Internationale missie VS is dankbaar onderwerp bij tweede inauguratie

De temperatuur ligt even boven het vriespunt en Washington is bedekt met een dunne laag sneeuw. Na te zijn beëdigd voor zijn tweede ambtstermijn houdt de president een bezielende toespraak, waarin hij zich concentreert op de internationale missie van de Verenigde Staten....

Klinkt bekend in de oren? We schrijven 21 januari 1957 en de president heet Dwight Eisenhower. In feite is hij al een dag eerder officieel geïnaugureerd, want de grondwet bepaalt nu eenmaal dat dat op de 20ste moet gebeuren, en de grondwet is heilig. Maar 20 januari valt op een zondag, en dus wordt de beëdigingsceremonie de volgende dag in het openbaar overgedaan, gevolgd door de gebruikelijke feestelijkheden. 's Avonds wordt op vier locaties een inauguratiebal gehouden, wat in het Washington van de niet erg op vertoon gestelde Eisenhowers geldt als een extravaganza.

Evenals George Walker Bush (10 jaar oud in januari 1957) was Eisenhower een Republikein, maar verder zijn er weinig overeenkomsten te ontdekken tussen de herboren christen en de gelauwerde beroepsmilitair. De 34ste Amerikaanse president 'regeerde in een tijd die hem, naar zijn eigen oordeel, noopte een gematigde koers te volgen, zoveel mogelijk in het politieke midden te blijven, van de burgers geen zware offers te vragen voor een grote nationale zaak', aldus Eisenhower-biograaf Stephen Ambrose. Het is onwaarschijnlijk dat een biografie van de huidige president een zelfde typering zal bevatten.

Toch kan er een parallel worden getrokken tussen de toespraken waarmee Eisenhower en Bush hun tweede termijn aanvingen – evenals trouwens tussen die van de andere presidenten die in de laatste dertig jaar hun verblijf in het Witte Huis wisten te prolongeren: Richard Nixon, Ronald Reagan en Bill Clinton. Ook zij toonden bij die gelegenheid een voorkeur voor mondiale vergezichten.

Helemaal verbazen kan dat niet. Het ligt voor de hand dat een president bij zijn eerste inauguratie vooral een nieuw elan predikt en zich richt op de zaken die in Amerika zelf dringend moeten worden aangepakt. Dat is ook meestal de inzet van zijn verkiezingscampagne geweest. Maar bij zijn tweede termijn kan hij daarmee moeilijk aankomen, hij heeft immers al vier jaar de kans gehad om de bordjes te verhangen.

Reagan preludeerde daarop al tijdens zijn herverkiezingscampagne;

het motto daarvan luidde: 'It's morning again in America'. Dat wil niet zeggen dat de binnenlandse agenda altijd op de achtergrond raakt in een tweede ambtstermijn. Clinton maakte in 1997 zijn doorstart inderdaad zonder substantieel binnenlands programma. De beoogde hervorming van de gezondheidszorg was in zijn eerste termijn uitgelopen op een echec, en er kwam weinig voor in de plaats. Monica Lewinsky en Paula Jones werden de ongewilde boegbeelden van zijn tweede termijn.

Maar Bush heeft wel ambitieuze plannen. Hier openbaart zich een curieuze paradox.

Zijn inauguratierede was een klinkende ode aan de vrijheid. Wie de strijd aanbindt met tirannie en onderdrukking, zal Amerika aan zijn zijde vinden. Het is onmiskenbaar het thema dat Bush het meest aan het hart gaat – en dan vooral de notie dat vrijheid leidt tot vrede (en niet omgekeerd, zoals men in Europa geneigd is te denken). Maar los van het probleem-Irak, liggen de grote concrete uitdagingen op binnenlands vlak: hervorming van het uit zijn krachten gegroeide social security-stelsel en terugdringing van het juist de afgelopen jaren sterk toegenomen begrotingstekort.

Alle voldaanheid over de verkiezingsuitslag ten spijt, begint Bush met zeer matige waarderingscijfers aan deze krachttoer. Blijkens een peiling van ABC en de Washington Post heeft slechts 52 procent van de Amerikanen vertrouwen in de president, terwijl 46 procent hem een onvoldoende geeft. Andere peilingen vallen zelfs nog iets slechter voor hem uit. Reagan en Clinton scoorden aan het begin van hun tweede termijn aanzienlijk hoger: 68 tegen 28 en 60 tegen 34 procent.

Ondanks deze riante uitgangspositie was die tweede termijn geen onverdeeld genoegen voor Reagan en Clinton. The Great Communicator raakte verstrikt in het Iran-contra-schandaal, de Comeback Kid moest alle zeilen bijzetten om een afzettingsprocedure te voorkomen. Eerdere presidenten die langer dan vier jaar dienden, was het lot nog minder gunstig gezind. Lyndon Johnson ging, ondanks zijn successen op het gebied van burgerrechten en sociale wetgeving, politiek te gronde aan de Vietnam-oorlog, een ontluisterde Richard Nixon moest het Witte Huis voortijdig verlaten vanwege Watergate.

Zal het Bush-II beter vergaan? Eén voordeel heeft hij in elk geval wel: anders dan Nixon, Reagan en Clinton kan hij aan het begin van zijn tweede termijn steunen op een Republikeinse meerderheid in zowel de Senaat als het Huis van Afgevaardigden. En misschien wel zijn voornaamste wapen is zijn grote vastberadenheid, geschraagd door het nodige zelfvertrouwen en door de overtuiging dat een Amerikaanse president bovenal leiderschap moet tonen. Een eigenschap die zelfs bij critici onwillekeurig bewondering afdwingt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden