Reportage Vissers

Is er nog leven na het pulsen, vraagt de visserman zich af

‘Als er een deur dichtgaat, gaat er altijd wel een raampje open’, luidt een oude visserswijsheid. Maar de beroepsgroep vreest dat die nu niet langer opgaat, nu pulsvissen door de Europese Unie is verboden.

Visser Dirk Kraak (rechts) en collega Frans Wiegman (links) Beeld Linelle Deunk

Toen hij nog op de visserijschool zat, zag Frans Wiegman (58) in de wateren bij Den Helder al de eerste kotter varen die met pulsnetten was uitgerust. Dat moet in 1973 zijn geweest. En het schip herinnert hij zich ook nog: dat was de Texel 21. Hij wil maar zeggen: innoveren zit de visser – ‘visserman’ in zijn jargon – nu eenmaal in het bloed. In de zeventiende eeuw was hij al de aanjager van nieuwe technologische ontwikkelingen, en dat is hij nog steeds. ‘Sinds 2004 ben ik kreeftenvanger, maar telkens verfijn ik nog mijn techniek.’ Dat gebeurt, bij een bemanning van vier, in teamverband. Zijn zwager heeft veel feeling ontwikkeld voor het gedrag van kreeftjes op de zeebodem. ‘Een ander bemanningslid is weer goed in visnetten. Want als je net niet goed is, kun je nog in zo’n goed gebied liggen, maar vang je niets.’

Maar de pulstechniek is wel de meest indrukwekkende verschijningsvorm van maritieme vernieuwingsdrang. ‘In China hebben ze er ook mee geëxperimenteerd’, zegt visser Dirk Kraak (53). ‘Maar daar ramden ze meteen driehonderd volt de bodem in. Nou, daar vingen ze geen vissen mee, want die lagen allemaal dood op de bodem. Wij doen het dus wat subtieler. Hier mag je maximaal 0,5 kilowatt per meter vistuig gebruiken. Genoeg om een vis een schokje toe te dienen waardoor hij een stukje omhoog springt, maar niet genoeg om een vis te verwonden of te doden.’

Wiegman en Kraak – beiden gestationeerd in Den Helder – zijn aan elkaar gerelateerd: Wiegman, zoon van een dieselmonteur uit IJmuiden, is getrouwd met een nicht van Kraak. Diens visserijverleden gaat enkele generaties terug, zowel aan vaders- als aan moederskant. ‘Mijn hele jeugd was doortrokken van de visserij. Op schoot bij mijn moeder knoopte ik al garnalennetjes. En toen we tien, elf waren hielpen we ’s nachts in de haven al met laden en lossen, of repareerden we netten aan boord.’

Opa Kraak

Grootvader Piet, liefdevol ‘opa Kraak’ genoemd, boerde zo goed dat hij voor drie kleinzoons – van wie Dirk er een is – een zogenoemde eurokotter liet bouwen: een relatief klein schip van 24 meter met een vermogen van 300 PK. Dat was goed gezien van opa Kraak, want op het moment dat zijn kleinzoons op hun kleine, wendbare kotter het gat uitvoeren, woedde buiten de 12 mijlszone een vernietigende concurrentieslag tussen grote schepen waarvan het vermogen almaar toenam. ‘Elk jaar kwamen er tientallen PK’s bij’, zegt Wiegman. ‘Op het laatst zaten we aan 4000 PK. En niemand vroeg zich nog af waar dat allemaal goed voor was.’ Het was een race naar de bodem, zegt Kraak. ‘Je moest steeds meer vangen omdat je steeds meer brandstof gebruikte. En toen dicht bij huis overbevissing dreigde, moest je steeds verder weg om aan je omzet te komen. Maar dat bracht weer meer brandstofgebruik met zich mee.’

Visser Dirk Kraak, 53 jaar. Beeld Linelle Deunk-

Deze cyclus werd pas doorbroken met de invoering van visquota en de begrenzing van het aantal PK’s tot maximaal 2000. Dirk Kraak en zijn broers Fred en Peter hadden geen last van die ontwikkelingen. ‘Wij konden een goede boterham verdienen binnen de 12 mijlszone. En wij konden, als het met de platvis even niet zo lekker liep, garnalen of langoustines gaan vissen.’

Oerinstinct

Tot op de dag van vandaag zijn Dirk Kraak en Frans Wiegman de wonderlijke romantiek van hun werk blijven ervaren. ‘Op zondagavond, vlak voor je de zee op gaat, hangt al een bepaalde stilte in huis. Iedereen maakt zich op voor je afwezigheid. De hond gaat in zijn hoekje liggen. Maar als je dan het gat uitvaart, komt het oerinstinct van de jager boven. Dat merk je aan elke vezel in je lichaam. En dan is er steeds weer die ontlading bij het openen van je net. Als je niet meer blij wordt van een mooie vangst, moet je stoppen met vissen.’ 

Wiegman, van christelijk-gereformeerden huize, ervaart aan boord de almacht van de natuur en de nabijheid van God. ‘De meeste visserlui zijn wel gelovig. Op de meeste kotters ligt een Bijbel en hangt wel een Bijbelse spreuk aan de muur. De meeste Urkers lezen nog altijd de Bijbel voor het eten. Ikzelf lees de Bijbel in mijn kooi.’

Maar de romantiek is wel onder druk komen te staan, zegt Wiegman. ‘Elk jaar is er wel een regeltje bijgekomen – soms zinnig, soms minder zinnig. En op de naleving van die regels wordt streng toegezien. De Nederlandse vissers hebben zo’n 150 schepen. Daar varen voortdurend zes controleboten tussendoor die bij elkaar evenveel geld hebben gekost als de hele visserijvloot.’ Hun aanwezigheid getuigt van een wantrouwen dat hem enigszins steekt.

Geen boer

Dan is er ook nog de dreigende Brexit die juist voor de Nederlandse vissers veel ongewisheden met zich meebrengt, en de ‘industrialisatie van de Noordzee’, zoals Kraak de bouw van windparken omschrijft. ‘Nu kunnen we nog alle kanten op, maar als de huidige plannen worden uitgevoerd, is straks twintigduizend vierkante kilometer viswater – bijna de helft van het Nederlands continentaal plat – niet meer beschikbaar voor ons. De mensen denken weleens: dan ga je toch lekker vis kweken tussen die windmolens. Maar een visser is geen boer en al helemaal geen kweker.’

Visser Frans Wiegman, 58 jaar. Beeld Linelle Deunk

Kraak heeft twee neefjes die de zee op gaan, maar hun beroepskeuze wordt steeds minder gangbaar – zelfs in Den Helder. ‘De visserijschool kan jaarlijks nog maar vier of vijf nieuwe leerlingen inschrijven’, zegt Wiegman. ‘In onze tijd waren het er vele tientallen. Bij gebrek aan Nederlandse bemanningsleden vis ik al acht, negen jaar met Polen – harde werkers.’ En de Nederlandse jongens díe voor de visserij kiezen – meisjes zijn per definitie geen visserman – kunnen zich mentaal maar moeilijk losmaken van de wal. Kraak: ‘Als we geen internet aan boord hadden, kregen we helemaal geen bemanning meer. Ze zitten de hele week aan hun telefoontjes om maar niets te missen van wat hun vrienden aan land meemaken. Als het zoveelste filmpje van een kroegavond langskomt, denken ze: daar is het veel leuker dan hier. Maar dan vergeten ze dat zij een nieuwe auto kunnen kopen als ze een paar jaar leuk hebben meegedraaid op zee, terwijl iemand aan de wal daar tien jaar voor moet sparen of een pee-elletje moet nemen – een persoonlijke lening.’

Maar de grootste zorg van de visserman is het naderende verbod van de pulsvisserij. ‘Aanvankelijk waren we daar helemaal niet bang voor omdat je met de beste wil van de wereld geen bezwaar kunt hebben tegen de pulstechniek. Minder bodemberoering dan bij het gebruik van verzwaarde sleepnetten, minder bijvangst en minder CO2-gebruik: tel uit je winst. Omdat de voordelen zo evident zijn, hebben we te laat in de gaten gehad dat we actiever hadden moeten lobbyen. Ook bij de milieubeweging, want die heeft ons behoorlijk in de kou laten staan. Zo’n Greenpeace had ons natuurlijk met volle kracht moeten steunen. En we hadden beter moeten luisteren naar buitenlandse vissers die zich door ons benadeeld voelen.’

Nu is een overgangsregeling voor twee jaar het hoogst haalbare voor de pulsvissers. En in stilte hopen zij op een nieuwe innovatie. ‘Volgende week gaan ze iets proberen met waterstralen in plaats van elektrische schokjes’, heeft Kraak gehoord. ‘Maar water tegen water indrukken, valt niet mee.’ Ook Wiegman tempert zijn verwachtingen. ‘Als er een deur dichtgaat, gaat er altijd wel een raampje open. Dat is een oude spreuk van de visserman. Tot dusverre is die altijd wel opgegaan, maar het houdt een keer op.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.