Column

Ineens lag ik languit op mijn zij, mijn fiets boven op me

Wie staat er nou midden op de dag naar zijn handen te koekeloeren?

null Beeld Robin de PUy
Beeld Robin de PUy

Misschien was het de wind. Misschien was het een losliggende tegel. Maar waarschijnlijk was ik het gewoon weer zelf, opgesloten in mijn hoofd, denkend aan een deadline, aan de boodschappen, aan later, aan straks, in elk geval niet aan waar ik was. En dan moet je uitkijken, want zo heeft de duivel je het liefst. Ineens lag ik, languit op mijn zij, mijn fiets boven op me, de trapper nog dapper ronddraaiend. Godzijdank had ik de Dochter net afgeleverd bij de crèche, de ramp zou niet te overzien zijn geweest als zij er ook nog bij had gelegen, of erger, onder me. Nu viel het eigenlijk wel mee - maar zo voelde het dan toch niet.

Vallen is een ontmaskering, niets meer en niets minder.

Je valt en je láát alles vallen, je houding, je goeie gedrag, je kan niet anders. Je valt en je bent overgeleverd aan hoe je bent als je zelf niets meer bepaalt, wat alleen leuk is na een fles wijn, en zelfs dan niet altijd. Daarom is het ook zo leuk om anderen te zien vallen: ineens zie je een glimp van de werkelijkheid, van hoe je eruitziet als je niets meer ophoudt, zelfs Sylvie Meis trekt een malle snuit als ze valt. Je ziet de mens in al zijn ontroerende eerlijkheid, kortom, en dat is mooi, want de rest is in feite ruis.

Maar zelf vind je het lelijk.

Daarom doen de meeste mensen net alsof er niets is gebeurd als ze eenmaal liggen.

Ik ook, als de sodemieter stond ik weer op, niks aan de hand, pom, pom, pom, hier ging alles goed. Pas toen ik me ervan had vergewist dat niemand me had gezien, bekeek ik zo nonchalant mogelijk de schade, wat natuurlijk onzin is - wie staat er nou midden op de dag uitgebreid naar zijn handen te koekeloeren? Ze waren wel mooi stuk, zag ik, en er zat prut op mijn jas, prut of poep, dat kon je nooit weten in Betondorp. Door het gat in mijn knie kwam een beetje rood, ook dat nog, net nieuw die broek. Ik keek nog één keer om me heen, waar lag het nou aan, nee, niks te zien, en stapte toen maar weer op, hup, naar huis, waar ik een nieuwe broek aantrok en daar natuurlijk wel uitgebreid naar het grind in mijn handpalmen ging staan kijken.

Dan dénk je dat je er bent.

Maar een uur later was ik op weg naar een interviewafspraak en verdomd als het niet waar is, daar lag ik wéér, nu niet eens op de stoep maar midden op straat, met een nieuwe buts op mijn knie en weer een gat in mijn broek. En dit keer was het wel gezien, want er kwam meteen een wat ballerige knaap (ik viel in Amsterdam-Zuid) aanrennen die me met een bezorgde blik op mijn zevenmaandenbuik behoedzaam omhoog hielp en daarna vroeg of ik iets nodig had, water, een zakdoek, even zitten misschien?

En dat had hij beter niet kunnen doen.

Vallen is één ding, opgevangen worden een tweede - dat nékt de mens. Weg was mijn verdediging, foetsie de pose van de bloedende neus, verdwenen de zekerheid van mijn normale, ferme zelf. En dat wat je coûte que coûte probeert te voorkomen, dat wat je écht niet wil midden op straat, gebeurde: ik voelde tranen opkomen, niet één, maar wel tien. Sorry hoor, zei ik nog, maar daar kwamen ze al, snuitend verdwenen ze in zijn zakdoek, een ouderwetse met geborduurde initialen in de hoek. En terwijl de trams voorbijreden en een volslagen vreemde me over mijn rug aaide, huilde ik meer dan de val feitelijk rechtvaardigde.

Van een afstandje had ik het vast schitterend gevonden.

eva.hoeke@volkskrant.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden