‘IND net zo erg als Taliban’

Volgens de Immigratie- en Naturalisatiedienst is de Afghaan 1F’er. ‘Ik ga niet terug.’..

Beledigd, vernederd, geestelijk gemarteld. Mohammed Arefy hoeft niet lang te zoeken naar woorden die moeten uitdrukken hoe hij zich behandeld voelt door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Volgens hem is die ‘net zo erg is als de Taliban’. Want het is de IND die hem een verblijfsvergunning weigert en hem na tien jaar onzekerheid tot ongewenst persoon wil verklaren, omdat hij gewerkt zou hebben voor de Afghaanse geheime dienst.

De IND meent dat Arefy door zijn besmette verleden een gevaar vormt voor de openbare orde in Nederland en dat hij naar Afghanistan dient te worden teruggestuurd. Een horrorscenario voor de 50-jarige geograaf, die inmiddels acht jaar met zijn gezin in een rijtjeshuis in Warnsveld (gemeente Zutphen) woont. Zijn vrouw en vier kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit en zijn volledig ingeburgerd.

Mohammed Dawod Arefy kwam in 1999 naar Nederland, naar zijn zeggen op de vlucht voor de mujahedin (guerrillastrijders die zich verzetten tegen de Sovjetbezetting van Afghanistan) en de Taliban. Hij is docent geweest aan de universiteit van Kabul en was tijdens het communistische bewind (1978 tot 1992) actief lid van de regerende Democratische Volkspartij van Afghanistan.

En hij maakte deel uit van het partijcomité van de universiteit. Vooral zijn activiteiten voor dit comité waren voor de IND reden hem een verblijfsvergunning te weigeren op grond van artikel 1F van het VN-vluchtelingenverdrag. Daarin staat dat personen tegen wie ernstige verdenkingen van mensenrechtenschendingen bestaan, geen recht hebben op een vluchtelingenstatus.

De IND gaat ervan uit dat Arefy als lid van het partijcomité informant was voor de beruchte Afghaanse geheime dienst Khad. Die veiligheidsdienst staat bekend om de wrede martelpraktijken waaraan tegenstanders van het bewind werden onderworpen.

De IND baseert zich onder meer op twee ambtsberichten van het ministerie van Buitenlandse Zaken, waarin staat dat leden van het partijcomité uit hoofde van hun functie wel moeten hebben gespioneerd voor de Khad.

Arefy, emotioneel, ontkent: ‘Laat de IND zijn beschuldigingen bewijzen. Die ambtsberichten deugen niet en daar ben ik slachtoffer van geworden. Ik heb nooit voor de Khad gewerkt. In de hiërarchie van de partij stelde het comité van de universiteit niet veel voor. Bovendien ben ik uit het comité gezet omdat ik het vaak niet eens was met beslissingen. Ik ben geen oorlogsmisdadiger.’

Hij laat een brief zien van het Afghaanse ministerie van Buitenlandse Zaken, waarin staat dat er ‘geen bewijs of getuige is gevonden die aantoonde dat hij (Arefy, red.) medewerking verleende aan de veiligheidsorganen (...) of dat hij mensenrechten geschonden zou hebben’. De IND was niet onder de indruk; de dienst twijfelde aan de authenticiteit van de brief en aan de kwaliteit van het onderzoek naar Arefy’s antecedenten.

‘De aanwijzingen tegen Arefy zijn vaag’, zegt diens advocaat Den Hartogh. ‘Volgens mij is er geen harde informatie dat leden van het comité voor de Khad werkten. De gegevens van het ambtsbericht zijn verzameld in Pakistan en dat land heeft niet zo’n beste inlichtingendienst.’ De raadsman vindt dat Nederland uit angst voor het herbergen van oorlogsmisdadigers is ‘doorgeschoten’ in het tot 1F’er bestempelen van Afghanen. ‘Er is geen Europees land dat artikel 1F zo uitgebreid toepast.’

Tot een strafrechtelijke vervolging van Arefy is het nooit gekomen. Het Openbaar Ministerie meende in 2002 dat er ‘onvoldoende aanwijzingen zijn om hem tot verdachte te kunnen aanmerken’. Voor de IND geen reden een verblijfsvergunning toe te kennen; aan een strafzaak worden andere eisen gesteld dan aan het beoordelen van een asielverzoek.

Als Arefy inderdaad het land wordt uitgezet, zal hij worden gescheiden van zijn echtgenote Farida (48), die in een schoolkantine werkt, en van zijn kinderen (15 tot 22 jaar), die een baan hebben of nog op school zitten. Voor dit gezin is terugkeer geen optie. Dat vooruitzicht verlamt hem. ‘Ik kan niet werken, ik kan niet studeren. Ik studeerde, maar ben gestopt. Ik ben mijn concentratie kwijt.’

In Afghanistan is hij zijn leven niet zeker, zegt Arefy. Hij vreest de wraak van mujahedin en Taliban, ook voor kritische artikelen van zijn hand in kranten en tijdschriften. ‘De mujahedin en de Taliban hebben het op mij gemunt. Veel mensen kennen mij.’ Volgens de IND vallen de gevaren mee. De Taliban zijn ‘niet langer een machtsfactor’. Arefy: ‘Ik ga niet terug. Ik laat mijn gezin niet in de steek.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden