Ionica Smeets over gezinnen met alleen zonen

Beste Jeroen Krabbé,

Gisteren moest ik tijdens de lunch ineens aan u denken. De man naast me beweerde namelijk dat sommige stellen meer kans hebben op zonen. Een echtpaar dat al twee zonen heeft, zou bij het derde kind zelfs 90 procent kans op een jongen hebben. Toen dacht ik aan u en uw drie zonen. Bent u zó mannelijk dat u automatisch jongens krijgt? Ligt dat aan uw buitengewone sperma? En bestaan er dan ook mannen die voorbestemd zijn om dochters te krijgen? Onmiddellijk schoot me romanticus Robert ten Brink te binnen met zijn vijf dochters en ook in mijn eigen omgeving ken ik heel wat van die homogene gezinnen.

Had mijn tafelgenoot gelijk? Kan zonen krijgen in de genen zitten? Zijn er echt meer gezinnen met drie jongens dan met eerst twee jongens en dan een meisje? Of onthouden we die eerste voorbeelden beter omdat ze meer opvallen?

Er kan ook iets anders spelen. Misschien kiezen ouders die twee zonen hebben wel vaker voor een derde kind dan ouders die al een dochter hebben. Zou dat iets kunnen verklaren? Stel nu eens dat elk stel per se een dochter wil. Zodra ze een dochter hebben, is hun gezin klaar, anders komt er nog een kind. Net zo lang tot ze een dochter krijgen, desnoods tot in het oneindige. Zelfs in dit extreme geval zal in een grote bevolking het percentage jongens toch weer gewoon ongeveer 50 worden. (Dit was trouwens een sollicitatievraag bij uw vrienden van Google.)

Terug naar de beginvraag: heeft een echtpaar met twee zonen een grotere kans dat hun derde kind weer een jongen is? De beste manier om dat te bepalen is het analyseren van een fikse verzameling bevolkingsdata. Precies dat deden Joseph Lee Rodgers en Debby Doughty in 2001 voor het Amerikaanse tijdschrift Chance. Zij bekeken gegevens van duizenden families. Daartussen zaten iets meer dan 1.300 gezinnen met drie kinderen. Ze bekeken daarvan de 363 gezinnen die eerst twee jongens hadden gekregen. Bij 51 procent daarvan was het derde kind weer een jongen, bij 49 procent een meisje. Ouders leken na twee zonen dus niet echt flink grotere kans te hebben op een derde zoon.

Maar misschien bestaan er desondanks toch families waarbij zonen krijgen in de genen zit. Om elke twijfel uit de sluiten, gingen Rodgers en Doughty nog iets verder. Ze testten een hele reeks modellen om te zien wat de gegevens het beste verklaarde. Ze gaven elke ouder een eigen kans op zonen of dochters en gebruikten allerlei criteria om te beslissen of er nog een volgend kind kwam.

Uiteindelijk paste er één model het allerbeste bij de gegevens: dat waarbij de kans op een jongen voor iedere ouder hetzelfde is en ook niet afhangt van het geslacht van eerdere kinderen. Al heeft een echtpaar tien zonen, bij het elfde kind is de kans op een jongen weer gewoon 50 procent. Of eigenlijk 51 procent, want er worden iets meer jongens dan meisjes geboren. Daarmee zijn drie jongen dus eigenlijk de minst bijzondere combinatie om te krijgen.

Curieus.

Amicale groet,

Ionica

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden