Intieme reflectie

Bijna alle kunstenaars gebruiken opschrijfboekjes – om invallen te noteren, tekeningetjes te krabbelen, om te voorkomen dat een idee verloren gaat....

Tijdens een interview op zijn bureau in Tokio, jaren geleden inmiddels, pakte de Japanse architect Toyo Ito plotseling een pen om iets te verduidelijken. Wat ontstond was een heel eenvoudige prent van een stroom waarin een stok wordt gestoken en die door die ingreep een verstoring ondergaat. Zo gaat het in zijn werk, zei Ito. De stad is als een stroom die voortdurend verandert, voortdurend gemanipuleerd wordt en zich telkens weer aanpast, alleen maar om tegen de volgende verstoring op te lopen.

Het is een helder beeld, waarover Ito ongetwijfeld al uitvoerig had nagedacht en dat hij even waarschijnlijk, zoals zoveel ideeën, ooit een keer spontaan heeft genoteerd in een notitieboekje.

Dat soort schets- en aantekeningenboekjes zijn in overvloed bekend, maar meestal betreft het dan het werk van kunstenaars. Het aantekeningenboekje van de architect is niet minder interessant. En veel verschil is er niet. De magie van het notitieboekje als altijd aanwezig vangnet voor ideeën, gedachten, invallen, associaties en citaten is dezelfde. De vragen naar de feitelijke betekenis van de neerslag van het denken, van het denken op papier, zijn identiek. En zo is het ook met de antwoorden.

Of het gaat om het kladblaadje waarop Beethoven, aarzelend, de eerste ideeën voor zijn vioolconcert noteerde, een voorstudie van Van Gogh of om het ontwerp van de Italiaanse architect Aldo Rossi voor een koffiepot, altijd rijst de vraag of er enig verband bestaat tussen het geschrevene en getekende enerzijds en het karakter van de auteur anderzijds. Het antwoord zal altijd een grafologisch element in zich dragen. In het geval van de architect kan dat inhouden dat een royale manier van tekenen te maken heeft met een genereuze inborst en haast wel moet leiden tot een extraverte, robuuste architectuur (zoals het werk van de Braziliaan Oscar Niemeyer), terwijl het omgekeerd kenmerkend is hoe de introverte Gerrit Rietveld heel dun en precies het interieur van een zomerhuisje op papier kon zetten.

Zo is het speuren naar de betekenis van de schets in vele gevallen ook bijna een inbreuk op de privacy van de architect. Het inzage vragen in zijn schetsboek kan door de architect heel gemakkelijk worden ervaren als een verzoek om inzage in iets intiems als een dagboek, want schetsen kunnen de uiterst persoonlijke expressie zijn van intieme momenten van reflectie. Ook in dat geval is er dus verband met het karakter van degene van wie de tekening of aantekening is.

Inhoudelijk kan er in een schets natuurlijk van alles aan de hand zijn, maar het is duidelijk dat de meest interessante aantekeningen die krabbels zijn die iets vertellen over het zoekproces dat ieder ontwerpproces is. Liefhebbers van het genre kunnen euforisch worden van minuscule aanwijzingen waaruit kan worden opgemaakt dat de architect meer heeft getwijfeld dan ooit werd aangenomen of misschien wel eigenlijk iets anders had willen maken dan is gerealiseerd of – het allermooist – een veel sterker concept in zijn hoofd heeft gehad dan dat waarvoor hij uiteindelijk koos. Een prachtig voorbeeld is een schets van Wim Quist voor het Nederlands Architectuurinstituut waarvan hij zelf achteraf zegt dat hij het idee erachter niet had moeten verwerpen.

Voor de interpretatie van gebouwen en daarmee voor het architectuuronderwijs is de studie van ontwerpschetsen om diverse redenen van belang. De voornaamste reden is dat het onvoltooide dat iedere schets in zich heeft, de gedachte erachter vaak goed toegankelijk maakt. De schets mist het hermetische van het voltooide statement dat een gebouw zo gauw is. Daarom biedt het schetsboek de mogelijkheid meer inzicht te krijgen in wat het is dat de architect het meeste bezighoudt of wat hij precies zoekt – een idee of de kern van het idee, de poëzie in een project of het ideale detail?

Een bijzondere categorie vormen in dat opzicht de schetsen die gemaakt zijn met het doel een idee goed over te brengen. Ze kunnen, zoals bij Ito, al pratend, in een gesprek, worden gemaakt of in stilte, in alle gevallen mogen deze schetsen nooit voor meer dan een uitleg vatbaar zijn, maar moeten ze een duidelijk leesbare boodschap bevatten. Ze kunnen verhalend zijn, meer of minder slecht verborgen verleiders inhouden en mystificeren door de zaken of processen die aan de orde zijn mooier voor te stellen dan ze zijn. Het kunnen ook enorme geschiedvervalsers zijn, bijvoorbeeld waar de ‘eerste schets’ na afloop van het proces gemaakt wordt. En een apart verhaal zijn de schetsen die in alle openheid na afloop worden gemaakt, ter afronding of om een geslaagde synthese te verbeelden. Een prachtig voorbeeld is de manier waarop de schilder Edward Hopper op instigatie van zijn vrouw zijn schilderijen na het schilderen ervan natekende in een soort huishoudboekje – de essentie van de schilderijen, na het maken ervan, nog eens kort samenvattend.

De schets, ook de schets van de architect, is in al zijn eenvoud te vergelijken met een universum van mogelijkheden. Hij kan aandacht vragen voor een simpele, herkenbare plattegrond maar ook een ongekende ruimte opvoeren, hij kan kleine veranderingen in een bekende omgeving suggereren maar ook voor anderen nog onvoorstelbare nieuwe steden introduceren. De schets kan overal en onder alle omstandigheden worden gemaakt – in alle rust dan wel haastig, staand op een perron, keurig thuis, op het bureau of onder een boom in het park. En natuurlijk op reis. In dat laatste geval is er direct de vraag of de schets een speciale betekenis heeft omdat veel architecten heel bewust open staan voor nieuwe indrukken en op reis vaak bijna letterlijk op jacht zijn naar nieuwe ideeën.

Is dat het geval, dan wil je natuurlijk weten of er iets van de schets is terug te vinden in gerealiseerd werk, letterlijk of indirect, vertaald. Dat laatste vestigt de aandacht op het feit dat de schets een indruk kan geven van de manier waarop de architect kijkt, globaal oriënterend dan wel nauwgezet, analytisch. En vandaar is het een kleine stap naar de vraag welke rol de schets in het algemeen speelt in de ontwerppraktijk – een vraag die niet los is te zien van de omstandigheid dat op menig architectenbureau geen tekentafel meer te bekennen is omdat alles op de computer gebeurt. Het antwoord is opmerkelijk: de schets speelt nog steeds een zeer grote rol, als middel om tot een eerste ordening van de gedachten te komen, als ontspannen alternatief voor het werken met de computer of als anticipatie op een verdere uitwerking met de computer.

De enorme verschillen die er bestaan in de benadering van de schets betekent in ieder geval dat het fenomeen bijna vergeleken kan worden met een vingerafdruk. De beroemde schetsboeken van Le Corbusier hebben een uniek karakter vanwege het handschrift, de consequente menging van totaal verschillende zaken (schetsen als snapshots van plekken die hij bezoekt, studies en ontwerpschetsen, pseudo-diepzinnige wijsheden, afgewisseld met banale constateringen). Bij elkaar vormen zijn carnets een continue reeks van zelfbedachte argumenten voor zijn eigen grootheid, voor de mythe waarin de auteur als eerste geloofde. Ze zijn fascinerend en nog steeds een immense bron van inspiratie. Maar ook andere architecten zijn bekend om de manier waarop ze uit de losse pols konden tekenen.

Oscar Niemeyer hield ervan om zijn lezingen te illustreren met enorme tekeningen die hij ter plekke maakte. Gebeurde dat op grote vellen papier, dan was het voor studenten die erbij waren zaak om na afloop een tekening te bemachtigen. Louis Kahn, de laatste tijd zo in de belangstelling door de door zijn zoon gemaakte film My Architect – A Son’s Journey, heeft zich lang daarvoor al bloot gegeven in zowel ontwerp- als reisschetsen.

De Amerikaan Helmut Jahn was een van de eerste architecten die op grote schaal overal ter wereld gebouwen ontwierp. In de tijd waarin de fax in de mode kwam, bleek hij in staat om waar hij zich ook bevond een compleet plan uit de hoed te toveren en op één A-4’tje te documenteren.

In Nederland is er de herinnering aan de legendarische televisieserie Van stoel tot stad, een verhaal over mensen en ruimte in het begin van de jaren zestig. Hierin legde J.B. Bakema al improviserend en schetsend uit waar het in de architectuur en stedebouw op dat moment om ging. Herman Hertzberger, die zijn hele professionele leven, tot aan de dag van vandaag, heel consequent en systematisch heeft geschetst, moest aanvankelijk worden overgehaald om zijn schetsen te publiceren maar heeft dat inmiddels bij diverse gelegenheden uitbundig gedaan. Van de generatie daaronder is Jo Coenen bekend om de overtuigingskracht van zijn schetsen, en het gaat gewoon door: Jeroen van Schooten (Meyer en Van Schooten, van het ING gebouw) zag blijkens een tekening in zijn agenda op 27 januari 2000 al vrij goed voor zich wat op dit moment wordt gebouwd op het Westerdokseiland in Amsterdam.

Over de historische betekenis bestaat merkwaardig genoeg nog steeds soms twijfel. Anders dan in de beeldende kunst lijkt het belang van de schets in de architectuur vaak te moeten worden aangetoond. Waarom dat nodig is, is eigenlijk een raadsel, want het kan geen toeval zijn dat juist alle vernieuwing in de architectuur bijna altijd aantoonbaar ontkiemd is ergens in die driehoek tussen hoofd, hand en papier.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden