Ingrijpen in Midden-Oosten kan niet, niets doen ook niet

De gifgasaanval in Syrië raakt in het Westen een open zenuw. Niets doen heeft een hoge prijs. Iets doen ook. Arie Elshout over een boosaardig spook dat ons al 25 jaar achtervolgt.

Jong slachtoffertje van de gifgasaanval in de provincie Idlib, Noord-Syrië, wordt behandeld in een ziekenhuis. Beeld AFP/Getty Images

Weer werd het Westen deze week hard met zijn onmacht geconfronteerd. De gifgasaanval in Syrië raakte een open zenuw. Waarom hebben we het zo ver laten komen? Waarom hebben we al die tijd niets gedaan? Niet voor het eerst pijnigen de westerse landen zich met zulke vragen. Hetzelfde gebeurde jaren geleden in Bosnië. Daar werd de oorlog ook lang op zijn beloop gelaten en moesten in Srebrenica eerst duizenden moslimmannen worden gedood voor er afdoende werd ingegrepen. Nu was het schrijnende gevoel van een westers tekort er weer. Als een boosaardig spook achtervolgt het ons, al 25 jaar lang. Ook voor mij, als journalist die veel over deze thematiek heeft geschreven, was het een persoonlijke worsteling, die steeds dicht onder de huid zat, twijfels opriep en wonden sloeg.

De Amerikaanse president Donald Trump was het zat donderdag. 'Geen kind van God mag ooit zoiets afschuwelijks worden aangedaan', zei hij over de baby's die werden gedood tijdens de gifgasaanval.

Als vergelding liet hij 59 kruisraketten afvuren op een luchtmachtbasis van de Syrische president Bashar al-Assad. Hiermee deed Trump op de 76ste dag van zijn presidentschap al meer dan zijn voorganger Obama in zes jaar.

Die had weinig animo zich te mengen in de oorlog tussen Assad en de oppositie. Obama liet bombardementen uitvoeren boven Syrisch grondgebied, maar alleen tegen doelen van Islamitische Staat (IS). Hij was ervan overtuigd dat Amerika oorlogsmoe was na uitputtende en weinig succesvolle oorlogen in Irak en Afghanistan. Ook de meeste Amerikanen vonden dat. Zo ontstond de Obama-doctrine: laat je niet meeslepen in uitzichtloze overzeese oorlogen en besteed in plaats daarvan liever meer aandacht aan 'nation-building' in Amerika zelf.

De grote vraag na Trumps bliksemactie is nu of dit de week gaat worden van de ommekeer, waarin Amerika zijn politiek van afzijdigheid tegenover Syrië afzweert. Velen lieten na de gifgasaanval van dinsdag weten dat er een grens was bereikt. 'Genoeg geweld, genoeg oorlog', zei Federica Mogherini, buitenland-chef van de Europese Unie. De cijfers zijn ook schrikbarend.

De meer dan 80 gifgasdoden komen bovenop de 400.000 anderen die het leven lieten in de Syrische oorlog. De oorlogsschade bedraagt 350 miljard dollar. Bijna 5 miljoen Syriërs zijn naar het buitenland gevlucht, nog eens 6 miljoen Syriërs zijn ontheemd in eigen land. De door jihadisten veroverde gebieden fungeren als springplank voor terreuraanslagen en als inspiratiebron van moslimjongeren elders. Iran en de Arabische Golfstaten mengen zich direct of indirect in de strijd. Rusland en Amerika voeren er bombardementen uit. Europa worstelt met honderdduizenden vluchtelingen, honderden terreurslachtoffers en duizenden Syrië-gangers en geradicaliseerde moslims.

Waarom kan dit maar doorgaan?

Waarom stopt niemand dit?

Wie doorbreekt de dodelijke logica van de gestaag stijgende getallen?

Vader Alaa alYoussef houdt zijn tweeling op schoot, op weg naar hun laatste rustplaats. AlYoussef verloor naast zijn vrouw en kinderen 17 andere familieleden door de gifgasaanval op 4 april.

Verrassingsaanval

Dit was meteen na de verschrikkelijke beelden uit het Syrische stadje het sentiment. In de Veiligheidsraad in New York liet de Amerikaanse VN-ambassadeur Nikki Haley het A-woord vallen. De Verenigde Staten zullen desnoods eenzijdig actie ondernemen om de bevolking te beschermen, waarschuwde zij. Dat was verrassend. Nog verrassender was dat al een dag later de nachtlucht boven het oostelijk deel van de Middellandse Zee oplichtte bij de lancering van een golf Tomahawk-raketten vanaf twee oorlogsschepen.

Terug is ineens de optie van een grootschalig ingrijpen ter beëindiging van de oorlog. De emotie is er, dat is duidelijk. Maar is er echt de wil tot een ingrijpen dat verder gaat dan een enkele vergeldingsaanval? Een ingrijpen dat een punt zet achter zes lange jaren van oorlog?

Rationeel is er veel voor te zeggen. Allereerst vanwege de Syriërs zelf: er moet een eind komen aan hun lijden. Vervolgens zijn er de buurlanden, de regio en Europa: het is ook in hun belang dat een oorlog wordt gestopt die zich tot ver buiten de Syrische grenzen doet voelen.

Maar tekenend voor de tragiek en de weerbarstigheid van het Syrische conflict is dat argumenten tegen grootschalig interveniëren niet minder rationeel zijn. Een Amerikaanse campagne tegen het regime van Assad zou kunnen leiden tot een hypergevaarlijke confrontatie met diens Russische beschermheren. Bovendien is er bij interventies altijd het gevaar dat het middel erger is dan de kwaal.

Zo raken we opnieuw verscheurd tussen de voors en tegens, tussen idealisme en realisme. Zoals zo vaak de afgelopen kwart eeuw waarin het Westen steeds op twee gedachten hinkte. Ingrijpen om humanitaire redenen was een nieuw fenomeen. De Koude Oorlog had de internationale verhoudingen op slot gegooid. Militaire acties die een bedreiging konden zijn voor het precaire evenwicht, waren uit den boze. Dus toen de Syrische dictator Hafez al-Assad (de vader van) in 1982 een opstand in de stad Hama bloedig neersloeg en zijn Iraakse collega Saddam Hussein in 1988 gifgas gebruikte tegen de Koerden, was er geen sprake van interventie. Pas na de val van de Muur werd het een optie.

Tegelijk met de nieuwe vrijheid voor Oost-Europa was een nieuw optimistisch tijdperk aangebroken waarin geloofd werd dat rede en democratie hadden gezegevierd over naakte machtspolitiek en onderdrukking. Een Nieuwe Wereldorde was het. Maar een interventionistische vingeroefening in Somalië mislukte en de oorlog op de Balkan kon jaren voortwoekeren zonder dat Amerika en Europa er iets wezenlijks tegen ondernamen. Pas in 1995 greep de NAVO militair in en maakte zij een eind aan de etnische zuiveringen. Het ging gemakkelijker dan gedacht. Daarom herhaalde de NAVO hetzelfde recept in 1999 in Kosovo. Het humanitair interventionisme beleefde zijn hoogtijdagen.

Ambassadeur Nikky Haley toont twee foto's van slachtoffers van de gifgasaanval tijdens een vergadering van de VN Veiligheidsraad, 5 april 2017. Beeld reuters

Eeuwige vrede

Vlak voor de oorlog in Kosovo begon, was ik in Sint-Petersburg op een conferentie over 'De Toekomst van de Oorlog'. Door de ramen in een van de zalen van het Marmerpaleis was buiten de bevroren Neva-rivier te zien. Binnen waren er de optimisten, die betoogden dat Europa op de drempel stond van de eeuwige vrede als de EU en NAVO hun rol van vredestichter serieus zouden nemen. De realisten waarschuwden voor de spill over van oorlogen waar de verliezers en berooiden van deze wereld elkaar bevechten. Het Westen kan als een belegerd kasteel worden, waar de golven tegen aan beuken. Sommige golven kunnen zelfs zo krachtig zijn dat ze over de muren heen slaan, zei krijgshistoricus Martin van Creveld, niet toevallig een Israëliër.

Ik zelf had tot dan toe afwijzend gestaan tegenover ingrijpen in onoverzichtelijke etnische wespennesten, waar het ene dorp tegen het andere vecht. Maar in 1999 bekeerde ik me tot interventionist, vanuit het idee dat Bosnië en Kosovo hadden aangetoond dat het stoppen van grootschalig etnisch geweld niet alleen moreel noodzakelijk was maar ook mogelijk. Wat ik toen nog niet kon bevroeden was dat het succes van het interventionisme op de Balkan zijn toekomstige mislukking in zich droeg.

Twee jaar later, op 11 september 2001, vaagde zo'n golf van Van Creveld de Twin Towers in New York weg. De reactie van president George W. Bush was hard. Het Taliban-regime in Afghanistan werd omvergeworpen. Daarna kwam Irak in beeld, omdat het regime van Saddam over verboden massavernietigingswapens zou beschikken en banden zou onderhouden met de 9/11-terroristen. Ook was er het humanitaire argument: het werd tijd dat er een einde kwam aan Saddams wrede onderdrukking van twee van de drie bevolkingsgroepen in het land.

Dat laatste aspect leidde ertoe dat aanvankelijk niet alleen rechts een invasie steunde maar ook progressieven, onder wie politici als Hillary Clinton en intellectuelen als Christopher Hitchens en Michael Ignatieff. De neo-conservatieven, van wie er enkelen in de regering-Bush zaten en de drijvende kracht achter de Irak-oorlog waren, hadden eveneens vaak een progressief verleden. Zij geloofden er heilig in dat Irak van buitenaf in een democratie kon worden veranderd die geen bedreiging meer zou vormen voor de buren. Was in Oost-Europa niet bewezen dat gewone burgers smachtten naar vrijheid en voorspoed? Ook ik steunde de invasie.

Die werd een mislukking. Er werden geen massavernietigingswapens gevonden. En het allerbelangrijkste: de Irakezen stonden niet langs de kant van de weg te juichen. Integendeel, het afzetten van Saddam werd de opmaat tot een extreem bloedige burgeroorlog. Het was een heel dure vergissing. De neo-conservatieven hadden aangestuurd op de oorlog vanuit de stellige overtuiging dat de Irakezen net zo waren als de Oost-Europanen die na de val van de Muur de democratie omarmden. Maar de Arabische wereld, met al haar sektarische, etnische en religieuze tegenstellingen en haar onverwerkte koloniale verleden, bleek geen Oost-Europa. De Oost-Europese triomfen werden zo paradoxaal genoeg de vader van de mislukking in het Midden-Oosten.

President George W. Bush vertelt in een televisietoespraak dat de Verenigde Staten de aanval op Irak hebben geopend, 19 maart 2003. Beeld ap

'Doe het niet!'

Dat deed pijn, ook bij mij. De beelden van bloedige aanslagen sneden elke keer weer door de ziel. Er waren er genoeg die hadden gewaarschuwd. Ik herinner me een Nederlands-Duitse conferentie in Berlijn, waarop diplomaten, academici en journalisten in de comfortabele steriliteit van een vergaderzaal filosofeerden over de Amerikaanse invasieplannen. Totdat de Nederlandse ambassadeur en Arabist Nikolaos van Dam tijdens een koffiepauze vertwijfeld uitriep: 'Doe het niet, doe het niet. Haal niet het deksel van die ketel!'

Het gebeurde toch, met fatale gevolgen. Ik kon niet zeggen dat ik het niet had kunnen weten. Maar ik kon het deksel ook niet meer terugplaatsen. De klepel van het interventionisme sloeg weer de andere kant op. Weinigen wilden meer hun vingers branden aan buitenlandse avonturen. Bush ging, Obama kwam en hij zette de terugtocht in. Zijn minister van Defensie, Robert Gates, noemde de kans klein dat de Amerikanen ooit nog eens met grondtroepen een land zouden binnenvallen, pacificeren en besturen. Gates in februari 2011: 'Iedere toekomstige minister van Defensie die de president adviseert om opnieuw een landleger in te zetten in Azië, het Midden-Oosten of Afrika is niet goed bij zijn hoofd.' De maand erna brak de Syrische burgeroorlog uit.

Mensen kijken naar een bus die volledig is uitgebrand na een aanslag met een autobom in het bruisende Sadr City district in Bagdad, 2 januari 2017. Beeld reuters

Obama deed niets, tot op het eind van zijn presidentschap. Hij nam nog wel deel aan de interventie in Libië, maar niet van achter het stuur maar vanaf de achterbank. En ik, inmiddels weer interventie-scepticus, begreep dat volledig. Maar wat nu? Iedere president is vaak een reactie op de vorige. Obama zette zich met zijn beleid van afzijdigheid af tegen de Bush van Irak, terwijl Trump zich met zijn snelle aanval tegen Assad weer distantieert van Obama. De vraag is tot hoever Trump wil gaan. Zijn hij en de militairen om hem heen bereid de woorden van Gates te negeren?

Zij moeten zich realiseren dat de prijs van 'iets doen' hoog kan uitvallen. Syrië is net zo'n gecompliceerd land als Irak. Het conflict kent krankzinnig veel lagen. Er is de strijd tussen de verschillende etnisch-religieuze groepen, de rivaliteit tussen Iran en de Arabische Golfstaten, de aanwezigheid van Rusland als Assads steunpilaar. Zij moeten ook weten dat met één Amerikaanse boot on the ground zij al gauw weer alle vuur aan trekken. Eén verkeerd gevallen bom en ze krijgen de volle laag over collateral damage.

Daar staat het menselijk leed tegenover. Kijk naar de cijfers hierboven en zie de humanitaire imperatief. Ook de prijs van 'niets doen' is enorm. Uiteindelijk besefte Obama dat ook. Een oud-adviseur van hem zei in The Atlantic: 'In Irak leerde Obama dat grootscheepse invasies gericht op regimewisseling niet werken; in Libië leerde hij dat een beperkte invasie die leidt tot ineenstorting van het regime niet werkt; en in Syrië leerde hij dat niet interveniëren ook niet werkt.'

Dat zijn de dilemma's voor iedereen die begaan is met de 'kinderen van God'. En dat verklaart al 25 jaar de worsteling van de internationale gemeenschap en mezelf.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden