Infernale, zoemende galsnippers

De Ierse schrijver Joseph O’Connor gebruikt een veelheid aan stijlen in zijn nieuwe roman, die speelt in de tijd van de Amerikaanse Burgeroorlog....

Ierse schrijvers hebben een naam hoog te houden als het gaat om hun vermogen tot vernieuwing en experiment. Van de ‘Ierse Engelsman’ Laurence Sterne tot James Joyce en van Jonathan Swift tot John Banville heeft Ierland auteurs voortgebracht die hun collega’s in het Britse buurland dikwijls naar de kroon staken met hun innovatie in taal, verteltechniek, constructie en karakterisering.

Hoewel de Ierse letteren ook een conventioneler verteltraditie kennen (van George Moore tot Brian Moore en Roddy Doyle), en in de hedendaagse Britse literatuur ook enthousiast buiten gebaande paden wordt getreden (Toby Litt, Jeanette Winterson, Ali Smith), is het verleidelijk om van de nieuwe roman van Joseph O’Connor te zeggen dat hij alleen door een Ier geschreven zou kunnen zijn.

Je hoeft alleen maar even door dat boek, Redemption Falls, heen te bladeren om te zien dat het geen dagelijkse kost is. Foto’s, tekeningen, boekomslagen, posters, brieven, testamenten, krantenkoppen, toneelteksten, gedichten, liedteksten* het maakt van bijna alle denkbare typen documenten gebruik om een werkelijkheid te construeren. En tussen al die documenten door is verhalend proza gesponnen waarin O’Connor zo’n beetje alle taalregisters opentrekt: poëtisch, platvloers, archaïsch, zakelijk – al naar gelang wat er wordt beschreven en wie het overkomt.

Redemption Falls speelt tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog en kent – dat kan na het voorafgaande niemand verbazen – een reeks verhaallijnen en personages. Het eerste personage met wie de lezer kennismaakt, is Eliza Duane Mooney. Ze is bijna zeventien en is op weg van Baton Rouge in het zuidelijke Louisiana naar het noorden, op zoek naar haar 12-jarige broertje Jeremiah (Jeddo), die vier jaar eerder als kindsoldaat in de Burgeroorlog verzeild raakte.

Eliza’s reis is een ware helletocht. Ze wordt geslagen, verkracht, en lijdt bijna voortdurend honger. Haar bezit bestaat uit de kleren die ze aanheeft en een oude foto van haar broertje, haar enige familielid dat nog in leven is. Beiden zijn nakomelingen van migranten die na de Ierse aardappelhongersnood met een van de beruchte drijvende doodskisten naar de Verenigde Staten kwamen – een verhaal dat O’Connor beschreef in zijn vorige boek, Star of the Sea (Stella Maris).

Een tweede verhaallijn wordt gevormd door de belevenissen van James Con O’Keeffe, bijgenaamd ‘de Kling’. Als Iers republikein ontkomt O’Keeffe op een haar na aan de galg en wordt hij verbannen naar Van Diemens Land (Tasmanië). Vervolgens ontsnapt hij na de nodige verwikkelingen naar Amerika, waar hij met veel succes lezingen geeft over zijn avonturen. Alleen Dickens kan als voordrachtskunstenaar in zijn schaduw staan, vermelden de posters.

O’Keeffe wordt generaal in het leger van de Unionisten, maar raakt door zijn opvliegende natuur in conflict met een meerdere. Het kost hem zijn rang, en uiteindelijk belandt hij in het stadje Redemption Falls, een wetteloos oord ergens in een uithoek van Montana, waar hij de functie van gouverneur vervult. Hij komt er in contact met Jeremiah, voor wie hij een soort surrogaatvader wordt.

Als gouverneur houdt O’Keeffe zich – behalve met erg veel drinken – onder meer bezig met het bestrijden van de Vigilanten, een soort voorlopers van de Ku Klux Klan. De beruchtste van hen is de wrede Johnny Thunders. Andere personages die een rol van betekenis spelen, zijn O’Keeffe’s echtgenote Lucia, een Spaanse dichteres van wie hij gescheiden leeft, haar bewonderaar kapitein Alan Winterton en O’Keeffe’s voormalige vriend, nu bittere vijand, John Fintan.

Rond deze en diverse andere figuren ontspint zich een reeks verwikkelingen die het boek heen en weer doen springen in plaats en tijd. Redemption Falls is een caleidoscopische roman met vele verschillende stemmen die dikwijls dezelfde gebeurtenissen vanuit verschillende perspectieven – en met zeer uiteenlopende interpretaties – vertellen.

De vertalers, die zich op respectabele wijze van hun klus hebben gekweten, zullen het niet gemakkelijk hebben gehad met de veelheid aan stijlen die O’Connor in dit boek van de pagina’s laat spatten. Nu eens werden zij geconfronteerd met de archaïsmen van Ierse liederen (‘‘Wel sakkerloot’, sprak de vrouw van Thunders, ‘ik ben als Ierse krijger fameus’), dan weer met zwart-Amerikaans dialect (‘Nee, ik ben nie bang fo’ dood te gaan’), met formele New Yorkse epistolaire kunst (‘Capricieuze: ik dank U voor het feit dat ik in leven ben’) en daarna met pogingen tot mooischrijverij van een Zuidelijke arts (‘Luizen en teken werden uit hun epidermale schuilhoeken verdreven en somtijds als ware trofeeën omhooggehouden of in de koffiekroes van een strijdmakker gedeponeerd terwijl de infernale, zoemende galsnippers welke door botanisten ‘muskieten’ genoemd worden ons voortdurend deden vloeken als Lucifers engelen’).

Joseph O’Connor vraagt ook het nodige van zijn lezers. De overdaad ligt in dit boek overal op de loer. Maar ondanks momenten van irritatie om zoveel opzichtig literair machtsvertoon overheerst bij het lezen toch het respect voor een schrijver die de wereld in de holte van zijn hand houdt.Hans Bouman

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden