Ingenieur, durf te dromen

In een vergaderzaal van het gebouw van de faculteit Civiele Techniek in Delft hangt een groot portret aan de muur....

'Drie bogen van 129,94 meter en vijf overspanningen van 55,82 meter temmen de rivier', vertelt een bordje. Ary Willem Stortenbeker schilderde de brug op één bij drie meter, in 1878, het jaar dat de constructie werd voltooid. De ontwerpers van de stalen brug, hoofdingenieur J. G. van de Bergh van de Staatsspoorwegen, met ir. J. M. Telders en jhr. O. J. H. Repelaer van Driel, worden nergens genoemd.

Dat schilderij, noteren de Delftse studentenpastores Tom Meijknecht en Hans van Drongelen in hun boekje De reis van de ingenieur, geeft precies aan hoe ingenieurs zichzelf zijn gaan zien: als anonieme helden, die slechts zichtbaar zijn aan hun werken.

De traditionele universiteiten als Leiden en Utrecht hebben in hun statige senaatszalen steevast wandenvol hoogleraren, trots in vol ornaat. Delft heeft een zakelijke, in zichzelf gekeerde betonnen aula met kale muren. En het oude portret van de Waalbrug, aan de overkant van de Mekelweg bij Civiele, vertoont bij nadere beschouwing nog een winkelhaak ook.

Afgelopen voorjaar, in de derde week van maart, was Delft het toneel van het meerdaags congres Heroic Engineering, dat zocht naar een nieuw zelfbeeld van de ingenieur. Want studenten en jonge ingenieurs, weten de pastores uit hun praktijk maar al te goed, hebben vaak geen idee waaraan ze eigenlijk bezig zijn en waarom ze doen wat ze doen. Meijknecht en Van Drongelen bedachten het congresthema en reisden vervolgens in voorbereiding op het programma samen naar tal van potentiële sprekers en inspiratiebronnen, in Londen, New York, San Francisco, Hawaiï, Chicago, Den Bosch, Saudi-Arabië.

De reis van de ingenieur is tegelijk een essay over het thema van het congres, een reisverslag, en een discussiestuk over de vorming van de moderne ingenieur. Niet altijd even coherent en scherp, met soms merkwaardige stilistische wisselingen, hier en daar hinderlijk pastoraal. Maar ook inspirerend en uitdagend. De hedendaagse ingenieurs, schrijven de pastores, moeten weer durven beseffen dat dromen de basis zijn van hun vak. Ongebreidelde, heroïsche dromen, liefst.

Zoals die van Lou van der Sluis, hoogleraar elektriciteitsvoorziening in Delft, die de auteurs al vroeg in hun monsterproject spreken. In eerste instantie lijkt hij het toonbeeld van de miskende Delftse ingenieur: altijd wat bozig omdat economie en politiek in feite bepalen wat er mogelijk is, en niet de zuivere techniek.

Maar gaandeweg het gesprek veert Van der Sluis op, en begint een verhaal over het einde van de fossiele brandstoffen en over satellieten die zonne-energie winnen en naar de aarde overzenden. Een idee vol haken en ogen, maar het is wel de droom die hem van dag tot dag gaande houdt, zonder het ook dagelijks zo te beseffen, laat staan het er steeds over te hebben.

Dat is de heldhaftige spirit die Van Drongelen en Meijknecht willen zien in de ware ingenieur. 'In velen van hen schuilt de geestelijke grootheid om zich te wijden aan een ondankbare taak, om de problemen waar de mensheid voor staat, in hun ware gedaante onder ogen te zien en er geduldig oplossingen voor te zoeken. (. . .) Trouw blijven aan je oorspronkelijke intuïtie.'

Meijknecht, ook op papier welbespraakter dan zijn collega, bracht eerder al het idee naar voren dat die geestelijke component van het ingenieursvak belangrijker is dan opleidingen zoals die in Delft onderkennen. Uiteindelijk, is ook nu weer het betoog, komt de civiele ingenieur niet voort uit de militaire genie, maar uit de monniken die al in de veertiende eeuw dijken begonnen te bouwen. Zij werden voortgedreven door het idee dat Gods werkelijkheid maakbaar was, en met voldoende doorzetten ten goede kon worden gekeerd.

De Brits-Amerikaanse filosoof Stephen Toulmin, ook bekend als favoriet van diepzinnig televisiemaker Wim Kayzer en hoofdgast in maart in Delft, ontmoet beide heren op een uitgestorven en regenachtige campus van de universiteit in Los Angeles, broodje in de hand, want de restaurants zijn dicht wegens Martin Luther King day. Ingenieurs, oppert de wijsgeer, zouden misschien net zo moeten worden opgeleid als artsen.

Hun beroepen zijn namelijk verwant, denkt Toulmin. 'Techniek gaat om antwoorden in het bijzonder, niet antwoorden in het algemeen. De vraag is altijd of de oplossing in dit ene geval werkt. Net zo gaat het bij medicijnen om de genezing van één bepaalde patiënt. Wat de doorslag geeft, is niet zozeer hóe een zieke te genezen is, maar óf hij genezen is.' Een ingenieur die dat kenmerk van de techniek begrijpt, is beter toegerust voor zijn taak.

Dat die taak hem door politiek en economie wordt aangereikt, maakt hem niet minder waard dan de vrij onderzoekende academicus, onderstrepen Meijknecht en Van Drongelen. Integendeel. Het maakt zijn onzelfzuchtige optreden begrijpelijk en waardig. En het geeft hem bovendien de verantwoordelijkheid om ook inzicht te verwerven in die maatschappelijke factoren.

De reis van de ingenieur is bepaald geen loepzuiver werkje over de ziel van de ingenieur, laat staan een handleiding voor zoekenden. Maar als katalysator voor wat meer zelfreflectie moet iedere Delftse techneut het toch eens lezen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden