Indië verloren of verlaten?

Geschiedenis Nederland werd in 1949 niet door Amerika en de VN gedwongen afstand te doen van Indonesië, maar nam zelf het initiatief, blijkt uit een nieuwe reconstructie van de dekolonisatie. Dirk-Jan van Baar over een nationaal trauma waarvan niemand meer wakker lijkt te liggen.

DIRK-JAN VAN BAAR

Als bijschrift bij zijn even heroïsche als monumentale studie Avondschot. Hoe Nederland zich terugtrok uit zijn Aziatisch Imperium schrijft J.J.P. de Jong dat de slotjaren van de dekolonisatie van Indonesië een immens nationaal trauma hebben achtergelaten, dat tot op de dag van vandaag doorklinkt. Ik geloof dat graag. We weten allemaal wel ongeveer dat het afscheid van 'Ons Indië' ontzettend pijnlijk moet zijn geweest en dat er 'met die politionele acties' iets verschrikkelijk fout is gegaan. Maar verder? Verder weten mensen van mijn generatie (geboortejaar 1957) die geen directe band met Indië hebben er niet veel van. Bij een nationaal trauma denken we tegenwoordig eerder aan 'Srebrenica', al beperkt dat trauma zich tot de Haagse besluitvormers die Dutchbat met een mission impossible hebben opgezadeld. Buiten de direct betrokkenen ligt niemand er wakker van. Kun je dan van nationale trauma's spreken? Voor mijn generatie dreunt de gemiste wereldtitel van 'München 1974' tot op heden waarschijnlijk zwaarder door.

Ik zeg dat niet om te willen provoceren, maar om duidelijk te maken dat 'Indië' voor de huidige generaties een ver vreemd land is dat met hedendaagse ogen niet meer te begrijpen is. Die koloniale wereld van vroeger bestaat niet meer, en ook degenen die er herinneringen aan hebben, omdat ze er geboren zijn (zoals Rudy Kousbroek en Hella Haasse) of er als militair hebben gediend, zijn bezig ons te ontvallen.

In de jaren veertig kwam niet alleen een eind aan honderd jaar nationale zelfstandigheidspolitiek (dankzij de Duitsers), maar ook aan drieënhalve eeuw aanwezigheid in Oost-Azië, dankzij de inval van de Japanners, met wie we lange tijd als enige volk in de westerse wereld een unieke relatie koesterden. Zoveel verraad moet een enorme schok zijn geweest. Stel je voor dat de wereld die voor ons vanzelfsprekend is er ineens niet meer is, door een geweldsexplosie van volken waarmee we goede contacten meenden te hebben (inclusief de inheemse bevolking in Indië zelf, van wie gedacht werd dat ze onze beschavingsarbeid op prijs stelden). Zo'n catastrofale breuk met het verleden is onze ouders en grootouders tussen 1940 en 1949 overkomen. En toch heb ik nooit het idee gehad dat zij er werkelijk door uit hun evenwicht zijn gebracht (tenzij ze tot de directe slachtoffers behoorden).

Terug naar de studie van De Jong. De auteur (1941), oud-hoofd van het bureau Indonesië en Azië-deskundige bij het ministerie van Buitenlandse Zaken, is zelf te jong om de dekolonisatie als volwassene te hebben meegemaakt. Tegelijk is hij een kenner als weinig anderen, waardoor hij veel bekend veronderstelt. Ik had moeite om alle hoofdrolspelers van toen, die niet echt tot leven worden gebracht, uit elkaar te houden. Het verhaal begint ook niet in 1942, of bij de Japanse nederlaag in 1945, maar bij het overleg op de Renville (een Amerikaans marineschip) in december 1947, dat voor Nederland heel goed afloopt.

Wat betreft de tweede politionele actie, in december 1948, die in een echec is geëindigd, refereert De Jong aan het traditionele beeld dat in ons nationale geheugen is gegrift. Nederland zou geen afstand van zijn kolonie hebben willen doen en zou pas na heftige druk vanuit de Veiligheidsraad overstag zijn gegaan. De Jong dacht dat eerst ook, maar is na gedetailleerd onderzoek in Britse, Amerikaanse en Australische archieven tot de conclusie gekomen dat het beeld bijstelling behoeft. Een heroïsche taak, niet alleen omdat elk revisionisme onder vakgenoten op scepsis stuit, maar ook omdat het 'nieuwe beeld' van De Jong de zaken voor niet-ingewijden nog complexer maakt.

De Jong beweert dat Nederland niet aan Indië wilde vasthouden, maar juist naar een geleidelijke dekolonisatie streefde. Daarvoor had het aanvankelijk ook steun van Amerika en Groot-Brittannië, maar diverse achterbannen binnen het Indonesische Republikeinse kamp dat in augustus 1945 de onafhankelijkheid had uitgeroepen, saboteerden een ordelijke overgang.

Met de tweede militaire actie in december 1948 hoopte Nederland alsnog met de Republikeinse onderhandelaars tot zaken te komen en hun opstandige achterbannen te kortwieken. Er werd een aanval uitgevoerd op het Republikeinse bolwerk Jokyakarta, waarbij ook de leiders Soekarno, Hatta en Sjahrir gevangen werden genomen.

De militaire actie verliep voorspoedig, maar het ontbrak aan een politiek vervolg. Door onenigheid binnen het Nederlandse kabinet konden toezeggingen aan de Veiligheidsraad over vrijlating van en overleg met de Republikeinse leiders niet worden waargemaakt, waarop de Raad op 28 januari 1949 met een interventie kwam. Niet om Nederland af te branden, maar om het bij de eigen les te houden, een geleidelijke dekolonisatie, die nu onder VN-toezicht moest plaatsvinden.

Dat was een fors politiek echec voor Nederland, maar dat kwam volgens De Jong niet door de Veiligheidsraad. Het waren de Indonesische Republikeinen die elk overleg blokkeerden. Daarop besloot Nederland tot een radicale koerswijziging, waarbij geleidelijke dekolonisatie niet langer mogelijk werd geacht en op onmiddellijke soevereiniteitsoverdracht via een rondetafelconferentie werd aangestuurd.

Met andere woorden: het was Nederland zelf dat tot abandonneren besloot! Dat gebeurde via een plan van Louis Beel, KVP-kopstuk en Hoge Vertegenwoordiger van de Kroon in Batavia, die kort daarvoor nog meende dat de Republiek Indonesia niet langer moest worden erkend omdat die door de actie in december 1948 van de kaart was geveegd. Het gevolg was verwarring en wantrouwen tegenover Nederland, zowel bij de Veiligheidsraad als bij de Republikeinen, die de koerswijziging als een valstrik interpreteerden.

Dat het in de tweede helft van 1949 toch tot een rondetafelconferentie komt, is te danken aan de waarnemend chefstaf van het Republikeinse leger Simatupang, die tot de slotsom kwam dat het Nederlandse leger niet kon winnen, maar dat ook het Republikeinse leger de Nederlanders geen definitieve slag kon toebrengen. Op 27 december 1949 wordt in Den Haag de soevereiniteitsoverdracht bezegeld. Alleen Nieuw-Guinea bleef buiten de overdracht: daarover ontstond nog een geschil met Indonesië dat pas in 1962 werd beëindigd (ook na Amerikaanse druk en tussenkomst van de VN).

Deze summiere samenvatting doet de rijke studie van De Jong amper recht. Tijdens het lezen kwamen er zoveel vragen op, dat het mij geregeld duizelde. Een ervaring die De Jong tijdens zijn jarenlange onderzoek zelf ook had. Zijn betoog is doorspekt met vragen die hij lang niet allemaal beantwoordt.

Ik kreeg de indruk dat ook de Amerikanen (niet echt diplomaten van de hoogste garnituur) vaak wat improviseerden - wat niet zo gek is, want er waren in die jaren meer vraagstukken die de aandacht vroegen. Moskou was bezig Oost-Europa in te palmen, in China was Mao in opmars. De internationale machtsverhoudingen waren na de Tweede Wereldoorlog nog niet uitgekristalliseerd. Logisch dat Washington aan nationalistische leiders als Hatta, die een communistische opstand de kop indrukte, de voorkeur gaf, al wordt niet duidelijk hoe belangrijk de Amerikanen de Indonesische kwestie nu werkelijk vonden. De Britten waren zelf in een dekolonisatieproces verwikkeld, en trokken zich in 1947 ineens uit India terug.

Het laat zien dat de dekolonisatie van Indonesië voor Nederland moeilijk anders dan in een echec kon eindigen. Kon je van Nederlandse politici die al hun vooroorlogse zekerheden kwijt waren en nog nooit zoiets groots bij de hand hadden gehad beter verwachten?

Toch zijn er 170 duizend dienstplichtige militairen naar Oost-Azië gestuurd, door een verarmde natie die net vijf jaar Duitse bezetting achter de rug had. Een verbijsterende krachtsinspanning. Vergelijk dat met een politiemissie naar Kunduz, die onze Haagse politici nu al bijna te machtig is.

Ik ben het met De Jong eens dat er veel voor revisionisme pleit, met minder moralisme en neiging om zestig jaar na dato alsnog 'aan de goede kant van de geschiedenis te willen staan'. Dat kan Nederland nu juist niet, want het was verliezer en de geschiedenis wordt door winnaars geschreven. Maar ik ben minder overtuigd door het 'nieuwe beeld' van De Jong, dat mij eerder een andere interpretatie toeschijnt. Ook in het verhaal van De Jong stuiten we op Haagse koppigheid en wereldvreemdheid. Ik zie niet zo'n fundamenteel verschil tussen het oude beeld van een Nederland dat zich onder internationale druk heeft moeten terugtrekken, en een Nederland dat daar na een uit nood geboren koerswijziging zelf op aanstuurt. Tijdgenoten hebben dat onderscheid niet als zodanig ervaren, en het is voor een historicus altijd riskant om het achteraf op basis van archiefmateriaal beter te weten dan de betrokkenen zelf.

Verder wil ik niet aan het monument knagen dat De Jong heeft opgericht. Laat zijn studie een aansporing zijn om een scherper totaalbeeld te krijgen van het historische krachtenspel dat het Koninkrijk der Nederlanden halverwege de twintigste eeuw bijna helemaal (op Suriname en de Antillen na) ten onder deed gaan en alleen het Europese moederland liet herrijzen. Een majeur onderwerp, waarvoor hedendaagse Nederlanders een aantal donkere kamers door moeten van een steeds ontoegankelijker wordend verleden dat buiten het nationale bewustzijn dreigt te vallen. Dat is pas echt abandonneren - en onvergeeflijk bovendien.

****

J.J.P. de Jong: Avondschot. Hoe Nederland zich terugtrok uit zijn Aziatisch Imperium.

Boom; 786 pagina's, € 34,90.

ISBN: 978 9461 05 270 4.

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden