaat (uiteraard) over lonen en over de werkdruk (waaronder de blaasdruk). Maar een laagje dieper gaat het conflict over de burger en de rol van de overheid. Hoe dan? Via het fenomeen van de aanbesteding.

Rijk, provincies en gemeenten kopen busvervoer (en regionaal treinvervoer en thuishulp en bruggen, en pak 'm beet bomensnoeiopdrachten) in via aanbestedingen. De overheid formuleert de opdracht en maakt die openbaar; organisaties beschrijven hun aanpak en noemen hun prijs; de overheid kiest de goedkoopste aanbieder, of, wat gebruikelijker is, de 'economisch meest voordelige inschrijving'. In dat laatste geval gelden naast prijs ook kwaliteitscriteria. Hoe dan ook: één aanbieder wint de aanbesteding en de rest verliest.

Aanbesteden heeft in principe twee belangrijke voordelen. De eerste: de overheid koopt (namens de burger die uiteindelijk de rekening moet betalen) op de voordeligste manier goederen en diensten in. De tweede: door de openbaarheid krijgen alle aanbieders gelijke toegang tot overheidsopdrachten.

Aanbesteden heeft ook nadelen. Is het overdreven om te stellen dat de overheid hier blind voor is? Een beetje misschien.

Het eerste nadeel is dat er transactiekosten mee zijn gemoeid. Niet alleen bij de overheid. Ook de verliezende aanbieders hebben tijd en geld besteed aan het opstellen van een goed plan en dat werk was dus voor niets. Zeker als het om kleine klussen gaat - en daar hebben overheden er veel van - zijn de maatschappelijke kosten van aanbestedingen krankzinnig hoog. Die kosten slaan voor het grootste deel neer bij de (verliezende) aanbieders, niet bij de overheid.

Een tweede nadeel van aanbesteden is dat het moeilijk kan zijn voor de aanbestedende overheid om precies het goede product of de goede dienst te vragen, en hierbij rekening te houden met alle omstandigheden en risico's. Tienduizend pennen? Dat is te doen. Bomenonderhoud in een wijk of stad is al lastiger precies te omschrijven. Een zeesluis bouwen? Schier onmogelijk. Het gevolg is, bij wijze van spreken, dat overheden om pennen denken te vragen en potloden geleverd krijgen.

Dit nadeel wordt nog knellender als niet alleen het product of de dienst door de overheid gespecificeerd worden, maar ook aspecten van het productieproces. Bijvoorbeeld: aanbieder moet deze (recyclebare) grondstoffen gebruiken. Of: bij de uitvoering van de opdracht moeten drie werkervaringsplaatsen worden gecreëerd. Of: chauffeurs moeten elke twee uur naar het toilet kunnen. Het is in theorie niet onmogelijk een 'compleet contract' op te stellen, maar in de praktijk wel. En bij elke nieuwe specificatie nemen de transactiekosten toe.

Tenslotte is er bij aanbesteden het vraagstuk van de fladderende voorkeuren van mensen. Als belastingbetaler wil ik het goedkoopst mogelijk busvervoer; als burger gun ik de chauffeur een fijn werkrooster en tijdig toiletbezoek; als kiezer vind ik andere onderwerpen belangrijker dan aanbestedingen. Ga er maar aanstaan als aanbestedende overheid.

Een echt alternatief? Ik ken het niet. Beter afstellen van de aanbestedingsmachinerie kan wel. Ten eerste: niet voor elk wissewasje aanbesteden (kijk naar de maatschappelijke kosten). Ten tweede: bij opdrachten waar het in de kern gaat om arbeidsintensieve diensten, minder naar onze innerlijke belastingbetaler luisteren en meer naar onze innerlijke burger.

Fijne plaspauze gewenst!

Frank Kalshoven is directeur van De Argumentenfabriek
Reageren? frank@argumentenfabriek.nl