Is dit de gedroomde opvang voor vluchtelingen?

Wat betekent dat, die 'opvang in de regio' die het kabinet zo graag wil. Correspondent Remco Andersen trok naar vluchtelingenkamp Ali Tafesh in Libanon met de vraag: wat moet er gebeuren om een goede woonplek te creëren?

Syrische vrouwen pellen knoflook voor restaurants, ze krijgen 30 eurocent per kilo. Beeld ap

Rondom een betonnen gebouwtje drijft de stank van oude uitwerpselen. Vier toiletten voor vrouwen, vier voor mannen, plastic vouwdeurtjes in het grijze beton. Ongeveer één toilet per veertig kampbewoners. Volgevreten vliegen zoemen boven brokken stront in het verbruinde keramiek van de Arabische hurktoiletten. Op iedere camping zou je hiervan gillend wegrennen.

Toch is het informele vluchtelingenkampje Ali Tafesh, vernoemd naar de diepgelovige landeigenaar die het op eigen kosten onderhoudt, zeker niet het beroerdste in Libanon. Een Saoedische religieuze hulporganisatie schonk een generator, Ali zelf zorgt voor diesel en voor twintig vaten drinkbaar water per dag - de vluchtelingen hebben er tachtig nodig, maar Ali's spaargeld is niet oneindig.

'In het begin dacht ik dat ze een paar weken zouden blijven', zegt Ali. 'Maar het is nu drie, vier jaar. Donaties zijn gestopt, en ik raak ook aan het eind van mijn middelen. Als er geen hulp komt, houdt het een keer op voor de mensen hier.'

Absolute bestaansminimum

De situatie van Ali en zijn kamp is exemplarisch voor de rest van Libanon. In tegenstelling tot Jordanië en Turkije, waar de situatie voor vluchtelingen iets beter is, zijn in Libanon geen officiële kampen. Armlastige vluchtelingen moeten ergens een braakliggend stuk grond vinden en bouwen dan hutjes met latten en wat zeil of materiaal van reclamespandoeken langs de weg. In de loop der jaren komt er een keer een betonnen muurtje van VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR bij, een dunne deken van Caritas, of als je écht mazzel hebt een dieselkachel van een lokale hulporganisatie.

Zelfs als er plotseling miljarden binnenstromen bij de VN, staan ze in Libanon - en elders - voor een politieke uitdaging. Libanon heeft geen kampen voor Syrische vluchtelingen - nette rijen VN-tenten met tussen iedere vijf stuks een toilet - omdat de regering vreest dat Syriërs niet meer weggaan als ze betere voorzieningen krijgen. Laat staan dat de overheid ooit toestaat dat iemand stenen huizen voor ze gaat bouwen. Libanon heeft al een half miljoen Palestijnen in hun 'kampen': stuk voor stuk broeinesten van conflict en terrorisme en een grote factor in de chronische instabiliteit van het land. En dat zijn er maar een half miljoen. Dus wat Beiroet betreft, gaan die pakweg anderhalf miljoen Syriërs zo snel mogelijk weer weg.

In het kamp in Ketermaya, een klein uur ten zuiden van Beiroet, is dan ook nauwelijks sprake van 'opvang'. Mensen overleven hier op het absolute bestaansminimum. Kinderen in smerige kleding hollen langs pannen die staan te koken op een houtvuur, oude vrouwen slepen vijfliterflessen met water over modderige paden. Libanon kampt met hoge werkeloosheid, een beroerde economie, tekorten aan stroom, water, vuilverwerkingscapaciteit. De Syrische vluchtelingen moeten leven van de restjes die de Libanezen voor hen overlaten. En wat ze krijgen van een almaar slinkende internationale hulpcampagne.

Voedsel

Maar de VN krijgen steeds minder geld, terwijl hun lasten toenemen. Tel maar mee: vorig jaar rond deze tijd kreeg elk lid van een Syrisch vluchtelingengezin in Libanon nog 30 dollar voedselhulp per maand. In december werd dat 19 dollar. In juli werd het 13,50. En vorige week werd het aantal gezinsleden dat hulp krijgt beperkt tot een maximum van vijf.

Dit is de realiteit van 'opvang in de regio' op dit moment, wat betreft Libanon. Groeiende noden, afnemende inkomsten, en dus steeds meer vertrekkende vluchtelingen. Gevraagd wie er te lijden heeft onder teruglopende voedselhulp, is het antwoord kort: het hele kamp is afhankelijk van die hulp. 'We zijn ons er sterk van bewust dat wij niet genoeg assistentie bieden', zegt Edward Johnson, de aanwezige medewerker van World Food Programme (WFP). 'We kunnen het niet betalen.'

Dat is het refrein onder alle takken van de hulpindustrie. Vraag Syriërs in de provisorische kampen wat ze nodig hebben om hun bestaan menswaardiger te maken, en dus te blijven, en het antwoord laat zich samenvatten als: alles. Een huis, voldoende voedsel of op zijn minst de kans om voor een eerlijk salaris te werken, een opleiding voor mijn kinderen. Na vier jaar vluchtelingenbestaan gaan de eisen veel verder dan alleen bed en brood. Maar zelfs die basale voorzieningen vallen steeds meer weg; de opvang gaat achteruit.

Een Syrische moeder met haar kind in het vluchtelingenkamp bij de Libanese plaats Turbide. Beeld Lynsey Addario / Getty

Rantsoen melk

In gelijke tred met de afnemende hulp passen kwetsbare vluchtelingen hun dieet aan tot steeds ongezondere vormen. Neem de tienkoppige familie van Sanaa Rakid (35). Toen WFP voedselhulp terugschroefde naar 19 en toen 13,50 dollar per gezinslid, verdwenen duurdere etenswaren van Sanaa's boodschappenlijstje. Geen groenten en fruit meer. Geen vlees, kip, vis, kaas. In plaats daarvan kwam goedkoop spul als rijst, pasta, aardappelen. Niet erg voedzaam, maar het stopt wel het geronk van je maag.

Uiteindelijk werd ook het rantsoen melk voor de 1-jarige Rayan gekort, zegt Sanaa met een blik op het tentzeil. Want dat kost maar liefst 12 duizend Libanese pond (7 euro) per week. En toen kwam begin deze maand de volgende klap: de miezerige voedselhulp van 13,50 dollar per maand werd gekoppeld aan een maximum van vijf gezinsleden per familie. Plotseling halveerde de voedselhulp voor Sanaa's tienkoppige gezin. De volgende bezuinigingsronde werd dan ook het reduceren van de maaltijden. Twee per dag zijn het er nog, 's ochtends en 's avonds.

'Soms vragen de jongens me 's middags om een broodje', zegt Sanaa. 'Dan moet ik nee zeggen, dat ze moeten wachten tot het avond is. Het breekt mijn hart. De jongere kinderen begrijpen niet waarom hun moeder ze geen eten geeft als ze honger hebben. 's Nachts moet ik er vaak van huilen.' Twee van haar zoons lachen er schaapachtig bij, aan de ingang van hun hutje.

Na de reducties in voedselhulp is dit duo, 11 en 13 jaar oud, al aan het werk gezet bij een lokale timmerman. Maar die liet hen zo hard werken, 15 uur per dag voor 25 duizend pond (15 euro) per persoon per week, dat ze hun moeder smeekten hen niet meer te sturen. Uiteindelijk gaf zij toe. Dan komt het hoge woord er plotseling uit. 'Mag ik jou nou iets vragen?', zegt Sanaa. 'Waarom helpt het Westen ons niet om naar een ander land te komen? Niet voor mij, maar voor mijn kinderen, zodat ze een toekomst hebben. Ik heb het de VN al gevraagd, maar ze gaven geen antwoord.'

Onderwijs

Kinderarts. Ingenieur. Lerares. Voor de kinderen in de informele school die het kampje zelf heeft opgezet, staat de realiteit nog niet in de weg van de verwachtingen. Maar hun ouders weten beter. Onderwijs is voor de meeste Syrische kinderen ontoegankelijk in Libanon. Scholen helpen waar ze kunnen, maar er is niet genoeg capaciteit. Er zijn 300 duizend plaatsen op Libanese scholen - eigenlijk bedoeld voor Libanese kinderen. Dus wat doe je met 400 duizend Syrische kinderen van schoolgaande leeftijd?

Met dank aan vrijwilligers en Ali's knutselkunsten ontvangen leerlingen van 8 tot 13 in het kamp Arabische, Engelse en koranlessen. In een klaslokaal van zaagselplaten leert een tiental van hen uit een Arabisch lessenboek. Gevraagd naar het verschil met school in Syrië, zegt de 13-jarige Alia (de aspirerende kinderarts): 'In Syrië hadden we voor ieder vak twee boeken, hier hebben we één boek voor alle vakken.'

Het schooltje is het hoogtepunt van hun verder vaak eentonige dag. Het tiental kinderen reciteert opgetogen Arabische poëzie en grammatica. Maar behalve vermaak is het nut beperkt; het kampschooltje is slechts informeel, om ze een beetje provisorisch bij te spijkeren - geen echte opleiding die wordt erkend door de onderwijssector in Libanon of elders.

Tekst loopt door onder foto

Bambihertjes

Leraar Ahmad Juneid, een tengere man met donkere wallen onder zijn ogen, beweert desondanks dat deze klas van 10 tot en met 13 jaar helemaal bij de les is en zo kan doorstromen. Maar de bambihertjes op de Arabische boekjes doen vermoeden dat deze voor een lagere leeftijd bedoeld zijn. Rawda taniye staat erop: tweede kleuterklas. De grammaticale oefeningen die de leerlingen vandaag herhalen, liggen weliswaar een paar klassen hoger, maar met dit lesmateriaal gaan ze niet ver komen.

De moeder van Mohammed (de 13-jarige jongeman die ingenieur wil worden) hoeft dan ook niet lang na te denken als ze wordt gevraagd wat ze het hardst nodig heeft: voedsel, onderdak of onderwijs. 'Een toekomst voor mijn zoon', zegt ze. 'Formeel onderwijs, zodat hij later kan studeren. Anders eindigt hij als dagloner. Ik wil een beter leven voor hem.'

Ze heeft wel geprobeerd om Mohammed op een school te krijgen. Ze had zelfs al een plekje verworven, op een particuliere school in de buurt. Maar de eerste maand vroeg die om een eigen bijdrage van 50 duizend pond (30 euro). Dat heeft ze niet. Het is een obstakel waartegen iedere armlastige Syrische ouder in Libanon oploopt: als ze al een plekje kunnen veroveren, lopen ze vast op de kosten. Openbare scholen vragen 160 dollar per jaar.

Hier gloort wat hoop: Unicef staat op het punt een Back-to-schoolprogramma te introduceren waarbij het aantal schoolgaande Syrische kinderen in Libanon moet worden verdubbeld, naar 50 procent. De kosten komen voor rekening van Unicef, ook die voor Libanese kinderen. Maar zelfs als het programma een grandioos succes wordt, blijven 200 duizend Syrische kinderen in Libanon verstoken van onderwijs, en een toekomst.

Gezondheidszorg

Wie echt ziek wordt, kan het schudden. Raghda Kino (43) vertelt zachtjes dat ze een bobbel boven haar rechterborst heeft. Ze kan haar rechterarm en -schouder moeilijk bewegen. Ze is naar een ziekenhuis geweest, maar een röntgenfoto kostte maar liefst 40 duizend pond, zo'n 24 euro - onbetaalbaar. Een partnerorganisatie van UNHCR was drie maanden geleden in het kamp, maar zij zeiden dat het niet hun mandaat was. De islamitische hulporganisatie in de nabijgelegen stad Sidon stuurde haar weg.

Uiteindelijk klopte ze bij de lokale moskee aan de deur. Ik heb misschien een tumor. Kunnen jullie helpen? Ze kreeg panadol mee, een pijnstiller. Een half pakje. En nu? Haar moeder wijst naar de hemel en lacht haar verrotte tanden bloot: God zal helpen. Maar Raghda kijkt naar de grond, een diepe frons boven haar ogen, handen onzeker in elkaar gevouwen. Zij heeft meer wereldlijke hulp nodig.

Zorg is er wel, maar mondjesmaat. Primaire gezondheidszorg - hechtingen, een verkoudheid - krijgen vluchtelingen voor een eigen bijdrage, zeg 10 dollar, als ze een overheidsziekenhuis weten te bereiken. Secundaire gezondheidszorg, zoals bijvoorbeeld een operatie, wordt voor 75 procent betaald door UNHCR. Tertiaire zorg, zoals Raghda denkt nodig te hebben, is alleen in zeer uitzonderlijke gevallen mogelijk. Er is geen geld beschikbaar voor de vergoeding van een langdurige behandeling tegen kanker. Jammer, maar helaas.

Gezondheidsproblemen

Het onhygiënische kamp barst van de ziekten. In de zomer zijn er insecten, allergieën, uitdroging. In de winter komen griep en ademhalingsproblemen. Abu Anas, die optreedt als gids in het kamp, wijst ter verklaring naar een verkoold vijfliterblik waarin ooit kookolie zat. 'Die gebruiken we als kachel. We verbranden hout erin en als het smeult, zetten we het in de tent.' Dan is het warmer, maar wel ten koste van je longen. 'Werkelijk iedere tent hier heeft gezondheidsproblemen', zegt Abu Anas.

Dat blijkt niet gelogen. Met ons mee hobbelt een man met een kapotgeschoten been. Een maand geleden leed het halve kamp aan een ooginfectie. Een grootmoeder trekt een kind met hevige huiduitslag uit een hutje. Een oude dame toont een A4'tje van het ziekenhuis: bloedarmoede. IJzerrijk voedsel kan ze niet betalen. De man met het kapotgeschoten been trekt een dochter erbij: oorinfectie. 'De omstandigheden hier zijn vreselijk', zegt de man, Mohammed Antar (40). Hij wijst naar de stinkende hopen achter hem: 'Het vuil dumpen we gewoon naast het kamp.'

Kinderen krijgen les in het vluchtelingenkamp. Beeld Getty.

Falen

Nadat Mohammed een granaatscherf in zijn been had gekregen, moest het gebroken bot met een pin worden vastgezet om te helen. Hij werd geopereerd door een Syrische arts. Het was broddelwerk en nu vergaat Mohammed iedere nacht van de pijn. Zeker in de winter. Hij weet dat UNHCR 75 procent van zijn operatie zou betalen, maar hij kan de overige 25 procent niet bijleggen. Want hij kan niet werken. Want zijn been is kapot. 'De VN en de rest van de wereld hebben in deze crisis volledig gefaald', verklaart hij bij het afscheid.

Bij het verlaten van het kamp komt de 15-jarige Omar Saraj plotseling uit een hoekje tevoorschijn. Deze zoon van Raghda, de vrouw met de bobbel boven haar borst, verklaarde even daarvoor nog dat hij niet naar Europa zou gaan; hij kan zijn moeder niet in de steek laten. Nu, buiten hoorafstand van zijn familie, fluistert hij: 'Jij vroeg mij naar Europa hè. Als je me kunt helpen om dat te regelen, vertrek ik direct. Dan kan ik mijn moeder later geld opsturen.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden