Into the wild

Niet ver van Stockholm kun je vissen, jagen, hutten bouwen en beren kijken. Zweedse wildernis, en nog bereikbaar ook.

Het groen is zo groen. Iemand heeft de vogels extra hard gezet. En de golfjes klotsen verdacht melodieus tegen de rand van de kano. De volmaaktheid van de Zweedse natuur doet een regisseur vermoeden. En ja hoor, daar verschijnen twee hertjes aan de bosrand. Alsof het nog niet genoeg was.


Spletsj! De plons van de beverstaart op het wateroppervlak maakt een abrupt einde aan elke vorm van verbaasd toeristengemijmer. Het beest heeft zijn familieleden gewaarschuwd voor de per kajak naderende mens en verdwijnt nu ijlings in de diepte. In de verte steekt hij de kop weer op, nu vlak bij zijn huis, een manshoge bochel van klei en berkentakken.


Spletsj! Nog maar een klap. 'Dat is een grote jongen. Zeker een mannetje', mompelt Johan Henriksson (37) van onder zijn cowboyhoed. Nu de toerist de bever heeft gezien, mag de stilte worden doorbroken. 'Vissen?'


Bij wijze van antwoord gooit collega Ludde (35) vanuit de andere kajak een hengel uit. 'Roken?' De wedervraag echoot over het meer. Een pakje sigaretten landt in de buik van de kajak van Henriksson. Ludde heeft eigenlijk Ludwig Magnusson. Hij komt uit Chili, maar zijn adoptie-ouders gaven hem een Zweedse naam. Prima, vindt Ludde. Hij voelt zich net zo Zweeds als de klodder Snustabak die achter z'n bovenlip gekleefd zit.


Het peddelen gaat voort, de hengels achter de boot aanslepend. Plotseling wijken de rietkragen uiteen en stuit het riviertje op een rimpelloos meer. Tijd voor koffie uit de thermoskan en een kaneelbroodje, vinden de mannen. De zwaan die voorbij glijdt als een vorstin op leeftijd, is het enige bewegende beeld.


Op lange zomeravonden maken de mannen graag zo'n tochtje. En niet alleen als er toeristen zijn. Mannen als Johan Henriksson en Magnusson horen buiten. Het zijn mannen met een stemgeluid dat is afgestemd op het overbruggen van grote afstanden of het gebrul van de motor van hun gebutste pick-up. Mannen die weten dat ze bij een boswandeling oog in oog kunnen komen te staan met een wolf of beer. Aan hun broek hangen twee messen, 'een voor de elandenjacht en een voor andere klussen.' In hun achterbak liggen steevast een geweer en een set vishengels - je weet immers maar nooit.


Hun roodhouten boerderijen staan op de glooiende landjes waar een reus in langvervlogen tijden een handvol rotsblokken heeft rondgestrooid. Ze worden omringd door naaldbos en water, overal is water.


Hoeveel lawaai je hier ook maakt, het blijven schermutselingen in de kantlijn van de wildernis. 'De wildernis', zo noemen de mannen hun omgeving trots en liefkozend.


Deze wildernis is goed bereikbaar. Je vliegt naar Stockholm, huurt een auto en pakt de E4, de snelweg die langs de baaien van de Zweedse oostkust omhoog klimt naar de poolcirkel. Af en toe kom je een bord tegen dat waarschuwt voor elanden. Of een Volvo.


Met boomstammen volgeladen trucks komen tegemoet. Als je na 350 kilometer linksaf slaat, ben je in de gemeente Nordanstig, een lap van vijftig bij honderd kilometer die van de kust tot het midden van het land loopt. Er wonen 9.050 mensen, onder wie Johan Henriksson, de plaatselijke toeristenbaas. 'Als mensen mijn naam zeggen, denken ze aan toerisme.'


Meesters van het Avontuur, Aventyrs Mästärna, heet zijn bedrijf. De naam staat in rode letters op de gevel van een oud, stenen huis in het dorp Hassela. Hier openden Henriksson en zijn vrouw vorig jaar een pension.


Maar het hart van het bedrijf van Henriksson bevindt zich in de schuur. Daar staan de kano's en de kratten met visgerei voor de zomer en de sneeuwscooters voor de winter. Daar ruikt het naar motorolie en vochtig canvas. Een paar geweien in een hoek, als verjaarde trofeeën.


Van hieruit neemt Henriksson mensen mee op avontuur: beversafari in de kajak, vissen op zalm in de rivier of met de motorboot een meer op. In het jachtseizoen kun je meejagen op elanden, bevers of auerhoenen - grote zwarte vogels. En dat is alleen nog het zomerprogramma.


's Winters kun je op sneeuwscooter- safari, door de bossen, dwars over meren, tegen hellingen op. Bij helder weer zie je vanaf de skipiste de zee, dertig kilometer verderop. Als Henriksson erover praat, vertrekt zijn mond in een jongensachtige grijns. 'En ijsvissen natuurlijk.' Zijn herinneringen zijn nog vers: de sneeuw begon dit jaar op 20 april te smelten. Een maand later was het 25 graden.


Zomer of winter, de tochten van de Meesters van het Avontuur eindigen in de wildhut, een overkapping diep in de bossen met een grote vuurplaats. Vanuit de met houtvuur warmgestookte hot tubs aan de rivier kun je tussen de sparrentoppen door de sterren zien, voorzichtig nippend van de plaatselijke sterke drank - aangelengd met een paar druppels bevergal. De stank is indrukwekkend en de smaak houdt het midden tussen rauwe witlof en paracetamol. Gelukkig is een klein bodempje genoeg voor een diepe Vikingslaap op een stapel rendiervellen.


Bij terugkomst in het pension is er eten: gehaktballen, gepresenteerd in metalen bassins vol jus, zure haring of pyttipanna, een slagveld van aardappelen en worst. De serveersters dragen wollen truien en gebruiken weinig woorden. De handdoeken in de douche zijn zo hard als knäckebröd. In de gang staan vieze laarzen. Hier is het boerengastvrijheid wat de klok slaat. Iedereen doet en laat wat hij wil. Aan de grote tafel in de hoek lezen twee oude dorpsbewoners het sportkatern van de plaatselijke krant.


Het leven in Nordanstig tart het beeld van Zweden dat vaak opduikt in de Nederlandse media. Afgaand op de berichten over hippe bandjes en exclusieve kledingmerken zou je kunnen denken dat de nakomelingen van de Vikingen zijn gedomesticeerd tot gesoigneerde dametjes en metromannen met doordachte hoedjes. Over dit type Zweed wordt in Nordanstig met een zucht gesproken. 'Ja, de mensen die naar de stad gaan. Ja, daar zijn er veel van.'


De seksuele gelijkheid, ook zo'n Zweeds exportproduct, is wel tot Nordanstig doorgedrongen. 'Tuurlijk mogen de vrouwen mee jagen, mijn vrouw doet het weleens', zegt Henriksson. 'Maar dan moeten ze niet bang zijn voor messen of bloed.' En zo begrijp je tijdens een avondje bevers kijken en vissen opeens hoe Astrid Lindgren op het idee kwam voor vrouwelijke ijzervreters als Pippi Langkous of Ronja de Roversdochter.


Stadse Zweden komen hoogstens naar Hassela om te skiën. Maar niet in groten getale. Want hoe indrukwekkend het toeristenimperium van Henriksson ook klinkt, vergeleken met het potentieel van de omgeving is het kleinschalig en experimenteel. Deze zomer begint hij een cursus traditioneel blokhutten bouwen. Er hebben zich al een paar buitenlanders ingeschreven. Duitsers.


Buitenlanders zijn het doel. Henriksson hoopt dat Zweden - en dan bedoelt hij het deel ten noorden van Stockholm - de komende jaren 'ontdekt' zal worden door de toerist op zoek naar natuur, stilte en avontuur. Hij bouwt er met liefde een paar blokhutten bij.


Hij lijkt wel gek - zou je zeggen, als je op een lenteavond over het meer van Hassela vaart en de eerste mistflarden uit het bos ziet komen. Als je de koekkoek hoort en tegen middernacht in het westen nog steeds het zonnegloren ziet. In dit meer kent Henriksson tientallen verscholen plekjes waarvan alleen hij en zijn maten weten dat de snoeken er goed bijten, of de baarzen, de snoekbaarzen, de zalmforellen of de rivierkreeften. Waarom zou je dat delen met een of andere stadsmens die bij het minste of geringste verstrikt raakt in zijn eigen visdraad?


'De streek heeft het nodig', zegt Henriksson. Intussen tuurt hij fronsend naar zijn dobber waaraan hij net een levend voorntje heeft gespiest dat neurotisch heen en weer zwemt. 'Mijn aas heeft ADHD, nu maar hopen dat de snoeken hem kunnen bijhouden.' 'Oioioioioi', galmt het triomfantelijk over het water. In de andere boot haalt Ludde een snoek binnen. Hij legt de tegenstribbelende vis omhoog. 'Het staat 2-1.' 'Tel je dat kleine babysnoekje als een hele vis?', kaatst Henriksson terug. Ludde lacht breed. 'Klein? Klein? Je hebt zelf een kleine...'


In het meer zwemmen snoeken van bijna twee meter, als je Henriksson mag geloven. Er zit in elk geval zo veel vis dat je er zelfs per ongeluk één kunt vangen.


Aan de andere kant van het meer fonkelen de lichten van de multiplexfabriek, een van de drie grote werkgevers in de omgeving. De grootste is Gripen, producent van baggervoertuigen. Die verkoopt wereldwijd, tot in Japan. Na de tsunami kreeg het bedrijf een grote order.


Dan is er de afkickkliniek voor minderjarigen, de reden dat de naam van het gehucht Hassela in heel Zweden op herkenning kan rekenen. Want alleen de allerzwaarste minderjarige drugs- of alcoholverslaafden komen naar de weelderige, ommuurde villa in Hassela. Een van die gevallen was Ludde. Hij kwam in 1993 en bleef hangen.


'De regio heeft toerisme nodig om levensvatbaar te blijven, om jonge mensen hier te houden', zegt Henriksson. 'Want met de fabrieken kan het zo afgelopen zijn.' Hij kent verhalen van fabrieken die de productie plotsklaps overplaatsten naar Azië.


Henriksson wil niet afwachten. Dan deelt hij 'zijn wildernis' liever met toeristen of nieuwe bewoners. Sinds 2009 wordt de regio vertegenwoordigd op Europese immigratiebeurzen.


Op die manier vonden de Nederlanders Marco (41) en Sonja Hassoldt (40) en hun 13-jarige dochter Luna het dorpje Ängra, een uur westwaarts vanaf Hassela, waar het landschap nog ruiger en leger is. Voor 'ongeveer 100 duizend euro' kochten ze in 2009 een gehucht: twee boerderijen, een oude zagerij en een oude school. En een popperig houten saunahuisje aan de rivier. Dat dient nu als badkamer voor de gasten van de kleine camping. In de school runt Sonja een bed and breakfast. Marco heeft er van zijn liefhebberij, het vliegvissen, een bescheiden toeristen- attractie gemaakt.


Sinds hij met de plaatselijke jagersvereniging mee op jacht mag, is Marco gegrepen door het berentoerisme. Op een meer in de buurt bouwde hij een vlot met een uitkijkhut. Onder een rots op de wal legt hij elke dag vlees, noten en honing. 's Nachts komt de beer dineren, niet wetend dat hij vanuit de hut wordt gadegeslagen door nieuwsgierige toeristenogen - of door Marco zelf, als hij eens een nacht alleen wil zijn.


Sonja zit graag te roken op de veranda. Toen ze hier net woonde, verbaasde ze zich voortdurend over de schoonheid van de natuur. Maar alles went, zelfs sprookjeachtige uitzichten. 'Maar toen ik laatst vlakbij een wolf hoorde huilen, dacht ik: o ja, ik woon in Zweden.'


Rode huizen

Of je nou naar een bloedstollende thriller van Henning Mankell kijkt of naar een illustratie van een kinderboek van Astrid Lindgren: de Zweedse huizen zijn rood, op het platteland tenminste. Dat heeft een reden, of beter: dat had het vroeger. De donkerrode pigmenten waren een restproduct dat overbleef in de ijzerindustrie rond het stadje Falun. Dit 'Falunrood' raakte in de 16de eeuw in de mode bij de elite en veroverde in de eeuwen daarna de titel 'nationale huizenkleur'.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden