Inhuldigingsverklaring levert geen extra verplichtingen op

Kamerleden die bewust wegblijven bij de kroning van Willem-Alexander missen simpelweg een feestelijkheid, dat is alles.

JAN DIRK SNEL

Er is de laatste week het een en ander te doen geweest over de 'plechtige verklaring' die leden van de Staten-Generaal bij de inhuldiging van koning Willem-Alexander, tijdens de Verenigde Vergadering in Amsterdam van 30 april, geacht worden te bevestigen.

Het gaat dan om deze woorden uit artikel 2 van de Wet beëdiging en inhuldiging van de Koning: 'Wij ontvangen en huldigen, in naam van de volkeren van het Koninkrijk en krachtens het Statuut voor het Koninkrijk en de Grondwet, U als Koning; Wij zweren (beloven) dat wij Uw onschendbaarheid en de rechten van Uw Koningschap zullen handhaven.'

In de Volkskrant van 16 februari (O&D) noemt de Leidse hoogleraar staatsrecht Wim Voermans dat 'een rare vertoning, waarmee de oude eed, die in 1983 uit de Grondwet werd geschrapt, langs een achterdeur via een vergeten wetje uit 1992 weer is teruggebracht'. In diverse bewoordingen doet Voermans het voorkomen alsof een in 1983 verdwenen eed sinds 1992 weer 'herleeft'.

Dat is evident onjuist. De plechtige verklaring die voorheen in de Grondwet stond, is nooit afgeschaft. Ze kwam weliswaar niet meer voor in de eigenlijke tekst van de herziene Grondwet van 1983, maar ze bleef nog wel degelijk van kracht via het additionele artikel XI, dat de tekst van artikel 54 uit de Grondwet van 1972 handhaafde, 'totdat daarvoor bij de wet een regeling is getroffen'. Dat wetsvoorstel werd in 1989 ingediend en in 1991 plenair besproken en zonder stemming door de Tweede Kamer aangenomen, waarna de Eerste Kamer volgde. In 1992 werd de wet van kracht. Op een enkele redactionele wijziging na - 'kroon' werd bijvoorbeeld 'Koningschap' - werd de traditionele tekst gehandhaafd.

Anders dan Voermans stelt, vloeit de wet wel degelijk voort uit artikel 32 van de (huidige) Grondwet. Dat artikel zegt immers dat de wet nadere regels omtrent de inhuldiging stelt. De plechtige verklaring was daar - naar het oordeel van regering en parlement - een onderdeel van.

Op 10 april 1991 werd het wetsvoorstel door minister Ien Dales in de Tweede Kamer verdedigd. Daarbij kwam ook de vraag aan de orde wat de precieze status van de plechtige verklaring is. Daarop was de regering in een nota van 15 maart 1990 al ingegaan: 'Wij antwoorden dat de inhuldiging, die wij als een waardevolle traditie zien, op plechtige wijze de verbondenheid van de volksvertegenwoordigingen van de landen en Koning met het Statuut en de Grondwet tot uitdrukking brengt. Aan de inhuldigingsverklaring komt, zoals ook door de regering bij de algehele grondwetsherziening naar voren is gebracht, geen zelfstandige juridisch-constitutionele betekenis toe. De plechtige verklaring heeft derhalve niet het karakter van een eed.'

Aan die lijn hield Ien Dales vast. Ze beklemtoonde dat de verklaring 'geen zelfstandig juridisch karakter heeft'. Daar waren alle sprekers het over eens. Hoewel aan de verklaring volgens minister Dales 'geen zelfstandige constitutionele betekenis' toekwam, vond ze ook dat het 'om meer dan een traditie' ging. Enkele Kamerleden constateerden dat de bewering dat het hier niet om een eed gaat, niet helemaal vol te houden viel. De verklaring heeft immers de vorm van een eed. Maar iets anders dan een uiting van verbondenheid wordt er niet mee uitgedrukt.

Wie de tekst bekijkt, ziet dat de plechtige verklaring geen nieuw element toevoegt. De onschendbaarheid van de Koning staat al in de Grondwet en daar hebben Kamerleden al een eed of belofte op afgelegd. De rechten van de Koning gaan ook niet verder dan die op dat ogenblik door Grondwet of wet worden toegekend. Kamerleden binden zich niet juridisch aan de persoon van de Koning, maar beloven slechts de bestaande constitutie op dit punt te eerbiedigen.

De verklaring verhindert Kamerleden niet om voor te stellen de Grondwet te wijzigen. Ook Kamerleden die principieel tegen de monarchie zijn, binden zich door de verklaring af te leggen aan niets meer dan waar ze als leden van de Staten-Generaal toch al mee ingestemd hebben.

De verklaring hoort bij de inhuldiging, maar kan later niet worden 'ingehaald' en dat is ook niet nodig. Ook dat kwam in 1991 expliciet ter sprake.

Bij de inhuldiging van koningin Wilhelmina in 1898 bleven tien leden (van de toen 150 leden) om verschillende redenen weg. Sommigen waren ziek. De antirevolutionair Abraham Kuyper, die drie jaar later een eigen kabinet zou gaan leiden, liet een reis naar de Verenigde Staten voorgaan. De sociaal-democraten Pieter Jelles Troelstra en Henri van Kol lieten zonder kennisgeving verstek gaan. Bij de inhuldiging van koningin Juliana in 1948 ontbraken vijf leden, allen communisten, al was het merendeel van de CPN'ers wel aanwezig. En bij de inhuldiging van koningin Beatrix in 1980 ontbraken vijftien van de inmiddels 225 leden. Vijf ervan lieten weten dat ze om 'principiële redenen' niet kwamen opdagen: twee PvdA'ers, twee PSP'ers en één D66'er. De vier CPN'ers in beide Kamers waren toen allen present.

De inhuldiging van koning Willem-Alexander heeft geen constitutieve waarde. De koning is namelijk al koning. Kamerleden kunnen aan de plechtigheid deelnemen, maar het staat ze ook vrij om weg te blijven, al is dat laatste misschien niet zo chic - bovendien missen ze dan een plechtig en feestelijk moment.

undefined

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden