Investering verergert armoede vaak juist

Er is een 'nieuwe wedloop om Afrika' gaande als we ngo's moeten geloven. Westerse én oosterse investeerders kopen landbouwgrond op. Legaal, maar volgens critici vaak ten koste van de lokale boeren.

JONATHAN WITTEMAN

Waar komt het begrip landroof vandaan?

Zoals de Europese grootmachten het Afrikaanse continent verdeelden in de decennia voor de Eerste Wereldoorlog, zo zou Afrika anno 2011 gebukt gaan onder het sluik-imperialisme van de rijke landen. 'Landroof', 'neokolonialisme' en 'voedselpiraterij' zijn de epitheta die de naar schatting 80 miljoen hectare aan grondtransacties tussen buitenlandse investeerders en ontwikkelingslanden de afgelopen jaren hebben opgewekt. Van deze 80 miljoen hectare (de oppervlakte van Duitsland en Zweden bij elkaar) in de periode 2001-2011 betrof bijna tweederde Afrikaanse landbouwgrond.

Wanneer is er bij een belegging in landbouwgrond sprake van landroof?

Algemene definities van landjepik spreken meestal van het in bezit nemen - door aankoop of pacht - van grote stukken grond door buitenlandse investeerders, met als doel het voor landbouwproductie te gebruiken. De investeerders kunnen hedgefondsen, multinationals of pensioenreuzen zijn, maar bijvoorbeeld ook een universiteit als Harvard, zoals het Oakland Institute eerder dit jaar ontdekte. De beleggers in kwestie zijn lang niet allemaal westers, maar komen steeds vaker uit China, India of Arabische staten.

De term landroof impliceert het met geweld of fraude afpakken van grond, maar daar is meestal geen sprake van. De meeste landtransacties zijn het resultaat van legale overeenkomsten met Afrikaanse overheden.

Tegelijkertijd, zo luidt de kritiek, gaan de transacties dikwijls over de hoofden heen van vrijwel rechteloze Afrikaanse boeren die worden verjaagd van het land dat ze als het hunne beschouwden. Bovendien leiden de investeringen ertoe dat de vruchtbare grond van bijvoorbeeld Ethiopië wordt gebruikt voor het verbouwen van voedsel om te exporteren naar rijke landen, terwijl veel Ethiopiërs honger lijden.

Wat maakt dit soort investeringen aantrekkelijk?

Grond in ontwikkelingslanden is meestal goedkoop. Het is bovendien een stabiele investering - weglopen doen akkers doorgaans niet - waar hoge rendementen mee te behalen zijn, bijvoorbeeld door het te gebruiken om voedsel te verbouwen of biobrandstoffen te produceren. Een voorbeeld van het laatste zijn de vele westerse biobedrijven die zich de afgelopen jaren in Afrika op de kweek van het vermeende wonderplantje Jatropha hebben gestort, waar biodiesel uit kan worden gewonnen.

Andere investeerders hopen te profiteren van de hoge voedselprijzen. Onder pensioenfondsen is de populariteit van land als belegging groeiende. APG, de pensioenuitvoerder van ABP, zegt sinds 2008 650 miljoen euro te hebben geïnvesteerd in landbouwgrond en de teelt van onder meer granen en zaden. Naar eigen opgave sinds 2008 overigens niet in Afrika, maar voornamelijk in Zuid-Amerika en Oost-Europa. De belegging in Mozambique dateert uit 2007 en telt in deze opgave dus niet mee. PGGM, de vermogensbeheerder van pensioenfonds Zorg en Welzijn, zegt tot en met 2010 250 miljoen euro te hebben belegd in Zuid-Amerikaanse, Oost-Europese en Australische grond. Een extra voordeel van de beleggingen, zegt een APG-woordvoerder, is dat ze 'een mate van bescherming tegen inflatie' bieden. 'Dit is belangrijk voor onze klanten, aangezien deze de ambitie hebben om de pensioenuitkeringen te kunnen ophogen met de inflatie.'

Profiteren de Afrikanen zelf van de run op hun akkerland?

In theorie zou dat zo moeten zijn. De investeringen zouden werkgelegenheid moeten opleveren en arme boeren en plattelandsbewoners toegang bieden tot betere technologie en agriculturele kennis. Bovendien, zeggen voorstanders, kunnen buitenlandse investeerders vaak meer uit de grond halen dan lokale boeren. Dat stimuleert de economische groei in arme gebieden en vergroot de voedselzekerheid van de geraamde 1 miljard mensen die iedere avond met honger naar bed gaan.

Maar in de praktijk?

In de praktijk veelal niet. 'We doen net alsof de vernietiging van de mondiale boerenstand op een verantwoordelijke manier bereikt kan worden', sneerde Olivier de Schutter. De Leuvense hoogleraar is door de VN aangesteld als de belangrijkste rapporteur over het VN-thema 'Recht op voedsel'.

Zelfs de Wereldbank, door tegenstanders lang versleten voor apologeet van landroof, erkende eind vorig jaar in een rapport dat beleggingen in boerenland de armoede in ontwikkelingslanden 'in veel gevallen' juist verergerde.

Als negatieve gevolgen noemde de bank 'ontheemding van de lokale bevolking zonder een behoorlijke schadevergoeding, land dat ver onder de potentiële waarde wordt weggegeven, de goedkeuring van projecten die alleen haalbaar zijn dankzij extra subsidies, het veroorzaken van negatieve milieu- of sociale effecten, of inbreuk maken op gebieden die niet zijn overgedragen aan de belegger om een slecht presterend project toch economisch levensvatbaar te maken'.

Wat is de oplossing?

Minder grootschalige landbeleggingen, zegt De Schutter, en meer ruimte voor kleine boeren. De rijke landen zouden juist moeten investeren in betere infrastructuur en kredietverstrekking, het versterken van lokale markten en het bouwen van pakhuizen voor de opslag van voedsel.

Bovenal, zegt De Schutter, is er behoefte aan regeringen die niet louter lippendienst bewijzen aan de mensenrechten, maar ze daadwerkelijk doen naleven - te beginnen bij het recht op voedsel, het recht van alle mensen om vrijelijk over hun natuurlijke rijkdommen te beschikken en het recht niet te worden beroofd van hun middelen van bestaan.

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden