Nieuws

Inkomenskloof steeds groter? Niet (echt) volgens deze studie

De inkomensongelijkheid in Nederland is in de afgelopen veertig jaar groter geworden, maar sinds het begin van de jaren negentig zijn de verschillen tussen huishoudens aan de boven- en onderkant vrij stabiel.

null Beeld Marcel van den Bergh
Beeld Marcel van den Bergh

Dat meldt de donderdag gepresenteerde studie Inkomens verdeeld, trends 1977 - 2019, van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en de Universiteit Leiden. Inkomensverschillen en de bijbehorende koopkrachtplaatjes staan in Nederland garant voor debat, zeker nu er signalen zijn dat corona de ongelijkheid tussen rijk en arm recentelijk weer heeft vergroot. Die jongste crisis zit niet in de studie, die loopt tot 2019. Wel wordt uit het onderzoek duidelijk dat de overheid steeds harder moet werken om de inkomensverschillen niet groter te laten worden.

De kloof werd in de jaren tachtig eerst groter door het loslaten van de koppeling tussen de lonen en uitkeringen. Doordat de sociale uitkeringen niet langer meestegen met de salarissen, groeide de inkomensongelijkheid. Daarna, sinds het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw, zijn de verhoudingen min of meer stabiel, aldus de onderzoekers. Studenten en mensen in de bijstand hebben het minst te besteden, zelfstandigen met een eigen bedrijf, werkenden en gezinnen met kinderen het meest.

De ‘ongecorrigeerde’ kloof bij de inkomens groeit wel. Van het zogeheten ‘primaire’ inkomen blijft via belastingen en premies het besteedbaar inkomen over: wat iemand in de portemonnee krijgt. Deze herverdeling door de overheid halveert ongeveer de verschillen. Daarmee voldoen de opeenvolgende kabinetten volgens de studie aan de eigen doelstelling om de bestaande inkomensverhoudingen zoveel mogelijk in stand te houden, en de aandacht te richten op economische groei en meer werkgelegenheid. Alleen de Interim-nota inkomensbeleid uit 1975 van het kabinet Den Uyl was (vergeefs) gericht op verdergaande nivellering van de inkomens.

Kans op armoede

De koopkracht van de Nederlandse bevolking is volgens de onderzoekers ‘vrijwel onafgebroken’ gestegen, met uitzondering van de economische crisis van 1979-1985 en de kredietcrisis van 2009-2013. Volgens de onderzoekers loopt de mediaan van koopkracht – de helft zit hoger, de andere helft lager – sinds 2014 weer op. Werkenden en huishoudens met kinderen profiteerden het meest. Gepensioneerden leverden tussen 2009 en 2019 bijna 5 procent koopkracht in, doordat pensioenen vaak niet meestegen met de inflatie. De belasting en premiedruk op de inkomens daalden van 44 procent in het topjaar 1985 tot 38,2 procent in 2019.

De kans op armoede werd volgens de studie in dezelfde periode kleiner. In 1985, pal na de crisis van begin jaren tachtig, liep 22,5 procent van de huishoudens het risico in de armoede te belanden. Toen de economie weer ging draaien, daalde dat in de jaren negentig naar gemiddeld 15 procent. In 2019 was het percentage huishoudens onder de lage-inkomensgrens volgens de studie gezakt naar 7,7 procent. Die grens was in dat jaar voor een alleenstaande 1.090 euro besteedbaar inkomen per maand, voor een paar met twee kinderen was dat 2080 euro.

Volgens CBS-hoofdeconoom Peter Hein van Mulligen is het armoederisico in Nederland daarmee internationaal gezien laag. Datzelfde geldt volgens hem voor de inkomensverschillen. Inkomsten uit vermogen, in de vorm van rente over spaartegoeden, dividenden uit aandelen en opbrengsten uit onroerend goed, zijn volgens de onderzoekers meegenomen in de berekeningen van de inkomens. De betaalde hypotheekrente werd hierop in mindering gebracht.

Volgens inkomensspecialist Wiemer Salverda (Universiteit van Amsterdam) stijgt de ongelijkheid wel degelijk, zij het niet heel sterk, en is er een kans dat de verschillen nog groter worden. ‘Onder het relatief kalme oppervlak woelt er veel dat mensen als toenemende ongelijkheid kunnen ervaren.’ Dat geldt voor Salverda bijvoorbeeld voor het verschil tussen alleenstaanden en tweeverdieners, waarbij de laatste groep vaak beter af is. Om dat te veranderen moeten inkomensbeleid en arbeidsmarktbeleid volgens hem samengevoegd worden.

De kloof tussen arm en rijk zit in Nederland overigens niet zozeer in de inkomens, als wel in bezit. Vooral een eigen woning – zes op de tien huishoudens hebben er een – is daarbij belangrijk. De waarde van de eigen woning stijgt snel. Ook de arbeidsmarkt – vaste baan of tijdelijk contract, zoals vaak aan de onderkant – speelt een rol. Volgens de meest recente cijfers, van begin 2019, had de rijkste 10 procent huishoudens meer dan 1.000 miljard euro vermogen. De onderste helft had niet of nauwelijks vermogen, of vooral schulden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden