Interview: Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergens zesde roman "Naar de overkant van de nacht" is genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs. 'Dit is mijn meest persoonlijke boek. Lezers voelen: die schrijver zit hier helemaal in.'

Succes is raadselachtig. Jan van Mersbergen schreef in de afgelopen elf jaar zes romans. Ze werden door de literaire kritiek enthousiast onthaald. Zijn roman Morgen zijn we in Pamplona werd vertaald in het Engels, Duits en Frans. Toch werd, zoals hij zelf zegt, 'de slag naar de boekhandel niet gemaakt'. Ondanks vele nominaties, kreeg hij nooit een literaire prijs. Tot afgelopen herfst Naar de overkant van de nacht uitkwam. In die roman maken we met een ik-figuur, Ralf, in Venlo één lange, drankovergoten en emotionele carnavalsnacht mee, de Vastelaovend. Het boek is inmiddels aan zijn vijfde druk toe, ligt in hoge stapels bij de boekhandel en kreeg de BNG Nieuwe Literatuurprijs 2012. En het is één van de zes kanshebbers voor de Libris Literatuur Prijs, die aanstaande maandag zal worden uitgereikt. Waarom nu pas dit succes? Waarom dít boek?


Jan van Mersbergen heeft wel een vermoeden. 'Dit is mijn meest persoonlijke boek. Lezers voelen: die schrijver zit hier helemaal in. Daarnaast is Vastelaovend voor de meeste mensen iets exotisch. Net zoals de wereld van de gereformeerden, de rituelen in een dorp in Bangladesh, of de zonnewende in Scandinavië. De emoties zijn invoelbaar, maar de setting is vreemd. Dat werkt goed. Het zit in mijn meeste boeken. In Morgen zijn we in Pamplona zijn het de stierenrennen, in De macht over het stuur is het de kermis. Mooie momenten, waarop iedereen op één plaats met hetzelfde bezig is.'


Vreemd is in Naar de overkant van de nacht niet alleen dat de personages zijn uitgedost als lieveheersbeestje, kiwi of holbewoner met berenvel, of dat twee kerstbomen, vol ballen en lichtjes, samen een broodje gyros eten, waarbij 'de pieken elkaar raken'. Het is de wonderlijke sfeer. Vrolijk en zonder remming, joeksig, maar ook kwetsbaar. Alsof alle hoofden en harten wijd openstaan.


Van Mersbergen komt al zeven jaar op Vastelaovend in Venlo. Uit zijn jeugd kent hij het Brabantse carnaval. Heeft hij die sfeer in dit boek niet een beetje geromantiseerd? Of is dat de scepsis van de arrogante randstedeling die carnaval associeert met boertig, plat dronkenmansvermaak?


Nee, zegt hij, zo is het echt in Venlo. 'Een geweldige sfeer. Geen geruzie of geweld, dat bestaat daar niet. Dat ken ik wel van het Brabantse carnaval: lompe gasten, altijd vechten. Wij, mijn vrienden en ik, zijn in Venlo butenlanders, maar ze accepteren ons. Je moet de goeie toon te pakken krijgen.' Hij geeft een voorbeeld. 'Samen met een vriend stond ik naar de optocht te kijken. In het publiek stond een mooi Turks meisje, met haar ouders. 'Mijn vriend zei: 'Zulke mooie lippen, en er niets mee doen hè?' Zij was de enige die omkeek, en ze begreep dat het een compliment was, geen kleffe opmerking. We hebben een half uur staan praten met haar en haar ouders. Als iedereen in die sfeer zit, kun je alles zeggen. 'Als mijn vriend zoiets in Eindhoven had gezegd, was er heibel geweest.'


Die sfeer rijst ook op uit de liedjes, gespeeld door de Joekskapel, die in het verhaal het grote drinken begeleiden. Ze worden speciaal voor Vastelaovend geschreven. 'Die liedcultuur kent hier niemand. Iedereen denkt dan aan 'Een paard in de gang' of zoiets. Vorig jaar was de hit in Brabant 'Ik heb een zachte G maar ook een harde L.' Heel treurig. In Venlo zingen ze eigen liedjes. Die liedjes, vele daarvan geschreven door Frans Boermans, hoor je niet in Roermond. Er wordt nooit iemand in afgebroken, het is geen humor ten koste van anderen. In De Knappe, van Boermans, staan de schitterende regels: 'Zek vindt geej ôs gen wônder, zoë knap en zoë gezônd. Ôs bein hange van ônder, percies wies aan de grônd'. [Zeg vind je ons geen wonder, zo knap en zo gezond. Onze benen hangen onder ons, precies tot aan de grond] Steeds weer die wij-vorm: 'Wij hebben dorst!' Dorst hebben is iets ander dan zuipen. Het is poëzie, relativerende poëzie. Ze schakelt de mensen gelijk.'


De hoofdpersoon Ralf houdt het aantal gedronken biertjes bij op een kalender die om zijn nek hangt. Op een zeker moment zijn het er 72, en dan heeft hij de shotjes Flügel en Jägermeister niet meegeteld. 'Ik zou het normaal gesproken niet kunnen, zoveel drinken, ik zou doodziek worden', zegt Van Mersbergen. 'Volgens een onderzoeker die ik sprak kán het niet, het tempo dat ik beschrijf. 'Om drie uur 's middags is die man dood', zei hij. Zo voel je je ook. Maar je sleept je erdoorheen. Je moet mee, met de mensen, met de muziek. Het contact houdt je overeind. Voor ons in het westen is het belangrijk om een individu te zijn, om je ergens tegen af te zetten. Tijdens Vastelaovend valt je ego weg. Met Koninginnedag in Amsterdam valt dat níet weg. Zelfs kinderen staan dan alleen voor zichzelf viool te spelen.'


De eerste zin van de roman luidt: 'Tijdens Vastelaovend ben je niet verkleed als iemand anders, tijdens Vastelaovend ben je eindelijk jezelf.' Het wordt gezegd door een man verkleed als pater, in een zwarte pij. De Pater noteert niet het aantal bier op zijn kalender, maar de keren dat hij ontroerd raakt. Ook dat aantal loopt op. 'Ineens zeg je iets wat je anders zou binnenhouden. Overal waar je kijkt staan mensen te huilen, met iemand naast hen die hen troost. Soms kennen die mensen elkaar niet eens. Dijkdoorbraken van verdriet.'


Dat overkomt Ralf ook. Hij is aan het begin van het boek verkleed als veerman. Hij, een schipperskind, zet mensen veilig over, van de aarde naar de hemel, over de doodsrivier Styx, net als de Griekse veerman Charon. Vastelaovend is voor Ralf een hemels intermezzo. Want hij zit vast in zijn leven thuis. 'Thuis', dat is het beklemmende gezin dat hij vormt met zijn oververmoeide vriendin Sara en haar vier kinderen. Twee ervan, een meisjestweeling, zijn doofblind geboren. Ze kunnen alleen voelen en proeven. Huid op huid, adem, warmte, kou. Appelsap. Op Vastelaovend beweegt ook Ralf zich tastend voort. Het verslag van die ene nacht, dat in de tegenwoordige tijd is geschreven en waarbij we opgesloten zitten in het hoofd van Ralf, wordt doorsneden met bezorgde gedachten aan het achtergelaten gezin.


Van Mersbergen: 'In dat gezin vindt hij gezamenlijkheid. Hij wil wortelen. Dat contact, dat lijfelijke, vindt hij fantastisch. Hij schenkt zijn leven aan vier kinderen die niet eens van hem zijn, dat is een grote opoffering. Maar hij verliest zich in de zorg voor anderen en weet niet of hij dat doet uit liefde voor Sara, die bang is dat hij ooit zal weggaan. Niemand komt op het idee iets voor hém te doen, en het komt niet in hem op om iets te vragen. Sara en Ralf houden elkaar gegijzeld. Zij laat zich aanleunen dat hij voor alles zorgt, hij wil nodig zijn. Het is een patroon, je komt er niet makkelijk uit.


'Het zijn dingen die ik zelf goed ken', zegt hij. 'Ik wil ook nodig zijn, ik kan slecht alleen zijn. Zelfs schrijven doe ik vaak met kinderen om me heen. Tijdens die zeven keer carnaval drong telkens beter tot mij door hoe ik in mijn gezin stond. Je drinkt een biertje met een vriend, die vraagt: 'Hoe houd jij dat vol, die rol die jij als vader hebt én schrijven?' Voor je het weet sta je te janken.'


Ralf is gedurende die ene nacht eerst een veerman, vervolgens een kraanvogel en op het laatst is hij zwart geschminkt. In de hotelbar, de laatste drinkplaats, weet hij dat hij geworden is wie hij wilde zijn: een vader. De biologische vader van de vier kinderen, die de benen nam, is zwart.


Het is zijn meest autobiografische boek, zegt hij. Niet letterlijk, gelukkig - Van Mersbergens kinderen zijn gezond. Maar toen hij het boek had geschreven, besefte hij dat een afscheid was, niet van zijn kinderen maar van zijn vriendin. Kort na het verschijnen van Naar de overkant van de nacht gingen ze uit elkaar. 'Angst werkt voorspellend in de liefde. Je gaat waarmaken wat je vreest.'


In de roman is het einde open. Ralf ligt na de uitputtende nacht in bad en belt Sara; hij heeft haar gemist. Zijn korte vlucht was hem door Sara gegund. Maar het leven thuis ging zonder hem gewoon door; hij is niet zo onmisbaar als hij dacht. Hij gaat terug als een nieuw mens. 'Ik krijg wel mailtjes van mensen die vragen: hoe ging het nu verder met Ralf? Woont hij daar nog, bij al die kinderen?


'Het lijkt wel of ik het einde van mijn relatie naar me toegeschreven heb', zegt Van Mersbergen. 'Mijn vriendin en ik hebben samen veel meegemaakt. We hebben de bevalling van onze jongste gedaan zonder verloskundige erbij. Een dag nadat ik vader was geworden, kreeg ik te horen dat ik zaadbalkanker had. Een idioot moment. Mensen die op kraambezoek kwamen, schrokken zich rot. Ik wist dat ik beter zou worden, maar de sociale druk rond zo'n ziekte is groot. Pas nu kan ik daarover praten. Die ruimte nam ik ook niet.'


Hij heeft zichzelf even vrij gegeven van het werken aan een nieuwe roman. Dagelijks schrijft hij korte verhaaltjes op zijn website, alledaagse voorvallen en beelden. 'Daarmee oefen ik mijn vertelstem, mijn tempo, mijn manier van kijken. Ja, weer een vrijplaats, net als Vastelaovond. Alles is materiaal; ik neem de hele dag details in me op. Het schrijven kost nauwelijks moeite, de stukjes hoeven niet gladgeslepen te zijn. Het gaat terloops.


'Soms vind je opeens een metafoor. Mijn zoontje sliep bij mij, in mijn nieuwe huis. Hij kon niet slapen doordat er een felle lantaarn in zijn gezicht scheen. Ik beloofde dat ik gauw gordijnen zou ophangen. 'Maar die lamp gaat dus niet weg', zei hij ernstig. Shit, dacht ik, hij heeft het over ons geschonden gezin.'


JAN VAN MERSBERGEN

1971 geboren in Gorinchem


1990 verhuist naar Amsterdam, studeert cultuur en beleid en cultuursociologie


2001 debuutroman De grasbijter


2007 roman Morgen zijn we in Pamplona


2009 roman Zo begint het


2010 redactielid van literair tijdschrift De Revisor


2012 BNG Nieuwe Literatuurprijs voor Naar de overkant van de nacht, nominatie shortlist Libris Literatuurprijs


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden