Interview Harry Mulisch (2007): 'Nederland is niet in mij geboren'

AMSTERDAM - Volkskrantredacteur Arjan Peters sprak Harry Mulisch in 2007, ter gelegenheid van zijn tachtigste verjaardag.

Door Arjan Peters
© Joost van den Broek / de Volkskrant Beeld
© Joost van den Broek / de Volkskrant

In de kappersspiegel ziet Harry Mulisch zichzelf nog steeds als twaalfjarige. Zondag wordt hij tachtig. 'Zeventien is de leeftijd van mijn ziel.'

Met het verjaardagspresentje, een liniaal met ingebouwde rekenmachine, is hij jongensachtig blij. 'Zeventig? Ik? Quatsch, riep ik tien jaar geleden', zegt Harry Mulisch, 'en dat ik aanstaande zondag tachtig word, vind ik nog ongeloofwaardiger. Zeventien is de leeftijd van mijn ziel. Toen ik zeventien was, wilde ik een boek schrijven dat zou gaan over Alles. Meer jongens hebben dat. Maar als die vijftig zijn, vinden ze zoiets kinderachtig. Ik niet. Ik ga het dóen, dacht ik, en niet mijn eigen vader worden. Het kind is de vader van de man.

'Dus in 1980 verscheen mijn boek De compositie van de wereld. Veel mensen vonden het belachelijk. Geen last van gehad. Veel erger zou het zijn als ik het had gelaten, en op mijn sterfbed moest denken: maar wat had ik nou te verliezen? Ik heb geen universitaire studie gedaan, zelfs geen eindexamen, maar hoe eindigde het? Met een eredoctoraat, op 8 januari 2007. Ja, je moet wel geduld betrachten, en zien dat je tachtig wordt. Maar dan komen ze vanzelf.

'Als ik nu bij de kapper zit, zie ik wit haar en rimpels. Maar in de kappersspiegel zie ik niemand anders dan ik zag toen ik twaalf was. Tachtig ben je voor de anderen. Je hebt mensen die op hun kindertijd terugkijken als op iets wat totaal voorbij is. Heb ik niet. Je verandert natuurlijk, maar dat wat verandert, verandert niet. Dit is een hegeliaanse paradox, dus het is vermoedelijk waar. Al ben je anders, je bent nog steeds dezelfde.

'Toen ik jong was, deed ik meer tegelijk: kattekwaad uithalen, meesterwerken schrijven, én tot vier uur 's nachts op sociëteit De Kring zitten. Dat is een beetje aangepast. Maar de nieuwsgierigheid is gebleven. Ik zal nooit zeggen dat ik alles al heb gezien. Toen ik 65 was, kreeg ik een zoon; nou, die had ik niet al gezien. Tenminste, ik niet.'

Onavontuurlijk
Om niet afgeleid te worden van het schrijven, zou hij het liefst alles onveranderd laten. Zijn zomervakantie bijvoorbeeld, die verloopt al twintig jaar volgens dit patroon: vliegen naar Venetië, waar hij zijn intrek neemt in kamer 216 van Hotel des Bains, op het Lido. 'Het was wel zo beleefd dit jaar met mijn verjaardag thuis te zijn. Maar dinsdag ga ik weer! Ik ben een extreem onavontuurlijk iemand - avonturen beleef ik wel als ik schrijf. Je hebt mensen die een cruise gaan maken, bungeejumpen of hoe heet die onzin. Van die mensen die alles willen proeven en zien. Niks voor mij.

'Venetië is klein, zoiets als Alkmaar. Ik ken er beter de weg dan in Amsterdam. De stones of Venice ken ik allemaal. Dat is prettig. Ik heb er de pest over in als er iets veranderd is. Gelukkig is dat in Venetië de laatste duizend jaar nauwelijks voorgekomen. Het fantastische van die stad is: er zijn geen wielen. Alles moet lopend of per bootje gedaan. Het is doodrustig. 's Avonds hoor je alleen maar voetstappen. Het erge van vakantie elders is voor mij: wat doe je 's avonds? Ik ben niet iemand die gaat pokeren, klaverjassen of televisie kijken. In Venetië neem ik de boot van het Lido naar de stad, en dan eet ik in een restaurant tegenover het operatheater La Fenice. Daar eet ik ook altijd hetzelfde. Ze komen me niet eens vragen wat ik wil, maar zetten de rosé en de spaghetti vongole meteen neer.

'Een gimmick, om te lachen. Maar als je iets goed vindt, waarom zou je het dan veranderen? Zo kan ik rustig doorwerken, als ik iets onder handen heb. Nee, ik ga dan niet altijd hetzelfde gekleed. Ik heb geen schrijfpak of schrijfschoenen. Hoewel ik nooit in mijn pyjama schrijf, of gehuld in een zijden kamerjas. Schiet altijd eerst even een hemd en een broek aan. En er mag geen muziek klinken, want dan ga ik luisteren, daarvoor hou ik te veel van muziek.

Lawaai
'Toen ik begin jaren negentig aan De ontdekking van de hemel schreef, werd hier pal naast mijn huis het casino gebouwd, wat met lawaai gepaard ging. Om me niet te ergeren, bedacht ik: we moeten gelijk klaar zijn. Om het lawaai noodzakelijk te maken. Wat ik erbij dacht: in De ontdekking van de hemel komt geen toeval voor, alles is door engelen geregeld. Maar een casino is de tempel van het toeval: welke kaarten je krijgt, hoe het rouletteballetje rolt.

'Door dat soort hersenspinsels is het goed uit te houden. Alleen in het weekend had ik een probleem, want toen bouwden zíj niet verder. Had ik eigenlijk ook niet moeten schrijven. Daar heb ik me niet aan gehouden. Ja, we waren gelijk klaar. Natuurlijk.

'Schrijven gaat niet in een willekeurige hotellounge of een café. Bovendien is het raar opschepperig om daar met zo'n laptop te gaan zitten. Vooral ik. Ik krijg toch altijd al dat soort dingen te horen. Waarom? Dat trek ik aan, m'n hele leven. Op school al.' En dat was nooit reden iets aan zijn gedrag te veranderen? 'Stel je voor. Dat zouden ze willen.'

On-Nederlands vanaf zijn geboorte, al vond die in Haarlem plaats.
'Ik ben in Nederland geboren, maar Nederland is niet in mij geboren. In de boekenkast van mijn vader, geboren in Oostenrijk-Hongarije, stond geen enkel Nederlands boek, alleen Goethe, Heine, Schopenhauer. En mijn moeder is in Antwerpen geboren, maar in een Oostenrijkse familie. Mijn wezenlijke vaderland, dat is een sfeer, een land waarvan ik de enige inwoner ben, en waardoor ik me onkwetsbaar voel en nooit eenzaam.'

Maar zonder erkenning of lauwerkransen zou dat eenpersoonsland wel eenzaam kunnen zijn. 'Denk ik niet. Als niemand mijn boeken had gelezen, zou ik ze precies zo hebben geschreven als ik heb gedaan. Komt wel, had ik dan gedacht. We zullen wel eens zien wie er uiteindelijk de baas is.'

Dat kan hij nu makkelijk zeggen. 'Maar me miskend voelen, dat heb ik nooit gehad. Misschien omdat ik niet autobiografisch schrijf. Ik gebruik wel dingen uit mijn eigen leven, maar wat ik eigenlijk wil zeggen is niet dat. De figuur Onno uit De ontdekking is gemodelleerd naar schaakgrootmeester Hein Donner, met wie ik zeer bevriend ben geweest. Toen hij doodging, rinkelde onophoudelijk mijn telefoon: of ik een herdenkingsartikel wilde schrijven. Deed ik niet. Tien jaar later had ik in mijn boek een vriendschap nodig. Had ik destijds een In Memoriam-stuk voor de Volkskrant geschreven, dan was ik dat verhaal al kwijt, en had ik voor mijn boek een vriendschap moeten verzinnen. Dat was nooit zo goed geworden als het nu is.'

Schrijver zijn
Wanhoop en Mulisch horen niet bij elkaar. Des te verrassender is het zinnetje 'Het waren wanhopige dagen', uit zijn dankwoord bij de aanvaarding van het eredoctoraat van de Universiteit van Amsterdam. 'Maar daarvoor moeten we ver terug. Die zin slaat op de eerste naoorlogse tijd. Mijn vader zat in een interneringskamp, als straf voor wat hij in de oorlog had gedaan, als directeur van een roofbank. En voor mij was de bevrijding niet alleen die van de Duitsers, maar ook van mijn leraren. Alleen, wat dan? En toen, in 1946, schreef ik vanuit het niets een verhaal, en dat werd geplaatst in Elseviers Weekblad. Toen was ik eruit. Ik heb nooit schrijver willen worden - ik bleek het te zijn. Soms sturen amateurs me een verhaal toe met het verzoek er eens naar te kijken, want ze willen ook schrijver worden. Dan denk ik: dan ben je het dus niet.

'Mijn eerste verhaal heette 'De kamer'. Iedere dag kwam ik langs die nette villa aan de Van Len-neplaan in Haarlem-Zuid. Op de eerste verdieping stond altijd een raam open, en daar kwam Satie-achtige pianomuziek uit. Ik zag daar nooit iemand, alleen boekenkasten. Intrigerend. Thuis schreef ik een verhaal over een jongen van achttien: die wordt geobsedeerd door een kamer, gaat later de grote wereld in, en als hij oud is vraagt hij zijn notaris een kamer te huren in zijn vaderstad. Dat is natuurlijk dé kamer. Hij wordt ziek, en weet dán pas wat hem altijd tot die kamer getrokken heeft: het is zijn sterfkamer. Mooi of niet?

'Het was ook de geboortekamer - voor mij als schrijver. Later leerde ik Bomans en andere gevestigde schrijvers kennen in de Haarlemse sociëteit Teisterbant, en in Amsterdam mijn leeftijdgenoten als Campert, Claus, Blokker. Een hele cluster, een generatie die nog altijd meedoet. Is daarna nooit meer voorgekomen. Net zoals je in de Gouden Eeuw al onze grote schilders had - en daarna hield het op. Wat mijn generatie bond? Ik denk de Tweede Wereldoorlog.'

Die heeft voor de nieuwe generatie afgedaan als literair verbeelde mythe, suggereerde recensente Elsbeth Etty onlangs in NRC Handelsblad. Zulke kortzichtigheid verwerpt Mulisch: 'Alsof de oorlog zo lang geleden is. Al zestig jaar voorbij. Ik zeg: pás zestig jaar. We hebben het nog steeds over de gruweldaden van Nero. Wat heeft die man gedaan, vergeleken met Hitler? Peanuts hoor. Tijdens de Franse Revolutie zijn er tweeduizend mensen geguillotineerd. Maar dat gebeurde tijdens de Tweede Wereldoorlog elke dag! Nee, we zullen maar op één moment ophouden over die oorlog, en dat is als de Derde Wereldoorlog is aangebroken. We moeten dus hopen en bidden dat we het eeuwig over de Tweede Wereldoorlog zullen hebben.'

Fles bourgogne
Momenteel maakt hij zijn dagboek 1991-1992 gereed voor publicatie in het najaar. 'Ik wil er nog een paar beledigingen uit halen.' Een voorpublicatie stond laatst in Hollands Diep. 'Het is vrij zakelijk, meer een logboek.' Maar toch: op zaterdag 9 februari 1991 denkt hij 's ochtends dat zijn boek in wording 'helemaal niets' is, 'nul, waardeloos'. Hoe nu, Harry Mulisch die twijfelt? 'Blijk ik toch een mens te zijn. Hoewel, diezelfde avond vond ik het al weer een meesterwerk. Toen had ik inmiddels een fles bourgogne op.'

Op 18 januari 1991 is hij bevreesd voor een Derde Wereldoorlog, als Irak dreigt met een atoombomaanval op Israël. Precies op dat moment schrijft hij over de geboorte van de godenzoon Quinten, die Mozes' stenen tafelen aan de hemel moet terugbezorgen. Zoiets kan geen toeval zijn, noteert hij dan. Maar het kan ook wél toeval zijn. 'Níet als je het verband ziet. Het wordt pas geen toeval als iemand zegt dat het dat niet is. Het is mythisch denken. Zijn we hier niet gewend. De Nederlander denkt psychologisch-mercantilistisch, hij wil de ander kennen om hem economisch de keel te kunnen afsnijden.
'Ik doe het anders. Een schrijver moet niks, behalve goed schrijven. Tsjechov schreef over drie zusters die naar Moskou willen, en dat doen ze niet. Plot van niks - maar wel een meesterwerk, snap je? Een dilettant neemt een reusachtig onderwerp, de Slag bij Waterloo of de aanslagen op het World Trade Center, en denkt dan dat zijn boek net zo reusachtig wordt. Heb ik niet nodig.' Toch is hij ook niet iemand van de kleine onderwerpen. 'Nee, maar je moet wel altijd groter zijn dan je onderwerp. Ik wil geen herkenbare literatuur, maar iets ónherkenbaars.'

Wat is het formaat van Harry Mulisch, met zijn oeuvre over Alles?
'Net iets groter.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden