Onderzoek Pensioen

Is er over 35 jaar ook nog pensioen voor mij?

Beeld Jiri Büller, bewerking Arno Bosma

Tweeduizendzeshonderdeenentwintig euro. Als de wereld de komende 36 jaar exact hetzelfde blijft, ontvang ik vanaf mijn 68ste, op 2 januari 2055, elk maand dit bedrag aan AOW en pensioen. 

Dit verraderlijk precieze getal vind ik op de website Mijnpensioenoverzicht.nl, aangeboden door pensioentrojka SVB, Pensioenfederatie en Het Verbond van Verzekeraars. Ik ben op moment van schrijven 32 jaar oud en voor het eerst in mijn leven bezoek ik dit digitale overzicht dat in stilte voor mij wordt bijgehouden. Een enkele keer opende ik de post van Pensioenfonds PGB om te vernemen dat mijn opgebouwde pensioen momenteel een maandelijkse grijpstuiver bedraagt, zou ik per direct in de bijstand belanden.

Het afgelopen jaar schreef ik als sociaal-economisch verslaggever genoeg stukken over pensioenen om binnen de krant als expert te worden gezien. De vakbeweging sloot in juni een pensioenakkoord met werkgevers en kabinet. Een verrassende driekwart van de FNV-achterban stemde voor een tijdelijke rem op de stijgende AOW-leeftijd en een hervorming van het pensioenstelsel – ook wel ‘de tweede pijler’, naast de collectieve ouderenuitkering AOW. Het is taaie materie die ik inmiddels enigszins meen te doorgronden – ik was, goddank, niet de enige pensioenexpert binnen de krant. 

Toen het stof van het akkoord was neergedaald, werd tijdens een redactievergadering de vraag gesteld: wat zit er straks nog voor jongeren in het vat? De ogen richtten zich op mij, als de jongste onder de pensioenduiders. Ik had geen idee.

Wat volgt, is het verslag van een tocht langs werkelijke kenners. Die tocht begint online: bij Mijnpensioenoverzicht en op de site van mijn pensioenfonds, waar eveneens een prognose staat van hoe mijn deel er te zijner tijd uit zal zien. Ook hier is sprake van een indicatie met beperkte houdbaarheid. Enkele variabelen kunnen roet in het eten gooien, waarschuwt Pensioenfonds PGB: ‘Uw AOW-leeftijd, die kan veranderen in de toekomst’, en eveneens onzeker: ‘De tarieven en/of factoren die wij gebruiken als wij uw pensioen berekenen’. Dat stelt niet gerust.

Sterfbed

Een collega-pensioenduider raadt me aan Hans Kennis te bellen, een van de adviseurs van pensioenadviesbureau Montae. Kennis blijkt een makkelijke prater met soms Cruijffiaanse oneliners. Deze bijvoorbeeld: ‘De waarheid weet je pas op het moment dat je dood bent.’ Het zou een argument tegen religie kunnen zijn, maar wat hij bedoelt: pas op mijn sterfbed kan ik uitrekenen hoe groot mijn deel van de pot is geweest.

Wat hij er ook mee wil zeggen: de belangrijkste variabele ben ik zelf. Kennis: ‘Hoe lang ga je leven? Welke premie heb je op welk moment betaald? In welke sectoren heb je gewerkt? Ben je zzp’er geworden?’ Als ik promotie maak en meer ga verdienen, ga ik meer pensioen sparen. Besluit ik voor mezelf te beginnen, dan is de kans groot dat ik een tijd lang niets opbouw.

Maar mijn vraag was: zit er straks nog iets voor mij in de pot? De vraag impliceert een onderliggende zorg: wordt het geld opgesoupeerd door de generaties boven mij? Ik word meteen gecorrigeerd door de experts die ik spreek. Pensioen is uitgesteld loon, leggen ze uit, geld dat ik spaar door te werken. Ik bouw een spaarpotje op voor mijzelf, niet voor andere deelnemers van het fonds. Wellicht een open deur, toch goed om je te realiseren: het pensioenfonds heeft niet alleen verplichtingen tegenover gepensioneerde deelnemers, ook tegenover mij. Vandaar de strenge regels rond ‘rekenrente’ en ‘dekkingsgraad’ (waarover later meer).

Joost de Vries. Beeld Jiri Büller

De AOW, de collectieve oudedagsvoorziening, is een ander verhaal, leggen ze uit. Dit is een publiek basisinkomen voor ouderen. Iedereen die de AOW-leeftijd bereikt, krijgt het, of je hebt gewerkt of niet (alleen wie een periode in het buitenland woont, bouwt minder rechten op). De uitkering komt uit de schatkist. Geen persoonlijk spaarpotje dus, maar een zogeheten omslagstelsel. Kort door de bocht: werkenden betalen voor ouderen.

Ouderen worden steeds ouder en het worden er steeds meer. Hier is dus wel de vraag gerechtvaardigd of er nog wat voor jongeren overblijft. Om de AOW ‘houdbaar’ te houden, onder andere voor mij, heeft de politiek in 2012 ‘de 65 losgelaten’. Ik moet langer doorwerken zodat de AOW betaalbaar blijft. Ogenschijnlijk oneerlijk. Maar eerdere generaties kampten met andere tegenslagen: zij gingen eerder dood.

Kan ik ervan op aan dat de AOW er straks nog voor mij is? Het verleden biedt hoop: de uitkering bestaat sinds 1957 en is in ruim zestig jaar tijd amper veranderd. Pas het laatste decennium is de leeftijd stapsgewijs wat verhoogd. Had ik dit verhaal 36 jaar geleden geschreven, dan ontving ik inmiddels AOW, ongeacht of ik in de tussentijd had gewerkt. Ongekende luxe, als je erover nadenkt. Ik weet niet precies wanneer mijn AOW ingaat, volgens het huidige tijdpad ergens rond m’n 70ste, maar vertrouw er desondanks op dat er ook in 2057 een collectief vangnet zal zijn voor ouderen.

Henk Krol

Terugkijken helpt ook bij mijn vragen over het aanvullend pensioen, al stemt het niet vrolijk. Ik vraag Kennis naar veranderingen in de afgelopen drie decennia. ‘Dat pensioenoverzicht van dertig jaar geleden klopt voor geen meter meer.’ Het ene na het andere pensioenvoordeel is gesneuveld: eindloonregeling (een pensioen op basis van het laatstverdiende loon), prepensioen en vut (regelingen voor eerder stoppen), een lagere pensioenleeftijd, indexatie (pensioenen die meegroeien met de inflatie).

‘Dat is de grootste onzekerheid gebleken: al die aanpassingen van het stelsel.’ Tot tien jaar geleden groeiden de pensioenen jaarlijks mee met de inflatie, sinds de crisis niet meer. Sommige fondsen hebben zelfs de pensioenen moeten verlagen. De generatie van mijn ouders heeft veel gekregen, maar het valt niet te ontkennen dat ze aan het eind van de rit ook heeft moeten inleveren. De populariteit van Henk Krol is te verklaren.

Dit stuk is dus koffiedik kijken, want regelingen zullen ook de komende decennia veranderen. Sterker nog, met de uitwerking van het pensioenakkoord gaat het stelsel de komende jaren al op de schop. Vandaar de disclaimer van mijn fonds. Toch is enig vertrouwen in het voortbestaan van een pensioenstelsel gerechtvaardigd, vindt Kennis. ‘Pensioen blijft in ons dna zitten. Het zal er voor jou anders uitzien, maar er zal zeker nog een pensioen zijn.’

Dat zegt ook Theo Nijman, pensioenhoogleraar aan de Universiteit Tilburg. ‘Het pensioenstelsel blijft gewoon bestaan.’ En wat ik al heb gespaard, blijft van mij, benadrukt hij. ‘Mensen hebben in hun hoofd: straks is er niks meer. Maar het is jóuw pensioenvermogen.’ Om mij dat vertrouwen te geven, is in het pensioenakkoord afgesproken dat fondsen het gehele door mij opgebouwde bedrag moeten gaan communiceren. Nu krijg ik alleen een indicatie van een jaaruitkering, niet de precieze som van wat ik al heb ingelegd en hoe dat geld dankzij beleggingen van het fonds is gegroeid. De verandering gaat duidelijkheid bieden voor jongeren die vrezen dat het geld straks op is, zegt de hoogleraar. ‘Dat lijkt me een heel belangrijke stap vooruit.’

Die zekerheid blijft relatief, het spaarpotje kan in omvang fluctueren omdat het fonds met mijn geld speculeert. ‘We kiezen er samen voor om dat geld te beleggen, daar kleven risico’s aan, maar we doen dat met goede redenen’, zegt Nijman. Geld oppotten in een oude sok is zekerder (als ik de keuze had om uit mijn pensioenfonds te stappen), maar dan heb ik op mijn 70ste een stuk minder te besteden. ‘Het gemiddelde rendement op een pensioenbeleggingsportefeuille is al gauw een procent of 4 of 5, dat gaat over dertig jaar heel hard.’

Doorsneepremie op de schop

Kennis en Nijman wijzen op een afspraak in het pensioenakkoord die het stelsel eerlijker moet maken voor mijn generatie, in jargon ‘de afschaffing van de doorsneepremie’. Op dit moment groeit ieders pensioen bij gelijke inleg even veel, want de resultaten van de beleggingen worden gelijk verdeeld. Niet helemaal eerlijk, vindt men, want mijn euro inleg kan nog 35 jaar renderen en zal dus op de lange termijn veel meer opleveren dan die van mijn collega die over een paar maanden met pensioen gaat. Vanwege die doorsneepremie (gelijke verdeling) spekken jongeren toch deels de pensioenen van ouderen.

Dit wordt problematisch wanneer, zoals steeds vaker het geval is, mensen niet meer veertig jaar gestaag pensioen opbouwen, maar in hun leven van baan naar baan gaan, een tijd werkloos zijn of als zzp’er werken. Bonden, werkgevers en kabinet hebben een ‘degressieve opbouw’ afgesproken: tot 45 jaar bouw je meer op, daarna minder. Nijman: ‘In het nieuwe stelsel krijg je een beter pensioen als je op jonge leeftijd veel werkt en later minder.’

Hoeveel pensioen mag Joost de Vries verwachten als hij er zo uitziet? Beeld Jiri Büller/ bewerking Arno Bosma

Ik vind het aantrekkelijk klinken. Het voordeel is niet alleen dat je op jonge leeftijd meer opbouwt, ook dat het minder consequenties heeft als je op latere leeftijd wat minder werkt. Maar kleeft er niet ook een risico aan? Het zijn juist de jongeren die lange tijd in flexbanen vastzitten of als zelfstandige de eindjes aan elkaar knopen voordat ze iets vasts vinden. Dan loop je als jongere in het nieuwe stelsel juist pensioen mis.

Hans Kennis ziet de verandering als een stap naar individuele pensioenpotjes: echt sparen, alleen voor jezelf, met meer vrijheid om te kiezen hoe je opbouwt en hoe het fonds je geld voor je belegt. ‘Daar gaat het naartoe in de toekomst.’ Nog een aanstaande verandering die daarop wijst: op de datum van je pensioneren mag je 10 procent van je pensioen in één keer opnemen om vrij te besteden. ‘Dat is best een leuk iets.’ Ik zie zeventigers op cruiseschepen voor me.

Schrikbeelden

In de Amsterdamse wijk Buitenveldert staat een grijs gebouw tussen lage grijze flats. Hier werkt Lucy Warnert (52), adviseur bij Pensioenfonds PGB, mijn adviseur dus. Warnert is de specialist aan wie ik alles mag vragen. Ans Bouwmans (59) zit er als persvoorlichter bij, maar blijkt qua kennis niet onder te doen voor haar collega. We treffen elkaar in juli. In een leeg zaaltje met mijn pensioenoverzicht op de beamer spreken we bijna twee uur over pensioen. Warnert en Bouwmans zijn zo bevlogen dat het onderwerp, tot mijn verbazing, blijft boeien.

Een deel van hun werk is vechten tegen schrikbeelden, zeggen ze. Warnert: ‘Ook mijn vrienden denken allemaal dat er straks niks meer over is. Ze denken dat wat wij nu incasseren meteen wordt uitbetaald. Dat is niet het geval. In de pensioenpot zit een stukje dat voor jou is.’ Alleen als het fonds zou moeten ‘korten’ – de pensioenuitkeringen verlagen omdat het fonds krap bij kas zit – raken deelnemers een stukje pensioen kwijt. ‘Maar daar zijn we nog ver van verwijderd.’

PGB heeft op het moment van ons gesprek een ‘beleidsdekkingsgraad’ van ruim 106 procent. Er zit meer geld in kas dan er pensioenen moeten worden uitbetaald. De beleidsdekkingsgraad geeft het gemiddelde van de laatste twaalf maanden weer. Toezichthouder De Nederlandsche Bank (DNB) schrijft voor dat deze minimaal 104 procent moet zijn. Daarnaast is er de actuele dekkingsgraad: die geeft weer hoe de verhouding tussen vermogen en verplichtingen op dit moment is. Mijn pensioenfonds heeft in juli een actuele dekkingsgraad van 101,7 procent. Deze mag van DNB onder de 100 zakken, maar niet te ver. Het is hogere wiskunde, maar het komt erop neer dat mijn vooralsnog bescheiden pensioenpotje buiten de gevarenzone verkeert. 

‘Wij hebben nooit hoeven korten’, zegt Bouwmans. Wel heeft PGB, net als andere fondsen, sinds 2008 niet meer ‘geïndexeerd’. De pensioenen staan stil terwijl het leven duurder wordt. Pas als een fonds een extra buffer van minimaal 10 procent heeft, staat de wet (gedeeltelijke) indexatie toe. De regels zijn streng, wellicht te streng, zegt Bouwmans. ‘Door een opeenstapeling van regels is het moeilijk geworden om pensioenen te verhogen. Dat ondermijnt het vertrouwen in de pensioenen.’

Het fonds had liever geïndexeerd, zeggen de twee medewerkers. Veel deelnemers bellen met klachten, in de veronderstelling dat PGB de pensioenen niet wil verhogen. Warnert: ‘Als je een opbouw hebt van 10 duizend euro en je mist 2 procent, dat is dik.’

De begrippen rekenrente en dekkingsgraad werken als rode lappen op menig gepensioneerde. Ik zoek in dit verhaal naar wat er straks overblijft, zij vragen zich af waarom hun pensioenen niet meegroeien met de inflatie. Onbegrijpelijk, vinden veel ouderen, de pensioenkassen zijn immers gevuld met een astronomische 1.400 miljard euro – bijna twee keer de omvang van de Nederlandse economie.

Tegelijkertijd worden de regels steeds strenger. De buffers van de fondsen zijn nog niet groot genoeg nu de rente van de centrale banken van laag naar lager gaat. De Europese Centrale Bank houdt de rente laag om bedrijven te stimuleren geld te lenen, maar instanties die juist grote hoeveelheden in kas moeten hebben, zoals pensioenfondsen, lijden onder die lage rente. De fondsen moeten op safe koersen en uitgaan van een lage fictieve rekenrente om ook bij tegenwind de pensioenen te kunnen garanderen. Die tegenwind komt eraan, voorspellen economen al enige tijd. 

‘De rente is gewoon heel laag. En die blijft ook laag’, zegt Bouwmans. Hoezeer het fonds ook zou willen indexeren, ze begrijpt de redenen om het niet te doen. Ook de vrouwen bij PGB vertellen me dat de regelingen zijn versoberd. Bouwmans: ‘Door die lage rente en de hogere levensverwachting is pensioen duurder geworden.’ Warnert: ‘We leven allemaal echt langer.’

Een nieuw contract

Een afspraak in het pensioenakkoord zou de discussie over korten en indexeren kunnen beslechten. Er komt een nieuw ‘contract’, een overeenkomst tussen fonds en deelnemers waarin de uitkering meegroeit en krimpt met beleggingsresultaten. Hoogleraar Nijman: ‘Als het heel goed gaat met ons allen, dan krijg je een goed pensioen, als het heel mager gaat dan krijg je minder.’

Het lijkt me een vooruitgang. Pensioen is deels onzeker, hebben we de afgelopen tien jaar geleerd. Daar kunnen fondsen beter op voorhand duidelijk over zijn. Wie met zijn spaarcenten gaat beleggen, weet ook dat hij een risico neemt.

Bij PGB hebben de deelnemers iets te zeggen over het beleggingsbeleid, vertelt Bouwmans me. Ik wist dit niet, maar ik had kunnen deelnemen aan een enquête waarin mijn ‘risicohouding’ werd gepeild, mijn bereidheid tot het doen van risicovolle beleggingen. Zo’n 9 procent van de  deelnemers deed mee. Met die input voert PGB een ‘dynamisch’ en ‘maatschappelijk verantwoord’ beleggingsbeleid.

Dergelijke termen klinken wat hol en zijn het vaak ook, maar wanneer ik later de PGB-site nog eens bezoek, moet ik Bouwmans gelijk geven. Ik lees dat het fonds sinds vorig jaar bijvoorbeeld niet meer belegt in bedrijven die wapens verkopen aan particulieren. Eerder gingen ‘controversiële wapens’ al in de ban. Dit gebeurde mede omdat deelnemers in enquêtes dit aankaartten. Kennelijk sponsorde ik met mijn pensioenopbouw tot voor kort nog wel wapenverkoop, maar het is goed om te zien dat het beleid verandert.

Ik vraag Warnert en Bouwmans of ik mag rekenen op een pensioen over 35 jaar. Ondanks alle onzekerheden zeggen ze volmondig ja. Ze zijn wellicht niet in de positie om iets anders te beweren, toch klinkt het oprecht. Bouwmans: ‘Er zit enorm veel kapitaal in het stelsel, dat maakt het heel robuust.’ 1.400 miljard euro, een duizelingwekkend bedrag. PGB beheert daarvan bijna 29 miljard, ook niet te bevatten. Warnert: ‘Fondsen gaan goed om met het geld van de deelnemers, de eisen zijn streng.’

Ze vertelt dat toezichthouder DNB pensioenfondsen verplicht om alle pensioenen handmatig te kunnen narekenen, voor het geval de computers het begeven. Ze kunnen het, blijkt bij de jaarlijkse controle. Zelfs als de digitale apocalyps zich aandient, is mijn pensioen nog niet verloren.

Kijken ze zelf al uit naar hun pensioen? Warnert wel. Ze droomt al van een boerderijtje in Spanje. Als ze over tien jaar met vervroegd pensioen zou gaan, zou ze het kunnen betalen, weet ze. Met een grote lach: ‘Ik zie mezelf daar wel zitten.’ Bouwmans is ouder, maar is er minder mee bezig. ‘Ik heb m’n nieuwe AOW-leeftijd nog niet uitgerekend, dat interesseert me niks.’ Ze gaat niet naar Spanje. ‘Ik hou niet van de warmte.’

Is mijn zoektocht geslaagd? Mijn nieuwe overtuiging: pensioenen kunnen fluctueren, maar het stelsel is weerbaar. Ik ben voldoende gerustgesteld om zonder zorgen de komende twintig jaar mijn digitale pensioenoverzicht weer te veronachtzamen. Wanneer ik 52 ben, log ik weer in. Tot die tijd geloof ik het wel.

Epiloog

Enkele dagen voor publicatie van dit stuk mailt Ans Bouwmans, de persvoorlichter van mijn pensioenfonds. ‘Onze financiële situatie is helaas verslechterd sinds ons gesprek in juli’, schrijft ze. ‘Wij hebben net als andere pensioenfondsen geen fijne augustusmaand achter de rug.’ Doordat de Amerikaanse en de Europese Centrale Bank hun rentes verlaagden, zakte de actuele dekkingsgraad van Pensioenfonds PGB onder de 100. ‘We hopen dat het de komende jaren niet hoeft, maar de kans op korten is toegenomen.’

Kunnen mijn nieuwe inzichten meteen weer overboord? Nee, zelfs als mijn fonds de kaasschaaf moet hanteren, verwacht ik dat mijn pensioen, zij het een fractie kleiner, wel overleeft. Misschien komen kortingen vaker voor de komende decennia en wie weet komen ooit indexaties nog eens terug. Zolang ik werk en premie afdraag, zal mijn potje vooral groeien. Hoeveel er uiteindelijk voor mij in het vat zat, weet ik pas, zoals Hans Kennis zei, op het moment dat ik dood ben.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden