Inpoldering IJsselmeer was ook bestuurlijk avontuur Laatste landdrost legt functie neer

'Daar ergens komt een stad', wijst de ingenieur van de Dienst der Zuiderzeewerken. Het is november 1951, en vanaf een winderig eilandje in het IJsselmeer volgt een verslaggever van de Volkskrant 's mans blik....

Van onze verslaggever

Pierre Heijboer

AMSTERDAM

En in dat gebied komt een stad, zegt de ingenieur: 'Een stad die minstens dertigduizend mensen zal moeten herbergen.' Hij denkt ook al te weten hoe die stad zal heten: Flevostad. Fout, maar ja, de nieuwe polder waarnaar hij wijst, heet dan nog Oosterpolder. En de plannen voorzien verder nog in een Zuiderpolder en een Westerpolder. Die polders zijn er (afgezien van de Markerwaard, de toenmalige Westerpolder) wel gekomen, en ook die stad staat er inmiddels, maar ze hebben allemaal andere namen gekregen. Flevostad is Lelystad geworden.

In die polders en steden wonen nu de mensen die ooit pioniers waren; en die, met hun poten in de modder en de klei, van de nieuwe polders bewoonbaar en bewerkbaar land maakten. Hun fysieke, agrarische en waterbouwkundige prestaties hebben in de loop der jaren honderden verhalen opgeleverd. Verhalen die het goed doen, ook buiten de grenzen.

De heroïsche 'herovering van de Zuiderzee' die ze beschrijven, begon in 1927 met de drooglegging van de Wieringermeer en eindigde in 1990 met het besluit van de regering om de Markerwaard niet droog te malen.

Aan een ander aspect van de landaanwinning - minder spectaculair, maar zeker niet minder belangrijk - is donderdag pas een einde gekomen. Het is de bestuurlijke kant van de inpolderingen, vertegenwoordigd door het laatste van de 'openbare lichamen' en de laatste van de 'landdrosten' die zich bestuurlijk om het nieuwe land hebben bekommerd.

In de Burgerzaal van het stadhuis van Almere is gistermiddag de ZIJP, het openbaar lichaam Zuidelijke IJsselmeerpolders, officieel ten grave gedragen. En de laatste (waarnemend) landdrost, R. Hofstee Holtrop, heeft zijn functie neergelegd.

De laatste echte landdrost, H. Lammers, heeft tijdens de plechtigheid het woord gevoerd. En herinneringen opgehaald. Hij had genoeg verhalen, want ook bestuurlijk gezien was de drooglegging van het IJsselmeer een avontuur. En ook bestuurlijk moest er gepionierd en geïmproviseerd worden.

Want hoe bestier je, liefst een beetje democratisch, land waar nog geen mensen wonen? Het is een probleem waar de Nederlandse overheid pas na veel moeite, en na heel wat jaren, uitgekomen is. En in feite is het nu, met de opheffing van de ZIJP, pas echt opgelost en zijn de IJsselmeerpolders eindelijk volledig gedemocratiseerd. Want al heetten de bestuurslichamen dan 'openbaar', democratisch waren ze niet, zeker niet in de eerste jaren.

Toen het land van de Wieringermeer begon droog te vallen, had de Nederlandse regering in eerste instantie niets beters te doen dan het op te delen onder de aangrenzende gemeenten. Maar dat werkte niet. Daarom werd voor het nieuwe land een speciale bestuurlijke constructie ontworpen. Er kwam een openbaar lichaam dat zowel rijkstaken, waterschapstaken als gemeentelijke taken ging uitvoeren.

Van zeggenschap van toekomstige bewoners was geen sprake. Het hoofd van de nieuwe bestuursorganisatie, landdrost S. Smeding, was een soort koning van de Wieringermeer. En hij bleef dat, ook toen er al wèl bewoners waren. Die mochten weliswaar een 'bestuurscommissie' kiezen, maar die had nauwelijks invloed. Pas toen in 1941 de Wieringer meer helemaal droog en bewoond was, werd het een gewone, democratische gemeente.

Men had echter van de gang van zaken geleerd. In de volgende drooglegging, de Noordoostpolder, werd daarom vanaf het begin gestreefd naar een snellere democratisering. Maar dat nobele plan stuitte op veel problemen van praktische aard.

Er moest nu eenmaal veel worden geregeld, dat kon niet wachten op inspraak. Toch functioneerden in de NOP al vanaf het begin een rijks- en een soort van gemeentebestuur. Maar de landdrost was van beide de voorzitter en bleef dus in feite alleenheerser. Hij luisterde sinds 1951 wel eens naar een gekozen 'poldercommissie', maar hij bleef het toch tot 1961 voor het zeggen houden.

Hoewel in de volgende polder, Oostelijk Flevoland, de bestuurlijke organisatie in feite hetzelfde bleef, veranderde er in de praktijk wèl iets. Want inmiddels was het 1963, en in overeenstemming met de veranderde tijdgeest beschouwde landdrost W. Otto zijn bewoners-adviesraden als instanties waarmee hij terdege rekening moest houden - als een soort gemeenteraden dus.

Die lijn werd doorgetrokken in de opdracht die de laatste landdrost, ex-wethouder van Amsterdam H. Lammers, in 1976 meekreeg voor geheel Flevoland. Hij diende het bestuur zo snel mogelijk in handen te brengen van gewone, democratische gemeenten.

Vandaag is die klus eindelijk geklaard: de ZIJP is dood, leve de gemeenten. In Flevoland zijn er dat vier: Dronten, Almere, Lelystad en Zeewolde.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.