Instrument om verre te sien

De telescoop is een Nederlandse vinding waarmee het sterrenkundig onderzoek begon. Maar wie heeft hem nu eigenlijk ontdekt? Door Wim Wirtz..

Het ligt niet voor de hand dat een legerleider zijn pas verworven militaire attributen bespreekt met de vijand. Prins Maurits deed dat soms wél. In 1608, ten tijde van de Tachtigjarige Oorlog, legde hij samen met de Spaanse vijand en andere Europese gezanten de laatste hand aan het Twaalfjarig Bestand toen hij werd vergast op een verfrissend intermezzo. Hans Lipperhey, brillenmaker te Middelburg, had op 25 september bij de Staten-Generaal een octrooi-aanvraag ingediend om patent te verkrijgen op de ontdekking die hij had gedaan: een ‘seeker instrument om verre te sien’.

Hij demonstreerde de werking van zijn optische vinding, de telescoop, in Den Haag, en prins Maurits raakte zo enthousiast dat hij zelfs de vijand, generaal Ambrogio Spinola van de zuidelijk gelegen Spaanse strijdkrachten, in het nieuws en zijn opwinding betrok. De ontdekking van Lipperhey werd het gesprek van de dag, maar het patent werd niet verleend. De ‘Hollandse Kijker’ zou te makkelijk na te maken zijn. Wel kreeg de Middelburger de opdracht kijkers te maken met lenzen van bergkristal (kwarts) in binoculaire vorm. Voor drie ervan kreeg hij de voor die dagen niet onaanzienlijke som van negenhonderd gulden.

De Middelburgse brillenmaker was overigens niet de enige die claimde dat hij de telescoop had ontdekt. Sacharias Janssen, een jonge plaatsgenoot – in Middelburg stond een van de eerste grote glasblazerijen –, zei ook een methode te hebben gevonden om ‘dingen in de verte te zien alsof ze dichtbij staan’. En ene Jacob Metius uit Alkmaar had een instrument gemaakt dat volgens hem net zo goed was als dat van Lipperhey.

De verschillende claims versluierden het zicht op wie nu eigenlijk de ware ontdekker van de telescoop was. En dat is nog steeds het geval, constateert Albert van Helden, emeritus-hoogleraar geschiedenis van de wetenschappen, in het deze week verschenen boekje De telescoop – Erfenis van een Nederlandse uitvinding. Voor de hand liggende vraag: is de verrekijker, gezien die onduidelijkheid, dan wel in Nederland uitgevonden?

Dirk van Delft, directeur van Museum Boerhaave in Leiden, bijzonder hoogleraar materieel erfgoed van de natuurwetenschappen aan de Leidse universiteit en een van de vier auteurs van het boekje, maakt een resoluut gebaar: ‘De eerste vermelding van de telescoop als instrument is de patentaanvraag van Hans Lipperhey van 25 september 1608. Van Helden heeft ruim dertig jaar geleden in een uitvoerig artikel alle bronnen op een rij gezet. Claims dat de telescoop ouder is, kon hij toen ontzenuwen. Maar of Lipperhey echt de eerste was, valt nooit met zekerheid te zeggen. Zijn instrument was daarvoor te eenvoudig na te maken.’

Wat is een ontdekking? Een ontdekking is een proces. Al ver voor Lipperhey bestonden er bolle lenzen. In de 15de eeuw kwamen er holle lenzen bij. ‘Met een combinatie van de platste bolle lens en de holste holle lens kon je in een brillenwerkplaats een telescoop maken die een paar keer vergrootte’, zegt Van Delft. ‘Je moet dan wel iemand hebben die die combinatie maakt en inziet dat je het resultaat daarvan kunt gebruiken voor de wetenschap. Dan kun je spreken van een ontdekking, dan maak je de sprong van speeltje naar instrument.’

Via de diplomatieke post kwam het nieuws van de Lipperhey-ontdekking bij de Italiaan Galileo Galilei terecht, die er vrijwel meteen mee aan de slag ging. Hij gebruikte brillenglazen om een telescoop te bouwen die driemaal vergrootte, net als die van de Middelburgse brillenmaker, en maakte zich vervolgens de kunst van het slijpen en polijsten van lenzen eigen. Galilei ontdekte dat bolle, kwalitatief betere lenzen met een grotere brandpuntsafstand tot betere resultaten zouden leiden. In 1609 bouwde hij een telescoop die acht keer vergrootte. Hij overtuigde de Venetiaanse Senaat van het militaire nut van het instrument en groeide in aanzien. Twee maanden later beschikte hij over een kijker die twintig keer vergrootte. Het instrument zou het begin markeren van zijn astronomische onderzoek.

Galilei maakte notities en tekeningen van wat hij aan sterren en planeten waarnam. Hij ontdekte de vier Jupitermanen, nieuwe ‘wandelende sterren’ die hij Medici-sterren noemde, hij deed onderzoek naar zonnevlekken en propageerde het heliocentrische wereldbeeld, indachtig de toen omstreden theorie van Copernicus.

In het jubileumboekje trekt de geschiedenis van de telescoop in vogelvlucht voorbij, langs sterrenkundige grootheden als Christiaan Huygens (1629-1695), Dirk Klinkenberg (1709-1799), Frederik Kaiser (1808-1872), Jacobus Cornelius Kapteyn (1851-1922), Jan Hendrik Oort (1900-1990) en niet te vergeten: Isaac Newton. En zo belanden we via de lenzen- en spiegeltelescopen en de radioastronomie in immense, mondiaal gecombineerde netwerken. Van het 4145 meter hoog gelegen W.M. Keck Observatory op Hawaï, met spiegels van tien meter doorsnee, samengesteld uit 36 zeshoekige superglad gepolijste glassegmenten die van de computer 670 keer per seconde de opdracht krijgen om een iets andere positie in te nemen, tot een nog te bouwen, ongekend krachtige square-kilometer-arraytelescope (SKA) met een enorme ring van schotelantennes rondom een platte antennekern, die mogelijk in Zuid-Afrika gaat verrijzen.

In de geschiedenis van de telescoop en de sterrenkunde vervult Nederland steeds een prominente rol. Dirk van Delft heeft er geen duidelijke verklaring voor, anders dan dat er ‘altijd een momentum is en dat het erop aankomt dat momentum vast te houden, zoals bijvoorbeeld Jan Hendrik Oort dat heeft gedaan met de radioastronomie, die dankzij zijn toewijding en vasthoudendheid een geweldige ontwikkeling heeft doorgemaakt’.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden