Interview Roland de Leeuw

Een tanker die niet is te keren, dat zou het Rijksmuseum zijn bij het aantreden van directeur Roland de Leeuw . Zonder slag of stoot gaat het nog steeds zeker niet, maar de koers heeft hij verlegd. Over zijn tentoonstellingsbeleid: ‘Je hebt niet voor niets geleefd, dat je dit voor elkaar krijgt.’

‘Wat ik vooral jammer vind, is dat het publiek zo lang zo’n beperkt Rijksmuseum krijgt aangeboden’, zegt Ronald de Leeuw . ‘Vooral omdat dat zo schril contrasteert met ons ongelooflijke publieksbereik vorig jaar: 1,1 miljoen bezoekers in de Philips-vleugel, 400 duizend voor onze tentoonstelling Rembrandt-Caravaggio in het Van Gogh Museum, 222 duizend in het Rijksmuseum Schiphol en 75 duizend voor Mode uit het Rijksmuseum in de Nieuwe Kerk.’

Twee kanten
De vraag was wat er niet was gelukt in de ruim tien jaar dat De Leeuw de baas is bij het Rijksmuseum. Zijn antwoord duidt op de twee kanten die aan het verhaal over het Rijks kleven. De ene is de tergend trage verbouwing van het Rijks. De andere is de groei als publieksmagneet, tegen de gedwongen sluiting in. De 1,8 miljoen bezoekers van vorig jaar liggen ver boven het gemiddelde gedurende de laatste drie decennia, dat steevast rond het miljoen schommelt – soms iets meer, soms iets minder.

Tegenover dat succesverhaal staat het probleem van de trage nieuwbouw. Onlangs werd bekend dat de renovatie van het Rijksmuseum , met een budget van 272 miljoen euro de grootste ooit van een Nederlands cultuurpand, tegen haar zoveelste vertraging is aangelopen. De aanbesteding van het aannemerswerk, die dit voorjaar had moeten beginnen, is over de zomer heen getild. Het wachten is op een monumentenvergunning, een van de honderd die de renovatie vereist. De heropening, begin dit jaar nog beloofd voor het najaar van 2010, vindt nu waarschijnlijk plaats in 2011 – misschien zelfs pas in 2012. Sinds eind 2003 is het Rijks grotendeels gesloten voor het publiek – op de Philips-vleugel met de mooiste schilderijen uit de collectie na.

Twee gezichten
Net als zijn museum vertoont Ronald de Leeuw (59) twee gezichten. Een succesvol lobbyist is hij, sociaal handig, vooral naar de buitenwacht, die hij bij het Rijks weet te betrekken – onder zijn bewind kreeg het Rijksmuseum miljoenensteun van de BankGiro Loterij, die spectaculaire aankopen mogelijk maakt als De burger van Delft van Jan Steen in 2004, voor 12 miljoen euro. Maar binnen de eigen organisatie leidde zijn onwrikbare houding, in 2000, tot een knallend conflict met zijn personeel.

De Leeuw is een man van de lange adem. ‘Toen ik deze baan kreeg’, zegt hij in zijn kantoor aan de Hobbemastraat, ‘werd mij al verteld: het Rijksmuseum is een tanker die moeilijk is te keren. Maar mijn karakter is dat ik een zekere stevigheid vertoon en niet teveel laveer.’

Regie weg
Die vasthoudendheid heeft erin geresulteerd dat de Leeuw in het Rijks een nieuw tentoonstellingsbeleid tot stand heeft weten te brengen. Maar die vasthoudendheid droeg ook bij aan de vertragingen in de renovatie. Vorig jaar besloot toenmalig staatssecretaris van Cultuur Medy van der Laan om de regie over de verbouwing naar zich toe te halen. Sindsdien is De Leeuw niet langer een van de drie ‘principalen’ naast de bewindslieden van Cultuur en VROM.

De Leeuw reageert erop op de voor hem karakteristieke manier: in feite is er niets aan de hand, zegt hij. Zijn driemanschap met de bewindslieden was van meet af aan bedoeld ‘om de zaken goed te coördineren’. Zij gingen over de stenen en de vergunningen. ‘Dat was helemaal niet mijn klus.’

Hij zat aan als gebruiker van het gebouw. ‘Bij alle zaken die met smaak en inhoud hadden te maken, heb ik mijn moment kunnen hebben. Toen de architecten moesten worden gekozen, zat ik natuurlijk in de jury.’

Protesten
Cruz en Ortiz, de Spaanse architecten van het nieuwe Rijks, wilden een nieuwe ingang midden in de onderdoorgang onder het museum die minder ruimte liet voor fietsers. Na luide protesten van burgers en het stadsdeel Oud-Zuid werd het ontwerp aangepast. Gevolg: een vertraging met een jaar. ‘Wij hebben zo lang mogelijk vastgehouden aan wat wij de beste oplossing vonden, overigens met instemming van de bewindslieden en de Rijksgebouwendienst.’ ‘De landelijke publieke opinie hadden wij daarin aan onze kant. En wij denken ook niet zo gemakkelijk: o, andere voorstelling, ander decor. Dat komt door de eeuwigheidshorizon die het Rijks nu eenmaal heeft. Kijk – over de democratie in Nederland kan ik een leuke tentoonstelling maken, maar ik ga er niet over hoe die is geregeld.’

Met ongeveer een miljoen voorwerpen beheert het Rijksmuseum veruit de grootste Nederlandse verzameling kunstschatten en historische objecten. Hét schilderij van de Lage Landen, Rembrandts Nachtwacht, hangt er al sinds de oprichting in 1800. Het Rijks is een van de grootste ontvangers van rijkskunstsubsidies, met gemiddeld zo’n 25 miljoen euro per jaar, én van het groeiende aantal private giften van burgers en bedrijven. Directeur zijn van zo’n instelling is een indrukwekkende opdracht, die gemakkelijk kan vervallen tot op de winkel passen – voor de Nachtwacht is altijd publiek.

Gouden formule
Ronald de Leeuw kreeg zijn aanstelling echter omdat hij had bewezen te durven sleutelen aan een gouden formule. Van 1986 tot 1996 was hij directeur van het Van Gogh Museum, de schatkamer van één schilder, de lieveling van miljoenen toeristen. Hij gaf dat icoon een nieuw leven door Van Gogh te confronteren met het werk van zijn tijdgenoten en navolgers, en aldus verbreedde hij een geheide publiekstrekker tot een gedegen museum van de 19de eeuw.

Ook in het Rijksmuseum paste De Leeuw zijn brede aanpak toe. Hij bracht kunstenaars met elkaar in verband, zelfs zij die helemaal geen tijdgenoten waren – iets dat vijftien jaar geleden ondenkbaar was geweest. Rembrandt en Caravaggio, bijvoorbeeld, en vanaf september de Britse 19de-eeuwse landschapsschilder John Constable met diens grote 17de-eeuwse Nederlandse voorbeelden Ruisdael, Hobbema en Koninck.

Niet voor de hand
En terwijl dat tien jaar geleden nog helemaal niet zo voor de hand lag, sprak De Leeuw zich bovendien nadrukkelijk uit voor een Rijksmuseum dat zich meer op buitenlandse kunst richt. In 1995 stelde hij in zijn inaugurele rede als buitengewoon hoogleraar aan de Vrije Universiteit dat de Nederlandse musea te weinig internationaal georiënteerd zijn. Niemand kocht meer een David, Delacroix of Ingres. Voor het Rijks koopt hij nu regelmatig werken van buitenlandse kunstenaars. Zoals in 2003 een Havengezicht van de Franse 17de-eeuwer Claude Lorrain. ‘Velen hier zeiden toen: waarom kopen we geen mooi Nederlands schilderij, een Karel Dujardin? Ik bleef maar uitleggen: nee, Lorrain is belangrijk, hij is de vader van de italianisanten’ – de (onder meer Hollandse) landschapsschilders die zich lieten inspireren door het Italiaanse landschap en lichtval. De Leeuw : ‘Wij zijn daar vaak nog te eigenheimerig in.’

Niet gewend
Uitleggen, voortdurend uitleggen – hij was het niet gewend. ‘Het Van Gogh was in mijn tijd bijna een eenmanszaak’, observeert hij nu. Het Rijksmuseum telde bij zijn aantreden eind 1996 zo’n vierhonderd medewerkers. Dat waren er misschien wel wat te veel, opperde de nieuwe directeur al snel. Ook in de prestigieuze collectie van het Rijksmuseum kon wel wat worden gesneden, filosofeerde De Leeuw vrijelijk tijdens een toespraak in Londen. Hij poneerde daar het idee van collectie-mobiliteit. ‘Waarom sturen we de 19de-eeuwse scheepsmodellen niet naar het Scheepvaartmuseum? Hebben we eigenlijk wel een afdeling Nederlandse geschiedenis in het Rijksmuseum nodig? Kunnen we niet een paar satellietmusea beginnen zoals de Tate heeft gedaan?’

Dat was vloeken in de Rijks-kerk, met zijn lange verzamel- en tentoonstellingstradities. In 2000 kwam het personeel in opstand tegen zijn dominante directeur. De voltallige ondernemingsraad trad af vanwege De Leeuws ‘onzorgvuldige, warrige en intimiderende’ stijl van leiding geven. Oud-medewerkers luchtten hun hart in de media en spanden rechtszaken aan tegen het Rijks. De Leeuw , binnen zijn vakgebied zo uitgesproken, bleef zwijgen. Totdat een rechter hem dwong tot publieke excuses aan een ex-medewerkster die hij ten onrechte van fraude beschuldigde. ‘Ja – dat zal ik niet snel vergeten’, zegt hij nu. ‘Treurig, treurig, haha! Maar over wat de rechter daar gedaan heeft, heb ik nog steeds mijn eigen gedachten.’

Ontslagen
Door steun van de raad van toezicht bleef hij overeind. Zeventig van de vierhonderd medewerkers werden ontslagen, overgeplaatst of ze vertrokken uit eigen beweging. In een terugblik zegt De Leeuw : ‘Ik heb hier gewoon een cultuurclash gehad. Ik heb de emoties onderschat. Maar het zou heel slecht zijn geweest voor het Rijksmuseum als er toen een compromis was gesloten. Het was gewoon een kwestie van volhouden.’ Hij geeft zijn visie op het conflict: ‘Je kunt een boekhouder ontslaan, je kunt een suppoost ontslaan, maar als je een conservator ontslaat, kom je aan een priesterkaste. Dat is natuurlijk overdreven, ook daar moet je het kunnen hebben over presteren.’ De kwaliteit van de medewerkers – ‘En er loopt hier echt heel veel kwaliteit rond’ – was volgens hem niet evenwichtig verdeeld: ‘Er heerste een sfeer van koninkrijkjes. Nu is die gekanteld.’

Goedschiks of kwaadschiks, De Leeuw heeft de koers van de tanker verlegd, zo leren de laatste zeven jaar. Met nieuwe gezichten, en met nieuwe rollen voor de meer traditionele specialisten van het Rijks, zet hij een bredere aanpak door. Zakelijk directeur Jan Willem Sieburgh, een voormalige reclameman, publiceerde samen met het maandblad Quote, bekend van de Quote-500 van de rijkste Nederlanders van nu, het boek De 250 rijkste Nederlanders van de Gouden Eeuw. Hoofd Beeldende kunst Taco Dibbits introduceerde de dynamiek van zijn vorige werkgever, het veilinghuis Christie’s, in het aankoopbeleid van het Rijks. Voor de peperdure Burger van Delft van Jan Steen, vertelt De Leeuw , ‘verzamelde ik de fondsen en praatte Dibbits de prijs naar beneden’.

‘Tentoonstellingen haal je voor de helft binnen op de kwaliteit van je medewerkers. Voor de echt grote stukken stap ik zelf in het vliegtuig. Ik voel me soms kampioen harassment and arm twisting, want je moet er heel hard voor vechten.’

Mededirecteur Collecties Peter Sigmond, oudgediende van het Rijks, is belangrijk in het beter combineren van kunst en geschiedenis. Geschiedenis werd onlangs versterkt met drie nieuwe conservatoren. ‘Al die mensen helpen ons op een andere wijze naar publiek en collectie te leren kijken.’

Rembrandt-Caravaggio
Trots is hij vooral op de tentoonstelling Rembrandt-Caravaggio in het Van Gogh Museum, een van de bijdragen van het Rijksmuseum aan de viering van Rembrandts 400ste geboortejaar in 2006. ‘Ik heb die expositie niet zelf gemaakt’, zegt hij, ‘maar het idee was wel van mij. Ik wilde de kwaliteiten van Rembrandt en Caravaggio scherper tonen door de vergelijking. Ze spelen allebei theater, maar bij Rembrandt wordt dat vaker een platte farce – mensen die elkaar een oog uitsteken. Caravaggio blijft beschaafder. Dat vond ik echt heel leuk. Daarvan dacht ik: nou – je hebt niet voor niets geleefd, dat je dit voor elkaar krijgt.’

Het vergelijken kenmerkt ook de nieuwe publiekspresentatie van na de verbouwing. De Leeuws geruchtmakende Londense suggestie uit 1997, de afschaffing van een aparte zaal voor Nederlandse geschiedenis, heeft geleid tot het tegendeel: het hoofdparcours van het nieuwe Rijks combineert juist kunst met historische objecten, in chronologische volgorde van de Middeleeuwen tot en met de 20ste eeuw, en op zo’n manier dat stukken kunnen worden gewisseld zonder dat de samenhang binnen de zalen verloren gaat.

Nieuwe verhalen
‘Wij gaan daar nieuwe verhalen vertellen. Dé geschiedenis bestaat niet. We maken een geschiedenis. en dat is een intensieve, narratieve zaak. Wij tonen stilstaande beelden, dat gaat al in tegen het narratieve. Wat wij kunnen oproepen aan verhaal, is wat de bezoeker al in zijn hoofd heeft. Wij bieden eigenlijk een Aha-Erlebnis.’

Onder zijn leiding verlegt het Rijks de traditionele aandacht voor het oude Nederlands-Indië naar de Nederlandse rol in Afrika. ‘Nederland heeft meer verdiend met de handel in slaven en wapens dan met de VOC.’ En het blijft niet bij handel en oorlog, de kern van traditionele historische presentaties. ‘Descartes, Spinoza en Erasmus hebben ook in Nederland gewoond en gewerkt. Het gaat me erom te laten zien dat er ook vanuit de geest geleefd werd, niet alleen vanuit de sabels.’

Gadget-arm
Het hoofdparcours wordt zeer ‘gadget-arm’, voorspelt hij. ‘Moderne techniek houden wij zoveel mogelijk weg uit de zalen. Zelf rondlopen, met de koptelefoon op of met een gids: de bezoeker wil zelf kunnen kiezen.’ Ook in de presentatie zelf: ‘Wij werken aan een menustructuur. Hoe die eruit komt te zien weten we nog niet, wel dat het internet daarin een belangrijke rol zal spelen. Mensen bereiden hun museumbezoek steeds meer thuis voor en komen hier genieten. De hits op onze site zijn vorig jaar verdubbeld. Wij willen hen leren: dit museum is als een prachtig restaurant. Daar neemt u ook geen zeven voor-, vijf hoofdgerechten en negen toetjes. U moet kiezen: wat wilt u proeven, wat wilt u niet missen?’

Voor de liefhebbers zijn er de studiecollecties, alleen op aanvraag te bezoeken: uitsluitend glas, porselein, wapens of, ja, ook scheepsmodellen. ‘Daar is een publiek voor. De bootjesmensen, zal ik maar zeggen.’ De modellen die aan het Scheepvaartmuseum zijn uitgeleend, hoeven straks niet meteen terug. Net zoals het Rijks een kleine collectie Italiaanse en Vlaamse meesters zal laten hangen in het Bonnefanten – de Maastrichtse ‘satelliet’ krijgt een permanent karakter. De schilderijen passen daar beter, vindt De Leeuw , in die zuidpunt van Nederland met zijn meer mediterrane sfeer. Hij stelt dat de Nederlandse musea meer moeten uitwisselen. Daarmee haakt hij aan op een internationale trend om de mobiliteit van collecties te vergroten, net als het Louvre. De Leeuw droeg daaraan bij met zijn rapport Lending to Europe, ‘mijn meesterwerk’ noemt hij het zelf. Hij schreef het in opdracht van Medy van der Laan voor een internationale club van directeuren van grote musea. ‘Mijn B-stukken zijn A-stukken voor een streekmuseum. Een betere spreiding dient het publiek. Dat krijgt meer te zien, in betere samenhangen.’

Nieuwe stelregel
Wat het Rijks straks niet in eigen huis kan tonen, uit ruimtegebrek of inhoudelijke overwegingen, zal zoveel mogelijk elders te zien zijn: dat wordt de nieuwe stelregel. ‘Wij zijn een van de weinige musea op aarde die heel veel geld uitgeven om hier straks minder te laten zien. Het gevolg is een upgrading van onze presentatie.’ De Philips-vleugel bewijst dat. ‘De bezoekers waarderen die zeer. Wij kunsthistorici hebben geen idee hoe moeilijk mensen de musea vinden, hoe ze die als huiswerk ervaren.’

De integratie van kunst en geschiedenis wordt er niet gemakkelijker op door de komst van een Nationaal Historisch Museum (NHM). De Leeuw blijft het vreemd vinden: politici dragen eerst honderd miljoen bij aan een nieuw huis voor de grootste historische collectie van het land, en zetten er vervolgens een nieuwe uitdager naast. ‘Wij hebben wel even moeten slikken: goh, wie zijn wij dan nog? Maar wij geven nu ruiterlijk toe dat bepaalde typen geschiedenis zich minder goed in het Rijks laten vertellen, zoals het dagelijks leven in de 17de eeuw.’

Haags filiaal
Al voor het NHM-besluit overwoog het Rijksmuseum een Haags filiaal, speciaal voor de geschiedenis van de parlementaire democratie. Voor dat doel huurde het onlangs tijdelijk het pand Plein 26, pal tegenover het Binnenhof. De recente keuze voor Arnhem als NHM-locatie komt het Rijks goed uit. ‘Een NHM in Amsterdam had ik verwarrend gevonden’, zegt De Leeuw . ‘Was het Den Haag geworden, dan waren wij meteen gestopt met Plein 26 en hadden wij die gemeente een samenwerking aangeboden.’ Eén reserve houdt hij over het NHM. ‘Er is nu een plek en daar komt een gebouw. Maar dat moet nog wel een ziel krijgen.

‘Landen die een NHM hebben – en dat zijn er niet zoveel, en het zijn vaak jonge landen – hebben dat vaak vanwege een identiteitsprobleem. Canada. Australië, waar bijvoorbeeld wordt onderzocht: wat hebben de Chinezen bijgedragen aan onze cultuur? Hier lijkt nu het omgekeerde te gebeuren. Moeten onze Marokkaanse jongeren straks in het NHM gaan leren wie Kenau Simonsdochter Hasselaar was? Volgens mij is dat onzinnig.’

Aan het roer
Of De Leeuw dan nog aan het roer staat, is de vraag. Hij vindt dat een museumleider hooguit ‘tien tot twaalf jaar’ directeur moet zijn. Het zal wel iets langer worden, want volgend jaar is het Rijks zeker nog niet open. Onder zijn leiding moesten zijn medewerkers veranderen. Is hij zelf eigenlijk veranderd? ‘Jazeker’, zegt De Leeuw . ‘Een van de dingen die ik heb geleerd – nog onvoldoende – is dat ik de indruk wek niet te luisteren omdat ik zo snel praat. Ik ben bang dat ik wel goed luister, maar ook heel snel een oordeel heb. Halverwege een zin van een ander meen ik al te weten hoe die zal eindigen. Dat is slecht. Daar moet je mee oppassen. Ook omdat ik zo lang ben.’ De Leeuw meet 2,02 meter en heeft enorme handen. ‘Je hebt totaal geen idee hoezeer je imponeert en intimideert doordat je zoveel lengte hebt. Je óógt voor veel mensen al gevaarlijk. Al met al ben ik er een betere directeur door geworden. Het is voor mijn karaktertje niet slecht geweest.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden