Instituut VN wint het na 50 jaar van mensenrechten

Op 10 december 1948 aanvaardden de Verenigde Naties de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Vijftig jaar later blijkt de verklaring een alibi voor een routineus rollenspel in de resolutiefabriek van de Verenigde Naties, aldus Adri Duivesteijn....

ADRI DUIVESTEIJN

VIJFTIG JAAR geleden werd de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens aangenomen. Het is een uiterst belangrijk document dat nog altijd wordt aangeroepen om waar ook ter wereld schendingen van de mensenrechten aan de kaak te stellen. Wie verwacht dat deze verjaardag in de jaarvergadering van de Verenigde Naties aanleiding is voor een inspirerend, scherpzinnig en pijnlijk debat, komt bedrogen uit.

De Hoge Commissaris voor de Mensenrechten, de voormalige Ierse president Mary Robinson, wordt alom beschouwd als een energieke en intelligente pleitbezorgster van de mensenrechten. Maar in haar openingsspeech houdt ze zich strikt aan de ongeschreven codes van de VN die haar dwingen om uiterst voorzichtig te formuleren.

Ze mag harde woorden gebruiken, maar dan alleen in het algemeen. 'Schendingen van de mensenrechten blijven de internationale agenda domineren', schrijft ze in het jaarrapport. Ze wijdt daarin uit over armoede, over gebrek aan gezondheidszorg en onderwijs en over burgeroorlogen. Maar namen worden niet genoemd. Ze heeft het over 'sommige staten' en 'andere staten' of over een 'internationaal netwerk van de haat.'

Deel van dezelfde code zijn de uitzonderingen die ongecompliceerd aan de schandpaal worden genageld. Ze zijn zeer voorspelbaar. Op dit moment is Irak de risee van de wereld.

De speciale rapporteur voor de mensenrechten, Max van der Stoel, mag dan ook uithalen naar de 'wijdverbreide, systematische en voortdurende ontzegging van de fundamentele mensenrechten', zonder de omzwachtelende formuleringen die bij andere landen moeten worden gebruikt.

De 'derde commissie' van de VN, belast met het mensenrechtenvraagstuk, handelt haar beraadslagingen routinematig af. In de verklaringen van de 185 lidstaten wordt keer op keer gemeld hoe bijzonder deze verjaardag wel niet is en hoezeer er reden is voor bezinning, maar het blijven fletse, opgelezen woorden. Geen moment komen ze tot leven.

Mensenrechten worden omhelst, ongeacht de praktijk in eigen land. 'De vijftigste verjaardag', zo leest de afgevaardigde van Saudi-Arabië voor, 'vergroot onze toewijding aan de zaak van de mensheid.' In zijn land zijn mensenrechten 'een onderdeel van het leven en de dagelijkse praktijk', en los daarvan een 'goddelijke wet.'

Universeler kunnen de mensenrechten niet zijn, maar aan het einde van zijn verklaring klinkt het toch anders: 'Toepassing van de beginselen (van de mensenrechten) dient te gebeuren op een manier die rekening houdt met de bijzondere aard van samenlevingen met een andere cultuur en religie.'

De afgevaardigde van Indonesië, beklemtoont hoe actief zijn land meedoet in de VN-infrastructuur van mensenrechtenconferenties, -seminars en -studieprogramma's. Geen woord over de feitelijke toestand in zijn land.

Slechts af en toe wordt dit ritueel doorbroken door een ander ritueel. De afgevaardigde van de Europese Unie zegt iets lelijks over Algerije, en prompt claimt Algerije zijn recht op antwoord (right of reply). Israël zegt iets lelijks over Libanon, en Libanon claimt het recht op antwoord. Wat volgt is een - al dan niet heftige - ontkenning van de beschuldiging.

Vaker wordt uit eigenbelang het conflict uit de weg gegaan. Als er toch iets over mensenrechten wordt gezegd, dan via de omweg van prijzen en loven. Zo zegt Australië over Indonesië, een week voordat er nieuwe rellen in Jakarta uitbraken: 'Australië is erg bemoedigd' door ontwikkelingen die 'zeer bemoedigend' zijn, en: 'Wij verwelkomen de presentatie van het Nationale Actieplan voor de Mensenrechten in Indonesië en de bevestiging van de rol van de Indonesische Nationale Commissie voor de Mensenrechten'. De zorg over de ongeregeldheden en over Oost-Timor wordt niet verzwegen, maar is diep ingebed in waardering voor de goede bedoelingen van de regering. Zo spreekt men over een machtig buurland.

Heel duidelijk is hetzelfde te merken aan de bejegening van China, het land van de bezoekende handelsdelegaties. De welwillendheid van de Chinese regering inzake de mensenrechten wordt zo uitvoerig geroemd dat de nog resterende feitelijke schendingen er details bij lijken.

De afgevaardigde van de Europese Unie kraakt ogenschijnlijk nog wel harde noten, maar doet dat volgens de sandwichformule: eerst ingaan op de dialoog tussen China en de VN, dan de kritiek - 'China schiet nog steeds ernstig tekort waar het betreft de aanvaarding van internationaal geaccepteerde mensenrechten' - en dan weer waardering voor China's bereidheid tot de dialoog.

China zelf, wetende dat het economisch bezien goed in de markt ligt, deelt intussen speldeprikken uit. Als een verworvenheid van de afgelopen vijftig jaar noemt de afgevaardigde: 'Bijna honderd landen hebben zich bevrijd van het koloniale juk.' Dat kunnen de Europese criticasters van China, die nog niet zo lang geleden koloniale machten waren, in hun zak steken. En ten overvloede: 'Alle landen erkennen dat geen enkel land in de wereld een perfecte staat van dienst op het gebied van de mensenrechten heeft.'

Overigens ontbreekt in de lange reeks verklaringen Nederland-Gidsland. Ons geluid is geabsorbeerd in de verklaring van de Europese Unie, bij monde van de Oostenrijker Christian Strohal.

Dialoog, discussie, debat: het kán ook helemaal niet in een vergadering van de Verenigde Naties. In de zaal mogen de diplomaten slechts formele posities innemen. De dialoog is er hooguit in de wandelgangen. Daar wordt toenadering gezocht, mogelijke gezamenlijke formuleringen afgetast, welke hun beslag krijgen in resoluties.

Nieuwe resoluties zijn er betrekkelijk weinig, maar er gaat veel tijd en inventiviteit zitten in de periodieke herziening van bestaande resoluties. 'We hebben keihard onderhandeld', vertelt een medewerker van de Nederlandse delegatie me trots, wijzend op een minuscule tekstverandering.

De uitkomst is een keurig document als resolutie L.29, waarin de Algemene Vergadering, conform het Handvest van de VN, recalling vorige resoluties en reaffirming vorige uitspraken, welcomes een rapport, expresses its deep concern, welcomes, reiterates, urges, commends, deeply regrets, notes, stresses, welcomes and encourages, en tenslotte 'decides to keep the situation of human rights in Rwanda under consideration'.

Als er onderweg naar de definitieve resolutietekst een paar woorden bijkomen, dan zijn dat opmerkelijk vaak dezelfde woorden: upon its request of within their mandate. De ontwerp-resolutie L.22, bijvoorbeeld, 'onderstreept het belang van technische steun aan een staat bij de invoering van instrumenten voor de naleving van de mensenrechten en het opstellen van de eerste verslagen.' Op verzoek van ditmaal Cuba wordt halverwege 'upon its request', op het verzoek van de betreffende staat, toegevoegd. Zo blijft het initiatief altijd bij de lidstaten en niet bij de VN.

En waar het over de bevoegdheden van speciale VN-functionarissen gaat, wordt steevast getracht expliciet toe te voegen dat die een handelingsvrijheid hebben 'binnen hun mandaat', waarmee eveneens de macht van de VN wordt beperkt.

De resolutiefabriek van de VN heeft zijn eigen logica, zijn eigen gedragscodes en een sterk interne oriëntatie. Wie er een tijdje in rondloopt, zal het al snel als normaal gaan beschouwen: zo gaan de dingen hier. Tot je weer eens beseft waarover het gaat, wat het begrip 'mensenrechtenschendingen' concreet inhoudt in Kosovo, Somalië, Irak en talloze andere landen. Hoeveel eufemismen en diplomatiek ritueel zijn er nodig om de gedachte aan de gruwelijkheden te neutraliseren?

Wie toch even stilhoudt om de werkelijkheid van mensenrechtenschendingen op zich in te laten werken, kan gemakkelijk ten prooi vallen aan somberheid en wanhoop. Mary Robinson schrijft in haar rapport dat 'de laatste twaalf maanden ons als nooit te voren hebben geconfronteerd met grootschalige schendingen van economische, sociale en culturele rechten.' Dat lijkt een vernietigende en bijna hopeloze kritiek op de effectiviteit van vijftig jaar inzet voor mensenrechten.

Maar altijd wordt zo'n analyse omgebogen naar: 'We staan voor een immense uitdaging.' De VN antwoordt met een nieuwe overlegronde, een nieuwe conferentie, een nieuw seminar, een nieuwe workshop, een nieuwe resolutie: het instrumentarium is vrijwel onuitputtelijk.

Toewijding aan de mensenrechten en woede over schendingen vormen zonder twijfel de integere drijfveer van mensen als Mary Robinson. Maar in het officiële VN-systeem kunnen ze nauwelijks worden geuit. De geringe bereidheid van regeringen om werkelijk met elkaar te praten, is hiervan uiteraard de oorzaak.

Om dit te maskeren lijken de doelstellingen van de VN ten prooi te zijn gevallen aan institutionele inversie. De diplomaten, in feite ambtelijke afgevaardigden hebben van hun regeringen alleen een mandaat om de vooraf vastgestelde tekst op te lezen. Een discussie veronderstelt echter dat er hardop mag worden nagedacht, dat overwegingen worden uitgewisseld en dat in de loop van het gesprek meningen kunnen veranderen. De strijd voor mensenrechten heeft een eigen bureaucratie opgeroepen die werkgelegenheid en arbeidsvreugde verschaft aan duizenden diplomaten en andere ambtenaren. Zij leven in een eigen universum met eigen regels en eigen waarden.

Het voornemen van minister Herfkens om het aantal landen dat directe, bilaterale steun krijgt sterk te verminderen, en daarnaast meer geld te geven aan multilaterale organisaties als de VN, mag op het eerste gezicht efficiënt ogen. Maar zal het dat ook werkelijk zijn? In de praktijk betekent het ook meer geld voor een forum waar mensenrechtenkwesties eerder ritueel worden bezworen dan aan de orde gesteld.

Binnen de economische sector zijn juist de bilaterale contacten weer zeer in trek. Missies naar China zijn er bekende voorbeelden van. Een ontwikkelingsbeleid dat meer nadruk legt op multilaterale contacten kan dan het alibi leveren om in bilaterale handelscontacten de mensenrechten voortaan onbesproken te laten: dat onderwerp is immers al via de VN geregeld.

Daadwerkelijke verbetering van de mensenrechten vereist concrete samenwerking van onderop met vooral non-gouvernementele organisaties (NGO's). Dat krijgt vooral in bilaterale relaties zijn vorm. Om daarnaast de Verenigde Naties een effectieve rol te laten spelen, is een verregaande hervorming van dit instituut noodzakelijk.

Als een van de grootste financiële donoren van de VN zou Nederland de druk moeten vergroten om het huidige nog magere hervormingsproces krachtiger voort te zetten, zonodig op straffe van een verlaging van de bijdrage aan de VN ten gunste van bilaterale contacten met ontwikkelingslanden. In ieder geval moet worden gezocht naar vormen waarin de mensenrechtendebatten niet het karakter krijgen van een rituele, wereldwijde aflaat.

Adri Duivesteijn is lid van de Tweede Kamer en voorzitter van de fractiegroep buitenlands beleid van de PvdA.

Hij was vorige maand als waarnemer aanwezig bij de vergadering van de VN-commissie voor de mensenrechten.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden