Intiem dagboek

Tien jaar werkte fotograaf Machiel Botman aan zijn boek 'Rainchild', kind gewassen uit de regen. Zijn foto's laten zich alleen door vermoeden of herkenning ontsluieren....

Op de uitnodiging van de tentoonstelling in Amsterdam staat een foto van twee kinderen. Ze lopen van ons weg. De een heeft de arm om de ander heen geslagen, in hun schaduwbeeld vervloeien ze tot gestalte. In een schaduwvlek ernaast die oplost in de achtergrond, zien we een vaag fragment van de fotograaf die alles ziet dubbelagent tussen zijn gevoelens en de onze.

De foto's zijn tijdloos en onbestemd. Ze kunnen van nu zijn, maar ook van vroeger toen de fotografie nog jong was. Ze zeggen ook niets van waar ze zijn gemaakt. De een doet aan Japan denken en de Japanse prentkunst die Vincent van Gogh zo bewonderde; de ander aan onvoorwaardelijke kameraadschap en liefde in oude kinderboeken als Hector Malots Alleen op de wereld of Selma LagerlNiels Holgerssons wonderbare reis, verhalen die net als zijn foto's over reizen gaan, ontheemd zijn, levensangsten en -verwachting en, al zijn het kinderboeken, over de dood.

Machiel Botman (1955, Vogelenzang) heeft tien jaar lang gewerkt aan het boek Rainchild, kind gewassen uit de regen. Bij zijn tentoonstelling in het Amsterdams Fotografiemuseum Foam staat in een inleidende tekst de opmerking dat de meeste van de foto's in Australiijn gemaakt, maar afgezien van die mededeling valt dat nergens uit op te maken. Zijn foto's zijn niet aan dat werelddeel of aan nu gebonden, maar aan een stemming, een eeuwig en diep geroerd zoeken en denken.

Het boek opent daar ook mee, met een foto van een gemillimeterd, bijna kaal hoofd, gebogen in gedachten (of in gebed, want soms heeft dat denken iets religieus, als een voorzichtig en bevreesd zoeken naar de zin van het bestaan). Het is geen gemakkelijke, directe fotografie die onomwonden zegt waar het op staat. Integendeel. Veel foto's zijn vaag. Soms vloeien ze zover uit in hun beweging of onscherpte dat ze niet gefotografeerd, maar geaquarelleerd lijken. Ze dragen geen direct beeld meer, maar de abstractie van een stemming een verwarrende dreiging, met toch altijd een lichte schemering van hoop.

Tussen de foto's door in het boek en op de tentoonstelling staan teksten. Soms zeggen ze iets over een situatie of ervaring, soms iets over mensen. Ze gaan over een herinnering of vertellen over Botmans levensvragen. Rainchild bevat geen losse foto's. Het is geen verzameling of bundeling van verschillende impressies. Foto's en tekst en lay-out zijn een geheel, een weerspiegeling van zijn leven zo complex als een geheim en intiem dagboek, vol twijfel, ernstig zelfonderzoek en intueve reflectie. Ook in Botmans vorige boek Heartbeat uit 1995 schemerde die achtergrond. Het kan ook niet anders, het is zijn leven. Soms zit in Rainchild een foto, die ook al in Heartbeat voorkwam. Ze verbinden elkaar, geven een ervaring door.

Rainchild kent merkwaardig genoeg twee omslagen. Het is een boek met een dubbele bodem en ook nog met twee titels. Op het stofomslag staat die, hierboven beschreven, grillige boom afgebeeld en de titel Rainchild. Op het linnen omslag daaronder worden voorkant en rug ingenomen door de afdruk van een kaft van een album. Het heeft een mooi, rustiek patroon, maar door het fond ervan heen rent het getekende figuurtje van een hollend mannetje en staat de tekst It's my game. Op de achterkant ervan is een contactvel afgedrukt met foto's van drinkende vogeltjes. Rainchild heet het boek, 'kind van de regen', maar ook It's my game, 'het is mijn spelletje'.

Botman benadert de wereld niet direct, maar in posche omzwervingen. Taal kan onthullen, maar ook verhullen, tot contemplatie en interpretatie bewegen. In zijn foto's gebeurt dat ook, ze zijn metafysisch, indirect. Er wordt iets in opgeroepen dat niet gelijk duidelijk is, maar alleen door een vermoeden of herkenning kan worden ontsluierd. Als je dat gevoel niet hebt, ga je eraan voorbij, zie je de verborgen zinnen tussen de regels niet, mis je het verband tussen ogenschijnlijk niet met elkaar te rijmen beelden en valt alles uit elkaar als losse duigen. Wat dat betreft is dit ook een heel erg gesloten fotografie. En zo zien we ritmes van donkere vensterramen van buiten met een veld bloemen op de voorgrond, die de geslotenheid van een huis symboliseren waaruit het leven is weggetrokken, en vensterruiten van binnenuit die het heldere buitenlicht laten vallen op de kale vloer van een lege kamer. En zien we een portret van een meisje dat recht langs ons heen kijkt; de vervagende contouren van een groepje bomen in de verte; twee kleine kinderen verborgen in tegenlicht; een paar duistere blote voeten die stappen over een pop die gevangen is in een streep bloemrijk strijklicht; een portret van een mooi meisje met geloken ogen en een ingehouden glimlach; een huis met zwartdonkere ramen, waarin venster opeens, onder een hemel vol dreigende wolken, het licht vangt; een vervagende hond die mee trippelt met zijn even vage schaduw; een zwarte arm, dik behaard met grijswit ouderdomshaar.

Het zijn losse fragmenten die samen aan een verhaal en aan een stemming, misschien zelfs een boodschap, bouwen. En zo gaat het verder. Met twee kinderen die in hun nachtgoed liggend op hun rug naar de nachthemel staren op de stenen stoep voor een huis; een kaalgeslagen herfstbos dat hevig beweegt in de wind en een vage figuur verbergt; een jongetje dat ons ernstig aankijkt terwijl twee slakken hun slijmspoor trekken op zijn naakte borst. Tussendoor worden al die vrije dichtlijnen weer onderbroken met steeds een enkel los, altijd ernstig kijkend, portret dat ons lijkt aan te kijken, maar bij nadere beschouwing dwars door ons heen kijkt naar de einder en de eeuwigheid.

In een geschreven dagboektekst over vogels die op de tafel voor hem neerstrijken en water drinken, terwijl hij zich niet durft te bewegen om ze niet op te laten schrikken, staat opeens een herinnering aan zijn overleden moeder. Ze woonde naast een spoorlijn, wat de mensen in de oorlog een zegen noemden, omdat de bommenwerpers het spoor altijd misten en hun dodelijke last een stuk verderop lieten vallen. Even verder komt zo'n herinnering aan zijn moeder nog eens terug. Hij ontruimde het ouderlijk huis samen met zijn broer. Ze verdeel

den alles uit dat huis onder elkaar en gaven de rest weg aan vrienden zelfs de bomen en planten uit de tuin, alsof ook dat familiestukken vol herinneringen waren geweest. Hij maakte daarna foto's van alle lege kamers in dat huis en had het toen opeens niet meer, voelde zich verloren, een vreemdeling geworden in het huis van zijn jeugd en vroeg zich af of hij ooit gelukkig zou kunnen zijn met deze foto's.

En dan vloeit het gedicht weer verder: in een foto van een rivierdelta vanuit een vliegtuigraam genomen, een landschap als de nerven van een boomblad; een man ruggelings drijvend in het water, maar wel in de houding van de gekruisigde Christus. Het zijn beelden die alleen maar te omschrijven zijn in stemmingen, soms zit die zelfs alleen in een oogopslag of een blik. Er is een portret bij van een jong meisje met een walkman op haar hoofd en een halsketting om met een stralende ster. Ze kijkt ons aandachtig aan. Maar als je goed kijkt, zie je dat ze ons niet ziet. Haar blik is ingekeerd, in zichzelf teruggevloeid, gericht op de muziek in haar hoofd.

Een handgeschreven tekst op een vel papier tussen die foto's somt een lijstje woorden op. Zo te zien een keuzelijst met titels voor dit project, waaruit uiteindelijk Rainchild als verlossing viel. Bij een foto van een jongetje dat ruggelings valt (net zo goed kan hier het tegendeel gebeuren en zijn we getuige van een wonderbaarlijke elevatie) staat geschreven dat het een zegen is dat beschermengelen roken en drinken en vloeken. Zo gaat het regenkind maar verder: in een contactvel met kleine, tere bloempjes; een geschilderd en niet gefotografeerd zelfportret met een zwerm trekvogels dat daarna nog eens in een keer in beide handen wordt opgepakt om het zorgvuldig te bekijken; in een negatief-afdruk als een beeld uit een ver verleden van een man die de socialistengroet brengt, de gebalde vuist boven het hoofd geheven, 'Rood Front!'

Die dubbele bodem van het verborgen omslag met zijn schaduwtitel komt in het boek zelf en de tentoonstelling weer terug. In het boek in het klein, in een dubbele pagina met voorbeelden; in Foam groot, met losse vellen op de muur. Het is een verslag van het zoeken naar een passende lay-out, in het plakken, knippen, schuiven met de dummies voor dit boek; de puzzels van combinaties en confrontaties die uiteindelijk tot dit fotogedicht leidden. En voor een keuze, die niet gemaakt kan worden omdat die te moeilijk is, is er dan altijd nog de uitweg van een dubbele omslag. Het omzichtig zoeken van Botmans fotografie (en zijn levensvragen) gaat daarna gewoon weer verder. Het houdt nooit op, die lay-out-verantwoording was een intermezzo, maar wel een belangrijke want alles hangt hier met elkaar samen.

Een apart deel van Rainchild wordt gevormd door een reeks portretten van vrienden. Ze zijn voorzien van een korte, intieme, een enkele keer zelfs verbijsterende tekst. Naast vrienden blikt hij hier nadrukkelijk terug op een paar leermeesters. De fotografen Johan van de Keuken en Aart Klein horen hierbij, de Australische Catherine Duncan die ooit met de filmer Joris Ivens en de fotograaf Paul Strand samenwerkte, en Constant, de Cobra-schilder en schepper van New Babylon, het futuristisch universum van de toekomststad.

Hij heeft veel geleerd van Johan van der Keuken. Botman liet hem een portret zien van vriend Frank (het zit even eerder in deze serie), waarop Van der Keuken alleen vroeg of hij nog een millimeter meer ruimte had boven het hoofd in het negatief. Dat had hij, zegt Botman, en gaf het portret die millimeter, zo zien we op de afdruk. En we zien meer. Zijn portret van Johan van der Keuken heel teer en liefdevol, bijna breekbaar verbeeld heeft exact hetzelfde kader als dat van Frank, met die vrije millimeter boven het hoofd.

Bij Constant gaat hij nog een stap verder in de leer. Het gaat niet zozeer om zijn portret van een aandachtig kijkend man, maar om wat Botman over de Cobraschilder en visionair zegt, de boodschap die in diens levenshouding zit: 'Constant is een vriendelijk man. Hij zegt niet veel, hij beweegt niet veel, maar zijn ogen volgen alles, en willen alles weten. Deze man is stil bezorgd over alles wat er mis is in de wereld. En in die stilte is hij zo transparant en uitgesproken. Hij is ook de man die zijn dode hond Waldo schilderde in een zee van licht.' Zo moet het leven, voor een uit de regen geboren kind, geleefd worden. It's my game alleen is het leven zelf geen spelletje.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden