Inburgeren bij de rennen

Ook in het oude Rome verliep de integratie van vreemdelingen lang niet altijd geruisloos. Hoe verging het de Griekse, Syrische, Spaanse, Gallische en Germaanse nieuwkomers?

Altijd hebben mensen om uiteenlopende redenen huis en haard verlaten en steeds heeft de opvang van migranten in het land of de stad van aankomst tot felle discussies geleid. Het oude Rome vormt geen uitzondering. Ook daar meldden zich, in de eerste twee eeuwen van onze jaartelling, vele migranten en worstelden autochtonen met de vraag hoe ze die tegemoet moesten treden.


Migranten kwamen uit alle windstreken, de meesten uit het oosten, hoewel harde bevolkingscijfers die aantonen dat de Griekse en Syrische gemeenschappen groter waren dan de Spaanse, Gallische of Germaanse er niet zijn. Maar omdat Romeinse auteurs vaker spreken over de volkeren uit de oostelijke mediterrane wereld, waren die vermoedelijk groter, of in ieder geval spraakmakender dan wel aan meer kritiek onderhevig.


Waren nieuwkomers eenmaal bekomen van de eerste indrukken van de nieuwe stad, dan kwam het moment om zich een plek te veroveren in de smeltkroes van volkeren die Rome was. Maar hoe kwam je in contact met medebewoners die niet behoorden tot de eigen etnische gemeenschap? Gewoon de straat op gaan in een metropool van ruim 900 duizend inwoners en gesprekken aanknopen was geen optie. Opmerkelijk genoeg waren het de primitieve woonomstandigheden die de bewoners naar de plaatsen leidden waar zij andere inwoners konden ontmoeten.


Publieke baden

Door het gebrek aan sanitaire voorzieningen in hun huizen waren zij aangewezen op openbare toiletten en publieke baden. In de kleedruimten en in de koude, lauwe en warme baden ontmoetten de nieuwkomers andere migranten, maar ook autochtone Romeinen, wier leefomstandigheden vaak niet veel beter waren. In de thermen kwam de hele onderlaag van de Romeinse bevolking samen. Een kakofonie van talen moet te horen zijn geweest als vele honderden mensen uit alle delen van het Romeinse rijk zich daar tegelijk verpoosden.


Als nieuwkomers eenmaal de weg wisten in Rome, zochten ze ook vermaak. Ze kwamen dan onvermijdelijk uit bij de grote 'sportaccommodaties': het Colosseum en het Circus Maximus. Ze wisten dat beide bouwwerken het decor waren van schouwspelen waarmee ze in hun vaderland al vertrouwd waren geraakt. In alle grote rijkssteden werden uit naam van de keizer gladiatorenspelen en wagenrennen georganiseerd om de provinciebewoners ervan te overtuigen dat zij hem evenzeer ter harte gingen als het volk van Rome. Migranten in Rome hadden zich zodoende al een voorstelling kunnen maken van wat hun te wachten stond.


Meer nog dan gladiatorenspelen hebben de wagenrennen stimulerend gewerkt op de integratie van vreemdelingen. In het Circus Maximus zaten alle toeschouwers door elkaar, ongeacht hun status. Hier kon een nieuwkomer naast een senator of een ridder komen te zitten - niet omdat die dat zo graag wilde, maar omdat beiden supporter waren van dezelfde renstal.


Er waren namelijk aparte vakken voor de fanatieke supporters van de vier renstallen: de Groenen, de Blauwen, de Roden en de Witten. Ook in de provincies waren de renstallen van de Groenen, de Blauwen, de Witten en de Roden actief. Zonder dat er concrete aanwijzingen voor zijn, denk ik dat voor veel 'import-Romeinen' de renstal in het land van herkomst bepalend is geweest voor hun keuze in Rome.


Ik kan mij goed voorstellen dat een Syriër, die in Antiochië aanhanger van de Groenen was geweest, bij aankomst in Rome zijn 'groene shirtje' uit zijn plunjezak haalde en zich bij zijn eerste bezoek aan het Circus Maximus in het vak van de Groenen meldde. Daar werd hij opgevangen door de vaste supporters. Na verloop van tijd werd hij herkend en kort daarop leek het alsof hij altijd al in het vak van de Groenen had meegejuicht.


Gilden

Maar er was meer voor nodig om zich in Rome een plek in de mensenmassa te verwerven. Een migrant kon nog zo open en assertief zijn, zijn aanpassingsproces stond of viel met zijn vakbekwaamheid. Omdat een sociaal vangnet veelal ontbrak, waren mensen op zichzelf aangewezen. Wie geen werk kon vinden miste al snel de aansluiting met de samenleving. De migratie naar Rome was een avontuur dat winnaars en verliezers had. Je moest sterk in je schoenen staan. Vooral jonge sterke geschoolde werkkrachten hebben zich in het avontuur gestort. Ze konden aan de slag in diverse sectoren van industrie en nijverheid.


Een enkeling slaagde erin zijn bedrijf uit te bouwen en zoveel geld opzij te zetten dat hij aan het einde van zijn leven een in het oog springend grafmonument kon laten oprichten, als blijvende herinnering aan een geslaagde carrière. De meeste nieuwkomers op de arbeidsmarkt hebben daar alleen maar van kunnen dromen.


Toch was er ook voor hen de mogelijkheid om hun naam voor het nageslacht te bewaren. Als ze op de werkvloer een goede indruk maakten, werd hun gevraagd lid te worden van een vakvereniging (collegium). In die gilden van timmerlieden, koperslagers, touwslagers, metselaars en breeuwers kwam de integratie pas echt op gang. De juridische scheidslijnen tussen burgers, vrijgelatenen en vreemdelingen vervaagden daar: alle leden, autochtoon of allochtoon, waren er gelijk.


De leden betaalden contributie en kwamen minstens één keer per maand bij elkaar voor gezamenlijke diners, feestavonden of erediensten voor de god onder wiens bescherming het gilde zich had gesteld. Als een lid of een van zijn familieleden stierf, zorgde de vakvereniging ervoor dat hem een eervolle begrafenis of crematie wachtte.


Migranten realiseerden zich verder dat van volledige acceptatie pas sprake kon zijn als ze de voertaal in Rome, het Latijn, machtig waren. Als ze zich niet verstaanbaar konden maken bij de mensen met wie ze dagelijks op het werk omgingen, bleven ze buitenstaanders en was de kans dat ze tot een van de vele gilden werden toegelaten gering. Omdat er geen taalcursussen voor migranten waren, moesten ze er zelf voor zorgen dat ze zich in het Latijn konden uitdrukken. Landgenoten die al langer in Rome waren hielpen hen op weg.


Voor mensen uit Spanje of Gallië was dit in zoverre gemakkelijker dat de Romeinse cultuur en taal daar gemakkelijker ingang hadden gevonden. Voor hen was Latijn hun eerste of tweede taal, terwijl Syriërs, Egyptenaren of Grieken meestal Grieks - de voertaal in de oostelijke rijkshelft - of hun inheemse taal waren blijven spreken.


Uitwerpselen

De integratie van vreemdelingen in Rome verliep lang niet altijd geruisloos. Er deden zich geregeld problemen voor en er waren conflicten of rellen, zeker in de overvolle volkswijken waar armoede en criminaliteit heersten. Maar het proces bleef beheersbaar en massale uitzettingen bleven uit. Toch waren met name leden van de senatoriale elite fel gekant tegen de instroom, waarbij we ons moeten realiseren dat de aristocraten het gewone volk altijd al laatdunkend hadden bejegend.


Cicero bijvoorbeeld noemde in de eerste eeuw voor Christus het lagere volk sentina (het water dat tussen de spanten van een schip blijft staan en gehoosd moet worden). De dichter Lucanus schreef niet veel later dat Rome zich vulde met de uitwerpselen (faeces) van de hele wereld. Latere Romeinse auteurs laten zich niet minder denigrerend uit. Immigranten infecteerden naar hun overtuiging met vreemde gewoonten langzaam de traditionele mores, en ondermijnden zo de deugden waardoor Rome groot was geworden.


Zij zetten hun kritiek extra zwaar aan om effect te sorteren, om te laten zien dat Rome op een keerpunt stond: de oude waarden kwamen onder druk te staan als te veel nieuwigheden werden geïntroduceerd. Waar hebben we dat meer gehoord?


FIK MEIJER

is emeritus hoogleraar oude geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schreef het boek van de Maand van de GeschiedenisLessen uit Rome - De vreemdeling in het Romeinse Rijk en de Europese Unie. De presentatie is op 4 oktober tijdens de opening van de Maand van de Geschiedenis in de Amsterdamse Stadsschouwburg. Andere gasten op deze avond: Geert Mak, Thomas von der Dunk, Herman Pleij, Maarten van Rossem en Arend Jan Boekestijn. Kaarten zijn te bestellen op www.ssba.nl.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden