-Instelling ZjCh 385/2-

De 'Afdeling Spoorwegwerken ZjCh 385/2' in het Russische Javas herbergt geen politieke gevangenen meer. Het is nu een vrouwenkamp. In het kamp zitten twee Nederlandse meisjes vast wegens drugssmokkel....

Het is een deprimerende route, de weg naar Javas. Vanaf Potma, aan de spoorlijn uit Moskou, is het veertig kilometer lang bossen, bossen en nog eens bossen, slechts afgewisseld door wachttorens en schuttingen met schijnwerpers en prikkeldraad. Er rijdt bijna geen auto, niet alleen omdat het akelig vroeg in de ochtend is, maar ook omdat dit de weg naar nergens is. Afgezien van strafkampen is hier niets.

'Afdeling Spoorwegwerken (ZjCh) nummer 385/2' staat er bij de ingang van het vrouwenkamp in Javas. Maar de bewakers, de prikkeldraad en de ijzeren hekken met bordjes 'verboden zone' geven onmiskenbaar aan dat het om een strafkamp gaat.

De naam is een overblijfsel uit het Stalin-tijdperk, toen dit afgelegen gebied van moerassen en eindeloze bossen in Mordovië één van de 'eilanden' van de Goelag-archipel werd, waarin miljoenen Sovjetburgers verdwenen. Tienduizenden politieke gevangenen werkten hier aan de aanleg van een spoorlijn langs de kampen. Een ervan was gereserveerd voor de 'vrouwen en minnaressen van vijanden van het volk'.

'Instelling ZjCh 385/2' herbergt nu geen politieke gevangenen meer, maar gewone misdadigsters, onder wie twee Nederlandse meisjes die vastzitten wegens drugssmokkel.

De commandant van het kamp, kolonel Vladimir Golovin, ontvangt de buitenlandse bezoekers in zijn pas opgeknapte kantoor met blauw bloemetjesbehang en potten met plastic geraniums aan de muur. 'Dat geeft de gevangenen een prettig gevoel als ze bij mij komen. Dan voelen ze zich meteen minder gespannen.'

Golovin leidt de gasten trots rond door zijn kamp: de 'promzona' (industriezone) met de textielfabriek, de kampbibliotheek, de sportzaal en de televisiekamer, waar aan de muur een groot bord hangt waarop de namen prijken van de beste werkers en de beste bezoekers van de bibliotheek. Geen Nederlandse namen.

Het is duidelijk dat er op de komst van de gasten gerekend is: alles is netjes aangeveegd en de bedden zijn opgemaakt met smetteloze lakens en keurig rechtgetrokken spreitjes. Privacy hebben de gevangenen niet: ze slapen met twintig tot veertig vrouwen op één zaal. Tussen de stapelbedden is hoogstens een meter ruimte.

Je pikt Suzanne en Daniëlle er meteen uit als de gevangenen zich 's middags op de binnenplaats moeten verzamelen voor de 'proverka', het appèl. Ze steken wel een halve kop boven hun Russische medegevangenen uit en ze bewegen zich ook anders, losser, ongedwongener, toch nog op z'n Nederlands.

Maar als je Daniëlle (22) vraagt, hoe het met haar gaat, antwoordt ze in het Russisch: 'Normalno', goed. In de ruim anderhalf jaar dat ze al vast zit, is ze een halve Russin geworden. Ook Suzanne beheerst de taal na een jaar gevangenis en kamp al goed. Haar Russisch is doorspekt met kampjargon. 'Je moet wel. Gewoon Russisch spreekt hier niemand, behalve de leiding', zegt ze.

Ze maken allebei een tamelijk opgewekte indruk, maar het weer speelt ook mee. De lucht boven het kamp ruikt naar lente. Er schijnt een mild zonnetje en de sneeuw dooit hard weg: een enorme opluchting na de barre winter waarin het kwik een enkele keer zelfs tot min veertig daalde.

Suzanne (24) werd vorig jaar februari op het vliegveld van Moskou gearresteerd, toen ze op doorreis was vanuit Zuid-Amerika naar Warschau. In haar koffer zat drie kilo cocaëe.

De eerste dagen dat ze vastzat, was ze totaal van slag. Ze had er nooit bij stilgestaan dat ze wel eens gepakt zou kunnen worden. 'Ik was compleet hysterisch. Ik dacht: Ik ga hier dood. Ik word vergeten en rot hier weg.'

Ze werd overgebracht naar de Moskouse Boetyrka-gevangenis waar ze opgesloten werd in een cel met zestig andere vrouwen. 'Ik dacht dat ik in Amerika terecht was gekomen, in een getto.' Een bed kreeg ze niet; de eerste tijd sliep ze midden in de cel op de grond, later kreeg ze van de 'chozjajka', de gevangene die de baas was in de cel, een beter plekje: onder één van de bedden. 'Dan kon ik overdag ook wat slapen.'

Haar proces duurde maar één dag. Zes jaar, luidde het vonnis van de Moskouse rechter. Als ze geluk heeft, komt ze misschien na vier jaar vrij. Ze vindt zelf dat ze wel heel zwaar gestraft is. 'Ik ben ontzettend dom geweest. Natuurlijk heb ik een misdaad begaan, maar zes jaar is wel erg veel, vooral hier, zover van huis.'

Na de rechtszaak verhuisde ze naar een cel met veertig gevangenen waar ze ditmaal wel een eigen bed kreeg. Het was er vol, maar toch was het er beter dan in het kamp waar ze nu zit, vindt ze. 'Hier is het werken, werken, werken. Je hebt nauwelijks tijd om na te denken of een brief te schrijven.'

Alle gevangenen worden tewerkgesteld in de kampfabriek, waar kleding gemaakt wordt: uniformen voor het leger en de politie, maar de laatste tijd vooral werkkleding voor de lassers van de Russische gasmaatschappij Gazprom. Suzanne en Daniëlle werken in het naai-atelier nummer 1, een lawaaierige fabriekshal waar zo'n 200 vrouwen achter ouderwetse naaimachines zitten te ploeteren onder opwekkende leuzen als 'Wil je het beter hebben, dan moet je beter werken'.

Volgens kampcommandant Golovin werken de gevangenen 'net als iedereen' acht uur per dag. Maar de gevangenen zelf zeggen dat ze vaak veel langere dagen moeten maken. 'Als de kampleiding vindt dat er slecht gewerkt is, moeten we soms van vier uur 's middags tot vijf uur in de ochtend werken', zegt een gevangene. 'Dat komt tamelijk vaak voor.'

Gevangenen die de norm niet halen of ondeugdelijk werk afleveren, lopen kans een paar dagen isoleercel te krijgen: geen matras, geen eigen kleding en alleen het minimum-kamprantsoen. Toen ze nog in voorarrest zat, heeft Daniëlle een keer zes dagen isoleercel gehad, maar dat zal haar nu niet meer overkomen, zegt ze. 'Het was vreselijk. Dat nooit meer.'

Na drie maanden in het werkkamp heeft Suzanne haar plaats wel gevonden in de kampgemeenschap. 'Je moet mensen om je heen hebben, want alleen red je het niet.' Wat een ander op zijn kerfstok heeft - moord of diefstal van een schaap, zoals ook voorkomt - maakt haar niet uit. 'Iedereen is hier in principe gelijk. Ik hou niet van discriminatie. Je bent in de eerste plaats mens. Bovendien, veel van die moorden zijn in een vlaag van verstandsverbijstering of uit wanhoop gepleegd.'

Ze heeft zich aangesloten bij een groepje gevangenen die 'wat te vertellen hebben in het kamp'. Haar enige zorg is dat een aantal van hen binnenkort vrij komt. 'Dan wordt het moeilijk voor me. Ik ben te goed van vertrouwen. Ik geef te veel weg. Dat moet moet ik afleren', zegt ze.

De Nederlandse meisjes zitten in dezelfde 'otrjad' (brigade), maar veel contact hebben ze onderling niet. 'We leiden ons eigen leven. We hebben ieder onze eigen vrienden', zegt Suzanne.

Hoewel in het kamp volgens commandant Golovin het principe van 'gelijke monniken, gelijke kappen' geldt, genieten Suzanne en Daniëlle toch een ietwat gepriviligeerde positie in het kamp. Anders dan voor de Russische gevangenen, die maar eens in de maand een pakje mogen ontvangen, geldt voor hen geen limiet.

Dankzij de pakjes die hun familie en meelevende krantelezers uit Nederland opsturen, kunnen zij het zich inmiddels veroorloven niet meer in de 'stolovaja' te eten, de kampkantine waar 's morgens dunne vissoep opgeschept wordt en 's middags niet veel smakelijkers. 'Eigenlijk mogen we hier alles, alleen mogen we de poort niet uit', zegt Suzanne. 'En dat is natuurlijk wat we het liefst zouden willen.'

Afgezien van een enkele brief van een Nederlander die vond dat zij de doodstraf verdiend hadden, waren alle reacties heel sympathiek. Alleen hoeven er geen bijbels meer gestuurd te worden: daarvan hebben ze allebei al een flinke stapel en verder is er niemand die Nederlands leest.

Daniëlle is, zo te horen aan haar verhalen, inmiddels vrij hoog opgeklommen in de ondergrondse hiërarchie die onder de bijna negenhonderd gevangenen bestaat. Zij heeft vriendschap gesloten met een van de meest invloedrijke gevangenen van het kamp, een vrouw die wegens roofoverval zit.

Haar vriendin behoort tot de meest geslaagde handelaars van het kamp. 'Als iemand een pakje krijgt, komt ze meestal eerst bij ons om te kijken of wij iets willen ruilen tegen sigaretten of iets anders', vertelt ze.

De Amsterdamse, die ook zes jaar heeft gekregen wegens cocaïnesmokkel, is inmiddels naar kampmaatstaven zo welvarend dat ze het zich kan veroorloven er een aantal bedienden op na te houden. Zo heeft ze een 'wasvrouw' die haar kleren wast ('ze doet het keurig'), een gevangene die het water opwarmt voordat ze zich gaat wassen en nog een 'loopmeisje' voor allerlei klusjes. 'Stel je voor: iemand die een moord gepleegd heeft, haalt voor mij een glas water', zegt ze tevreden.

Behalve de gevangenis, het kamp en de stations waar ze overgeladen werd op weg naar Javas, heeft ze van Rusland niets gezien. Maar uit het gedrag van haar medegevangenen leidt ze af dat 'de Russen het heel arm hebben'. 'Als ik mijn sigaret weggooi, rapen anderen mijn peuk op.'

Of iemand nu voor moord vastzit of voor iets anders, maakt ook haar weinig uit. Het enige onderscheid dat ze maakt is of iemand schoon is of niet. 'Schoon zijn is heel belangrijk voor je status. Of iemand zijn man aan stukjes heeft gehakt, maakt mij niet uit. Het zijn gewoon mensen. Het enige verschil is dat je mensen hebt die schoon zijn en mensen die vies zijn.'

Nu ze eenmaal ruim anderhalf jaar heeft overleefd, is ze ervan overtuigd dat ze het ook de resterende tijd wel zal volhouden. Ook Suzanne, die nog zeker drie jaar moet zitten, is ervan dat ze overeind zal blijven. 'Ik haal het absoluut. Ik heb mensen die thuis op me zitten te wachten. Dat houdt me op de been', zegt ze.

Aan het eind van de dag blijkt dat de Nederlandse vrouwen inderdaad een gepriviligeerde positie hebben. Ondanks de sombere voorspellingen van een officier van de centrale kampleiding voor de regio, mogen we toch de meegebrachte tassen met kleren, levensmiddelen en zeep aan hen overhandigen.

De bewakers kijken jaloers naar de berg cadeautjes die uit de tassen tevoorschijn komt. Zelf hebben ze al een paar maanden slechts een klein deel van hun salaris - gemiddeld 800 duizend roebel (ongeveer 120 dollar) - ontvangen. 'Zij hebben geen zorgen, zij hoeven geen gezin te onderhouden', moppert een van hen.

De bewakers zijn zelf gevangenen geworden van de kampen. Ander werk is er in Javas niet. Afgezien van de kampen, telt het plaatsje alleen een school en een bakkerij. Des avonds heerst er een diepe duisternis en dronkenschap, het enige vermaak buiten de muren van de kampen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden