interview

Tobberig. Die eigenschap kenmerkt niet alleen de personages die actrice Lies Visschedijk (35) speelt, het bepaalt ook haar eigen karakter....

‘Ik zeg weleens tegen mezelf, als ik een toneelrol aangeboden krijg: ‘Kom op Lies, je mag er wel iets meer zin in hebben.’ Dat je dan denkt: ja, ik kan het doen, maar ik kan het ook niet doen; sta ik daar weer, op een podium, wat schiet ik er nu eigenlijk mee op? Het is een soort vermoeidheid die je ziet bij veel acteurs na een jaar of tien spelen. Terwijl je juist dankbaar moet zijn dat je werk hébt. Maar toch is het moeilijk enthousiast te blijven als je jaar in jaar uit in van die grote ensemblevoorstellingen staat. Op een dag denk je: wat nu? Daarom is een eigen theatergroepje ook zo belangrijk. Dan ben je toch ergens thuis.’

Het is inherent aan het vak van actrice, zegt Lies Visschedijk. Overal ja op zeggen, omdat het volgend jaar zomaar een stuk minder kan zijn. ‘Ik nam altijd alles aan wat op mijn pad kwam. Bang om anders de boot te missen, om thuis te komen zitten, net als veel andere acteurs uit mijn jaar. En dat waren lang niet de slechtste. Ik heb vaak gedacht: waarom zij niet en ik wel? Het deugt natuurlijk van geen kant. Het is net een loterij. Met mij gaat het nu goed, maar dat kan over een jaar weer anders zijn. En over tien jaar... Jezus Christus, daar maak ik me weleens zorgen over. Dan is het meisjesachtige er wel af.’

Het gaat zeker goed met Visschedijk, ‘de vierde Gooische vrouw!’ zoals vorig seizoen met nogal wat opwinding in de bladen werd aangekondigd nadat Annet Malherbe uit de serie Gooische Vrouwen was gestapt. Ook speelt ze een hoofdrol in de VPRO-comedy Sorry minister, de Nederlandse variant van de Britse serie Yes minister, die vorige week is begonnen. Twee grote rollen in twee tv-series op primetime; plots is ze ‘een soort bekende Nederlander’, de actrice die al meer dan tien jaar avond aan avond op de planken staat, op de Parade, in stukken van Orkater, Oostpool, de Ploeg en haar eigen theatergezelschap Bloody Mary.

‘Dat is raar hoor’, zegt ze, terwijl ze melk klopt in een steelpannetje in haar smalle keuken in Amsterdam-West. ‘Opeens ligt de Privé in de bosjes. Hadden ze me gefotografeerd toen ik uit mijn auto stapte voor een met planken dichtgespijkerd pand hier om de hoek. Grote kop erboven: ‘Vierde Gooische Vrouw Woont in Afbraakbuurt!’ En dan een inzetje ernaast met een foto van de scheuren in het pleisterwerk op onze gevel. Daar hadden ze op ingezoomd. Het is wel grappig. Maar als je in scheiding ligt of ernstig ziek bent en er ligt iemand met een camera op de loer, lach je niet zo hard.’

Wat verandert er nog meer door het succes? ‘Ach, succes Als je al jaren in het theater staat en dan opeens door een tv-rol heel veel aandacht krijgt, dan is dat leuk, begrijp me niet verkeerd, maar dan denk je vooral: hier klopt iets niet. Ik ken zo veel mensen die fenomenaal goed spelen en die helemaal nooit in Volkskrant magazine mogen staan. Wat is dat toch eigenlijk oneerlijk.’

Ze beweegt zich opeens in ‘een andere wereld’, zegt ze, de wereld van de coryfeeën die te gast zijn in elkaars programma’s en waarin zij ‘toch een beetje een buitenstaander’ is.

‘Ik ging laatst met een paar Gooische vrouwen naar een RTL-dag. We stapten samen uit de auto, zij in vol ornaat en ik ook, helemaal opgeschilderd en met geföhnde haren, en ineens moest ik zo verschrikkelijk lachen om ons. Het is zó krankzinnig: je speelt geen rol, dus je bent jezelf, maar toch ook eigenlijk weer niet.

‘Wat Linda kan, vind ik fascinerend.’ Ze staat bevallig naast de keukentafel, hanteert een denkbeeldige microfoon. Met een professionele glimlach: ‘Hallo Bob, jij komt uit Almere...’ Dan, nadat ze als een regisseur afkapbewegingen langs haar hals heeft gemaakt: ‘Maar we gaan nu eerst naar de reclame.’

Zoals jij het doet, is het meteen een persiflage. ‘O, maar ik heb er grote bewondering voor, zo'n grote spelshow presenteren op zo'n natuurlijke manier. Ik zou mijn maag eruit kotsen van de stress.’

De vrouwen die ze speelt zijn bijna altijd tragikomisch, of ze nu een overijverige productieassistente is in Alles is liefde of Roelien, de aandoenlijke trut met een broekrok in Gooische vrouwen.

Grappig en tobberig: het zijn twee kanten van haarzelf. ‘Dat vind ik leuk, ja, iemands zwakheden laten zien. Vrouwen spelen die enorm hun best doen, maar bij wie het toch allemaal niet lukt. Of een heel slechte vrouw bij wie doorschemert dat ze het ook eigenlijk niet weet. De secretaris-generaal die ik speel in Sorry minister bijvoorbeeld, is een keiharde, ambitieuze vrouw, zo’n vrouw met wie je twintig jaar samenwerkt zonder dat ze ooit vraagt hoe het met je gaat. Ik vind het dan leuk om te bedenken dat zij ’s avonds thuis met een magnetronmaaltijd voor de televisie zit, zonder liefdesleven, met alleen een grote hond. Mensen lachen toch het liefst om de onvolkomenheden van een ander. Ik vind dat zelf ook altijd wel fijn om te zien.’

Visschedijk is getrouwd met filmmaker en acteur Marc van Uchelen en heeft een zoontje, Ko, van 5. Ze is vier maanden in verwachting van haar tweede kind. Met een zwangere buik speelt ze binnenkort een ‘dikke, lesbische piraat’ in Fok, een toneelstuk van haar eigen gezelschap Bloody Mary. De tweede helft van de tournee althans – de eerste helft moet ze overlaten aan een vervangster vanwege de draaidagen van Gooische vrouwen. ‘Daarover heb ik me behoorlijk klote gevoeld. Maar bij zo’n serie kun je niet zeggen: ‘Volgend jaar doe ik niet meer mee.’ En zeker niet vanwege een kleinezaalvoorstelling waarvan je lange tijd niet eens weet of-ie wel doorgaat. Nou ja, er zijn wel mensen die dat doen.’ Verontschuldigend: ‘Maar dat heb ik niet gedaan – ik heb ook nog een kind. En Gooische vrouwen is natuurlijk geweldig.’

Het wringt, je theater- en je tv-werk. ‘Ik heb een periode achter de rug dat ik overdag tv-opnamen had en ’s avonds in het theater stond. Na de draaidag werd ik met een auto naar het theater in Winterswijk of Breda gebracht. Snel een hap bami bij de Chinees waar de rest al zat te eten, de voorstelling spelen en dan – ‘dag, dag’ – weer terug naar een hotel, om vervolgens om 6 uur op te staan. Dat was wel zwaar, ja.’

En hoe was dat voor het thuisfront? ‘Mijn zoon stond als een soort Kniertje op de kade dramatisch aan me te trekken wanneer ik door de runner van huis werd gehaald: ‘Nee, mama, je mag niet werken!’ En hij ging de runner slaan. Het is een vurig, explosief jongetje, anders dan veel andere kinderen. Ik vind opvoeden moeilijk, hoor. Ik weet niet altijd wat ik met hem aan moet.’

Hoe reageer je dan? ‘Zo luchtig mogelijk: ‘Ga lekker naar binnen, joh, met de lego spelen.’ Als je laat zien hoe moeilijk je het vindt, geef je de indruk dat werken iets ergs is. En dat is het niet, hoe vaak ik ook dacht: ik wil godverdomme thuisblijven om stoofvlees te maken. Dus zeiden Marc en ik: ‘Maar het is ook léúk. Mama moet ook geld verdienen’.’

En je man, wat vindt hij ervan? ‘We hebben mazzel met de crisis. Marc regisseerde de laatste jaren voornamelijk reclamespots, maar dat is allemaal minder geworden. Hij is nu veel thuis voor Ko. Hij is een toegewijde opvoeder. Dr. Spock noem ik hem weleens.’ Even later: ‘Het is soms moeilijk voor hem, natuurlijk. Als iemand die hij goed kent een film maakt, denkt hij heus wel: verdomme, dat wil ik ook. Zorgen is niet een heel dankbare taak. Als hij thuis zit en ik werk, wil hij erkenning uit de opvoeding halen. Dan ben ik de vrouw die op zondag het vlees snijdt, en hij is degene die het best weet hoe het zit met ons kind. Gedeeltelijk heeft hij daarin ook gelijk. Maar ik sta hier ook ’s nachts de wasdroger in te ruimen.’

Van de buitenwereld krijg jij alle aandacht, hij niet. ‘Ik vind het groots dat hij niet jaloers is op mij. Hij is trots, kritisch ook, maar hij gunt me al het werk van de wereld. Hij zegt: ‘Het is nu eenmaal zo gelopen dat jij veel werkt en ik nu niet.’ Weet je, er wordt van ons allemaal maar verwacht dat we van die winnaars zijn, dat succes naar je toe komt als je maar wil en heel hard werkt. Maar dat is helemaal niet zo. Succes is niet maakbaar, het leven is niet maakbaar. Het is een hele bevalling om dat te accepteren, maar als je dat eenmaal hebt gedaan, is het ook een bevrijding. Daardoor kan hij denken: dan maar niet de nieuwe Scorsese. Ik doe nu even iets anders en ik heb het ook naar mijn zin.’

Maar jij hebt heel hard gewerkt en het heeft wel succes opgeleverd. ‘Ja, maar dan moet je het allemaal nog wel doen. Het is niet zo dat ik nu kan zeggen: ‘Zo jongens, het grote genieten kan beginnen.’ Nee, nu moet ik het waarmaken. Onder druk mijn eigenheid bewaren. En me niet voortdurend afvragen: waarom ik? Daarvan heb ik lang last gehad: dat je je bij voorbaat excuseert dat het misschien wel tegenvalt wat je staat te doen.’

Ze vertelt over de crew van Gooische vrouwen, die op zaterdag moest opdraven omdat zij door de week voor een theaterstuk moest repeteren. ‘Ik stond me daar zo schuldig te voelen omdat die mensen niet naar het voetballen konden met hun kinderen. Ik dacht: ik maak het niet waar.’ Ook andere onzekerheden speelden een rol. ‘Annet Malherbe is bijvoorbeeld ontzettend geestig, die maakte iedereen aan het lachen op de set. Ik dacht het eerste seizoen maar steeds: dat moet ik ook, shit, ik moet iets leuks zeggen. En dan kon ik niks bedenken. En als iedereen om me heen de slappe lach had, dacht ik: zie je wel, ik doe niet mee.’

Afgelopen zomer zat je bij Linda de Mol in haar huis in Portugal. ‘Jaaa ik ben erg op haar gesteld geraakt. Dat is dan wel even een andere wereld waar je instapt. En aan de andere kant weer niet. Want als je in je badpak over niks zit te lullen, komt het er uiteindelijk op neer of je het gezellig hebt of niet. En dan maakt het niet uit of je in Portugal zit of op een grascamping in Almere. Het grappige is dat zij zich dat volgens mij ook als geen ander realiseert.’

Visschedijk groeide op in Heel, een katholiek dorp aan de Maas in Midden-Limburg, waar haar vader ‘de dorpsdokter’ was. ‘Het was of de tijd daar stil had gestaan. Ik heb er echt nog een staartje van meegekregen: je had de burgemeester, de pastoor en de dokter. Er waren daar twee kloosters waar mijn vader patiënten had en als je dan zag met hoeveel ontzag de nonnen hem ontvingen. Het ontroert me nog als ik eraan denk.

‘Er is veel veranderd in dat dorp. Het is een grote nieuwbouwkern geworden. Ik vind dat verschrikkelijk. Wanneer ik daar nu fiets en zie dat er wéér een boerderijtje is verdwenen, kan ik daar buitenproportioneel verdrietig om zijn. Alles verdwijnt maar, alles gaat kapot. De lagere school is afgebroken. Er zaten zwaluwen onder de dakrand, daar keek ik altijd naar, maar die komen niet meer terug.

‘Wij woonden aan de rand van het dorp, met achter de tuin bossen, hei en vennen. Dat gebied zijn ze aan het eind van de jaren zeventig gaan ontgrinden; de grond werd afgegraven, de bomen werden gekapt. Ik hoor nog die ontgrindingsmachines, het geluid van mijn jeugd. Al het moois brokkelde zomaar af.’

Ze zou er niet meer willen wonen, toch spreekt ze met nostalgie over het dorp. ‘Ik kan wel jaloers zijn op mensen die daar geboren en gebleven zijn. Mijn vriendinnen van toen, die lekker drie dagen werken en zomaar even langs hun moeder kunnen fietsen. Als ik naar huis ga is het alsof ik in een tijdmachine stap.’

Haar moeder deed de apotheek aan huis, maar ging op latere leeftijd psychologie studeren. ‘Met vier kinderen zat ze als enige veertiger tussen de 18-jarigen. Ik vind het fantastisch dat het haar is gelukt. Ze is snel afgestudeerd en psychotherapeut geworden. Opeens zaten er groepjes mannen met grijze pagekapsels bij ons in huis. Het waren de jaren zeventig, hè. Er ging een wereld voor haar open.’

Het moet impact hebben gehad op het huwelijk van je ouders; ze zijn gescheiden. ‘Ja, een stuk later, toen ik 17 was. Mijn broer en zussen waren toen al het huis uit. Dat was eenzaam, helemaal geen leuke tijd. Ik ben met mijn moeder nog naar een flat in Roermond verhuisd. Zat ik daar opeens, in mijn eindexamenjaar.’

Hoe ging jij met de scheiding om? ‘Ik ging mijn eigen plan trekken. Ik dacht: ik moet het zelf leuk gaan maken, want thuis was het toen geen vrolijke boel. Dus ik was veel weg, met mannen en brommers en dat soort dingen’

Mannen en brommers? ‘Ja, ik reed met een grote zwarte leren jas en knalwitgeblondeerd haar rond op een opgevoerde brommer. Ik was zo’n puber die alles stom vond. Behalve uitgaan en feesten, samen met mijn beste vriendin.’ Ze begint te lachen. ‘We hingen bij bands rond, ik had iets met een drummer van 36. Ik zie me nog in de tourbus zitten, joints draaiend voor de hele band. Ik blowde zelf nooit, maar ik zat dan wel bloedserieus aan die hasj te snuiven: ‘Jongens, dit is héél slecht spul.’ Het is heus niet zo dat ik met die hele band neukte; het waren wel heftige gasten, maar eigenlijk ook heel goeiige mannen. En ik was een keurige gymnasiast.’

Ging je daarna meteen naar de toneelschool? ‘Als kind wilde ik al ‘actice’ worden, zo schreef ik het in al die vriendenboekjes. Maar als puber vond ik dat genant. Ik durfde niet eens langs de toneelschool te lopen, zo eng vond ik het allemaal. Ik ging theaterwetenschappen studeren in Amsterdam, toch ‘iets met theater’.

‘Ik ben er precies één dag geweest. Ik herinner me nog een heel grote vrouw.’ Ze zet een zware stem op: ‘‘Wij leiden jullie op voor de werkloosheid’, zei ze. Ja, je kon dramaturg worden – ik wist niet eens wat dat was, dramaturg. Ik zie me nog staan, huilend mijn moeder bellend in een telefooncel op de Dam.’ Nu doet ze een hoge paniekstem, met een Limburgs accent: ‘Ik weet het niet meer. Ik weet niet wat ik wíl.’

Maar in haar hart wist ze precies wat ze wilde: de toneelschool. Vanaf het moment dat ze daar een stap zette, was het: acteren, acteren en nog eens acteren. ‘Het was geweldig. Het slokte me op. We zaten in een groot pand aan de gracht, waar we als studenten een sleutel van hadden. ’s Avonds om negen uur deden we de deur dicht en ’s ochtends deden we hem zelf ook weer open. Dat was je leven, buiten de school was er bijna niets.’

Na haar afstuderen stond ze in de ene theaterproductie na de andere, tot ze er half overspannen van werd. ‘Ik werkte zo hard. Werd een tijd lang elke ochtend om vier uur in paniek wakker. Wéér een dag om door te komen. Ik stond destijds op de Parade. Die draaimolen, die tenten, die mensen... Als je labiel bent, lijkt het één grote psychedelische trip. Ik durfde er bijna niet meer naartoe.’ Later: ‘Het is toch ook een hoop gedoe, het leven? Het interesseert mij mateloos hoe anderen het doen. Al die mensen die je ’s ochtends ziet lopen, die hebben hun tanden gepoetst, hun huur betaald, hun kabel geregeld. Iedereen kan dat toch maar, blijkbaar.’

Collega-acteurs zeggen over jou: een groot talent, geen groot ego. Is dat laatste een voor- of een nadeel voor een acteur? ‘Acteurs met een groot ego, een grote ambitie, hebben een zeker bestaansrecht op het podium. Barbra Streisand vindt het helemaal niet raar dat iedereen juicht als ze opkomt. Die vanzelfsprekendheid, dat heeft kwaliteit.’

Het kleine ego heeft veel geruststelling nodig. ‘Dat is waar, het grenst aan valse bescheidenheid. Ik moet dat leren: gewoon zeggen dat ik wat kán.

‘Het vreemde is: op het toneel heb ik schijt aan alles. Maar als ik na afloop door de foyer moet lopen om bij de auto te komen, voel ik me verlegen, opgelaten. Dan voel ik me opeens zo bekeken. Ik ben niet iemand die erg voor zichzelf opkomt.’

Terwijl je juist een vak hebt gekozen waarin je continu bekeken wordt. ‘Ja, dat is natuurlijk een rare situatie. Misschien kies je dit vak ook wel vanwege je issues. Zo’n vrouw als ik speel in Sorry minister, die helemaal geen moeite doet om aardig gevonden te worden, is alles wat ik in het echte leven niet durf te zijn. Ik heb zelf een soort natuurlijke weerstand tegen mensen met veel geldingsdrang. Mensen met van die ambitieuze neusvleugels, die overal vooraan staan.’

Maar je moet als actrice toch zelf ook een zekere geldingsdrang hebben? ‘Dat is ook zo, zonder ambitie kom je er niet. Je staat niet zomaar met een monoloog in de schouwburg als je niet je nek uitsteekt.’

Zoals Halina Reijn momenteel. ‘Precies. Godverdorie zeg, wat is het dapper wat zij doet, en goed.

‘Vroeger oordeelde ik heel snel over mensen, maar ik ben blij dat dat minder wordt. Het laatste dat ik wil zijn is cynisch zijn. Dat is echt een angstbeeld van me: dat ik op een dag zo’n vrouw ben met een rode streep lippenstift, het grijs uit haar haar geverfd, die voorstellingen bezoekt en het allemaal maar niks vindt. Die eigenlijk kwaad is dat zij daar zelf niet meer staat. Of een vrouw die gaat oerdansen, of emotioneel lichaamswerk gaat doen, en ‘eindelijk voor zichzelf gaat kiezen’. Ach, ik kan wel honderd voorbeelden opnoemen van hoe ik niet wil zijn.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.